nr. 00
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Rijswijk, 26 februari 1998
1. Inleiding
Tijdens de Algemene politieke beschouwingen in de Eerste Kamer op 19 november
1997 is door de heer Van Leeuwen verzocht om een internationale vergelijking
van de zorguitgaven aan de Kamer te doen toekomen vóór het beleidsdebat.
Achtergrond van deze vraag was de daling in de periode 1994/1998 van de zorguitgaven
als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van 9,6% tot 8,8%,
zoals gemeld in de beantwoording van schriftelijke vragen bij het Jaaroverzicht
Zorg 1998. De heer Van Leeuwen vroeg zich af of dit percentage in een internationale
vergelijking bijzonder laag zou blijken.
In deze brief zal ik aan bovengenoemd verzoek voldoen. Bij de vergelijking
worden de landen in beschouwing genomen, die meewerken aan het CBS-project International Comparison of Health Care Dataen/of deel uitmaakten van
de door SZW uitgevoerde concurrentietoets, te weten: België, Denemarken,
Duitsland, Frankrijk, Japan, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde
Staten en Zwitserland.
In verband met de beschikbaarheid van cijfers beperk ik mij bij de vergelijking
tot de periode 1990–1996.
Om een genuanceerde vergelijking mogelijk te maken zijn de volgende indicatoren
gehanteerd:
– de zorguitgaven als percentage van het BBP;
– de zorguitgaven per inwoner.
2. Omvang zorguitgaven
In opdracht van VWS werkt het CBS aan het project International Comparison
of Health Care Data. Doel van dit project is het verbeteren van de internationale
vergelijkbaarheid van de financiële informatie over de zorgsector.
Over de voortgang en resultaten van dit project wordt jaarlijks in het Jaaroverzicht Zorg gerapporteerd.
Recentelijk zijn voorlopige cijfers voor 1994/1995 beschikbaar gekomen.
Deze cijfers zijn beter geschikt voor een internationale vergelijking dan
de veelal gebruikte OESO-cijfers. Nadeel is dat de informatie slechts voor
een beperkt aantal landen en enkele jaren beschikbaar is. In tabel 1 zijn
de zorguitgaven als percentage van het BBP en per inwoner opgenomen.
Tabel 1. Zorguitgaven 1994/1995
| | %
BBP | per inwoner1 |
|---|
| | CBS | OESO | CBS | OESO |
|---|
| België | | 8,0 | | 95 |
| Denemarken | 7,6 | 6,4 | 124 | 94 |
| Duitsland | 9,0 | 10,4 | 131 | 138 |
| Frankrijk | 9,9 | 9,9 | 130 | 117 |
| Japan | | 7,0 | | 132 |
| Nederland | 7,9 | 8,8 | 100 | 100 |
| Verenigd Koninkrijk | | 6,9 | | 59 |
| Verenigde Staten | | 13,6 | | 163 |
| Zweden | | 7,3 | | 85 |
| Zwitserland | 9,0 | 9,8 | 191 | 189 |
1 Indexcijfers met Nederland = 100.
Bronnen: CBS (1998; voorlopige cijfers); OESO (1997).
Tabel 1 laat zien dat Nederland met de zorguitgaven als percentage van
het BBP een middenpositie inneemt. Van de vijf landen waarvoor het CBS informatie
verstrekt, geeft Nederland na Denemarken het minste aan zorg uit. Betrekken
we ook de overige landen in de analyse, dan ontstaat een genuanceerder beeld.
Bij de internationale vergelijking is de demografische samenstelling van de
bevolking een aandachtspunt. De «Toets op het concurrentievermogen 1997»
van het Ministerie van Economische Zaken laat zien dat de vergrijzing de komende
jaren een uitdaging vormt. Cijfers van de Wereldbank duiden erop dat de toename
van de grijze druk in Nederland relatief hoog zal zijn, evenals in Duitsland.
Nederland krijgt hierdoor nog met een forse uitgavenstijging te maken. De
Studiegroep Begrotingsruimte schat de potentiële stijging van zorguitgaven
tot 2040 op 2 à 4,5% BBP.
De uitgaven per inwoner op basis van CBS-cijfers zijn in Nederland relatief
laag, hetgeen samenhangt met de relatief lage welvaart (BBP per inwoner) in
Nederland. Op basis van OESO-cijfers neemt Nederland een middenpositie in.
