nr. 141i
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 mei 1998
Zoals ik u in de parlementaire behandeling van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten heb toegezegd treft u hierbij aan het onderzoek «Vrouwen
vaker in de WAO?»1. In deze brief reageer
ik op de uitkomsten van dit onderzoek, uitgevoerd door Bureau AS/tri. Het
rapport zal voorzien van bijlagen uitgegeven worden door VUGA.
Inleiding
Vanouds hebben vrouwen een grotere kans om in de WAO te geraken dan mannen
(zie figuur 1). Dit wordt deels gecompenseerd door een hogere kans op WAO-uitstroom
van vrouwen. Naar de achtergronden van deze hogere invalideringskans en uitstroomkans
van vrouwen is al eerder onderzoek gedaan. Tot een min of meer sluitende set
van verklarende factoren is het echter nimmer gekomen. Dit is voor mij aanleiding
geweest opnieuw onderzoek te laten verrichten waarin, gebruik makend van alle
beschikbare data-bestanden, het verschil verder geanalyseerd wordt.
Figuur 1

De onderzoekers hebben getracht het hele traject van ziekmelding dat leidt
tot instroom in de WAO en vervolgens uitstroom uit de WAO in beeld te brengen.
Hierbij werden zij overigens beperkt door lacunes in de statistische informatievoorziening.
Binnen deze beperkingen is het toch mogelijk gebleken de voornaamste factoren
die samenhangen met het feit dat bij werkende vrouwen meer ziektegevallen
met WAO-intrede voorkomen dan bij werkende mannen in kaart te brengen.
Voornaamste resultaten
1. Het onderzoek is gericht geweest op alle sectoren. Niettemin kwam naar
voren dat het werkzaam zijn in de gezondheidszorg een zeer belangrijke factor
is in de verklaring van de hogere kans op WAO-instroom en -uitstroom van vrouwen.
2. Vrouwen uit de gezondheidszorg komen bijna 4x zo vaak in de WAO terecht
in vergelijking tot mannen in die sector. Deze vrouwen hebben een 2x zo hoog
WAO-risico vergeleken met vrouwen in andere sectoren. Bijna een kwart van
de WAO-instroom is afkomstig uit de gezondheidszorg, en deze sector bestaat
voor 88% uit vrouwen.
2. De verhoogde kans op WAO-instroom van vrouwen werkzaam in de gezondheidszorg
wordt in de eerste plaats veroorzaakt door het hoge aantal ziekmeldingen van
vrouwen in deze sector. Daarnaast lijkt een rol te spelen dat bij de uitvoeringsinstelling,
waarbij de gezondheidszorg is aangesloten (Cadans), sprake is van een hoger
WAO-toekenningspercentage dan bij andere uitvoeringsinstellingen.
3. Het werken in de gezondheidszorg is overigens niet de enige verklaring
voor het verhoogde risico voor WAO-instroom van vrouwen. Ook buiten de gezondheidszorg
komen vrouwen vaker in de WAO dan mannen. Dit verschil lijkt volgens voorliggend
onderzoeksrapport niet te worden verklaard door verschillen in factoren als
burgerlijke staat of een aantal aspecten van arbeid en arbeidsomstandigheden.
Uit het onderzoek kwam naar voren dat risicofactoren voor WAO-instroom (zwaar
werk, hoge werkdruk, ploegendienst, slechte gezondheid etc.) niet vaker bij
werkende vrouwen dan bij werkende mannen voorkwamen.
4. Het feit dat na 1994 de verschillen in WAO-instroom tussen vrouwen
en mannen zijn toegenomen, wordt voor een belangrijk deel verklaard doordat
enerzijds het ziekteverzuim in de gezondheidszorg structureel hoog is gebleven
gedurende de afgelopen jaren, en dat dit met name de vrouwen in de gezondheidszorg
betreft.
Anderzijds daalde het ziekteverzuim in andere sectoren aanzienlijk in
de afgelopen jaren, met name in de bouwnijverheid, waar veel mannen werken.
5. Bij vrouwen wordt de WAO-uitkering vaker beëindigd dan bij mannen,
voornaamste reden hiervoor is zogeheten «spontaan herstel». Een
deel van het verschil in de beëindigingskans kan verklaard worden doordat
vrouwen in de WAO vaker zijn aangesloten bij Cadans; bij Cadans worden relatief
vaker WAO-uitkeringen beëindigd dan bij de overige uvi's.
Conclusies naar aanleiding van het onderzoek
De resultaten in het onderzoek geven in belangrijke mate inzicht in de
achtergronden en de oorzaken van de verschillen in WAO-instroom en WAO-uitstroom
tussen mannen en vrouwen. Het thans verkregen inzicht laat zich echter nog
vervolmaken. De onderzoekers hebben daarvoor een aantal aanbevelingen gedaan.
De belangrijkste aanbeveling is naar mijn opvatting het verrichten van
nader onderzoek naar sekse-specifieke risicofactoren. De onderzoeksvraag daarbij
is de volgende: «Zijn bepaalde factoren van het werk, de gezondheid,
de begeleiding en/of de persoon voor werkende vrouwen een groter risico dan
voor werkende mannen met betrekking tot ziekteverzuim en WAO-toetreding?»
Ik zal op zo kort mogelijke termijn opdracht geven tot dit onderzoek en wil
bevorderen dat de resultaten van dat onderzoek nog dit jaar beschikbaar zijn.
De resultaten van het onderzoek bevestigen overigens de noodzaak de WAO-instroom
en WAO-uitstroom van mannen en vrouwen branchegewijs en onderscheiden naar
relevante kenmerken (WAO-toekennings- percentages, oorzaak arbeidsongeschiktheid,
functieniveau e.d.) voortdurend te monitoren. Belangrijke kanttekening daarbij
is echter, de onderzoekers hebben dat, zoals eerder opgemerkt, ook als een
beperking ervaren, dat sprake is van lacunes in de informatievoorziening.
Deze constatering is voor mij aanleiding geweest om in overleg het Lisv te
treden om aanpassingen van de Lisv-informatievoorschriften voor uitvoeringsinstellingen
te bewerkstelligen, teneinde deze lacune zoveel mogelijk op te vullen.
Overigens stel ik vast dat dit onderzoek de wenselijkheid tot investeren
in de arbeidsomstandigheden, o.m. in het kader van de zorg-CAO, nog eens onderstreept.
Mijnerzijds is de arbeidsinspectie gevraagd bericht op de arbeidsomstandigheden
in de zorg te intensiveren.
Tenslotte kan ik u meedelen dat de ontwikkelingen met betrekking tot het
verzuim en WAO-intrede in de gezondheidszorg voor Cadans reden zijn om hiernaar
nader onderzoek te laten verrichten. Ik verwijs in dit verband eveneens naar
mijn brief van 21 april jl. betreffende de verbetering van de kwaliteit van
de uitvoering bij Cadans. Tevens zal binnenkort door mij een gesprek worden
gevoerd met Cadans over onderhavige materie. Daarbij zullen ook het CTSV en
het LISV worden betrokken.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F. H. G. de Grave