3. De ontwikkeling van de zorguitgaven, 1990–1996
Op basis van de OESO-gegevens is een indruk te krijgen van de ontwikkeling
van de zorguitgaven in de periode 1990–1996. Weliswaar zijn er problemen
met de vergelijkbaarheid van de cijfers (met name de absolute niveaus) voor
een bepaald jaar, maar dit probleem speelt minder bij het in kaart brengen
van veranderingen.
Tabel 2 geeft aan hoe de reële zorguitgaven zich in de periode 1990–1996
hebben ontwikkeld.
Tabel 2. Ontwikkeling zorguitgaven, 1990–1996
| | | gem. jaarlijkse groei % |
|---|
| | mutatie
aandeel zorguitgaven in BBP (%-punten) | zorguitgaven | BBP | zorguitgaven
inwoner | BBP per inwoner | bevolking |
|---|
| België | 0,3 | 1,9 | 1,2 | 1,6 | 0,9 | 0,3 |
| Denemarken | –0,1 | 1,9 | 2,1 | 1,6 | 1,7 | 0,3 |
| Duitsland | 0,9 | 3,3 | 1,4 | 2,7 | 0,9 | 0,5 |
| Frankrijk | 0,7 | 2,5 | 1,1 | 2,0 | 0,6 | 0,5 |
| Japan | 0,8 | 4,9 | 1,3 | 4,6 | 1,1 | 0,2 |
| Nederland | 0,3 | 2,7 | 2,2 | 2,0 | 1,5 | 0,7 |
| Verenigd Koninkrijk | 0,9 | 3,7 | 1,3 | 3,5 | 1,1 | 0,2 |
| Verenigde Staten | 1,3 | 4,2 | 2,3 | 3,0 | 1,1 | 1,1 |
| Zweden | –1,5 | –2,5 | 0,4 | –2,9 | –0,1 | 0,5 |
| Zwitserland | 1,4 | 3,2 | 0,0 | 1,9 | –1,3 | 1,3 |
Bronnen: OESO (1997)
Tabel 2 laat zien dat in Nederland het aandeel van de zorguitgaven in
het BBP in vergelijking met de meeste andere landen bescheiden is toegenomen.
Dit hangt samen met het zogenoemde «noemereffect». Doordat in
Nederland de welvaart relatief fors toenam (2,2% per jaar), vertaalde de reële
groei van de zorguitgaven (2,7%) zich in de genoemde periode slechts in een
bescheiden toename van de ratio van beide.
De zorguitgaven per inwoner namen in Nederland met 2,0% toe. Hiermee neemt
Nederland een middenpositie in.
4. Tot slot
In deze brief zijn de zorguitgaven in Nederland vergeleken met de uitgaven
in negen andere Westerse landen. De vergelijking, op basis van gegevens van
CBS en OESO, laat zien dat Nederland wat betreft de uitgaven(ontwikkeling)
een middenpositie inneemt.
«De Nederlandse verzorgingsstaat in internationaal en economisch
perspectief», welke het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
in 1996 publiceerde, geeft een vergelijkbaar beeld. Volgens deze studie bevindt
Nederland zich in gezelschap van Duitsland, Zweden en België in de middengroep
als het gaat om voor pakketverschillen gecorrigeerde publieke uitgaven. Het
aandeel van de uitgaven voor zorg in het BBP ligt in Denemarken en het Verenigd
Koninkrijk zo'n 2 procentpunten lager. De uitgaven aan langdurige zorg zijn
in Nederland relatief hoog.
De studie gaat voorts in op de doelmatigheid en de effectiviteit van de
zorg. Naast de uitgavenniveaus is voor een internationale vergelijking immers
ook van belang hoe het zorgstelsel op deze punten presteert. Qua doelmatigheid
van de gezondheidszorg neemt Nederland samen met Denemarken en Zweden een
middenpositie in. De gezondheidszorg in Nederland bleek in vergelijking met
de andere landen goed te presteren op het punt van gezondheidsuitkomsten.
De effectiviteit van de verschillende stelsels komt tot uitdrukking in de
gezondheidstoestand van de bevolking. Nederland en Zweden scoren op dat gebied
goed. Ook waar het gaat om de tevredenheid van de bevolking over het functioneren
van het zorgstelsel scoren deze landen goed blijkens genoemde studie.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers