Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1997-199825478 nr. 141b

25 478
Vaststelling van nieuwe regels met betrekking tot de (re)integratie van arbeidsgehandicapten (Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten)

nr. 141b
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 30 januari 1998

Het voorbereidend onderzoek gaf de leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

ALGEMEEN

Inleiding

De leden van de fractie van de VVD hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij onderschreven dat een zekere stroomlijning van alle reïntegratiemaatregelen dringend noodzakelijk is, wil het beleid dienaangaande in de toekomst meer succesvol zijn dan tot nu toe. Het (her)plaatsingsbudget en het pakket op maat kunnen ertoe bijdragen dat de werkgevers op een tamelijk eenvoudige wijze en binnen korte tijd over de hen toekomende financiën kunnen beschikken.

Over het experiment met een persoonsgebonden budget wilden zij enige vragen stellen. Dit alles neemt niet weg dat het wetsvoorstel in zijn technische uitwerking ingewikkeld is.

De leden van de CDA-fractie hadden met grote belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Immers, na hun herhaalde waarschuwingen over het niet bereiken van voldoende resultaten met het in gang gezette reïntegratiebeleid, hetgeen bij de laatste discussie met de minister in dit Huis ook ronduit is toegegeven, waren de verwachtingen van deze leden met betrekking tot het voorstel van wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) hoog gespannen.

Het was deze leden echter duidelijk geworden, dat het wetsvoorstel in een aantal opzichten hieraan helaas niet beantwoordt. Het is bijvoorbeeld opvallend dat over het ambitieniveau slechts in zoverre helderheid is gekomen, dat dit vrij algemeen als té laag is bevonden. Hiernaast is er met betrekking tot de uitvoering nog zoveel onhelderheid gebleven, dat de vraag gerechtvaardigd is of een snelle invoering wel verantwoord is in het licht van de doelstellingen die ook de CDA-fractie van harte nastreeft. Zelfs het Lisv, al langer met de materie in de uitvoering vertrouwd, is niet in staat de noodzakelijke kwantitatieve gegevens aan te leren. Dat betekent dat zeker voorlopig de nieuwe spelers op het veld hierop eveneens niet kunnen worden afgerekend.

Hier staat tegenover dat op een aansprekende wijze is getracht de in de oude regeling – tezamen met de invoering van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (WULBZ) en de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (PEMBA) – gelegen risico's te ondervangen. Het bedrijfsleven, in casu de werkgevers, krijgt nu kansen om zonder bureaucratische rompslomp en met een behoorlijke financiële tegemoetkoming arbeidsgehandicapten in dienst te nemen en te houden en derhalve ook zijn maatschappelijke doelstelling waar te maken.

De leden van de CDA-fractie wilden dan ook tijdens het plenaire debat inzetten op het verkrijgen van meer inzicht en wilden zich thans beperken tot het stellen van een aantal vragen, die hieraan dienstig moeten zijn. Het antwoord hierop zal derhalve mede een belangrijke rol spelen.

De leden van de PvdA-fractie hadden grotendeels met waardering kennis genomen van dit wetsvoorstel en de wijze van voorbereiding.

Op enkele onderdelen is de beoordeling van de voorstellen moeilijk, omdat veel in (boven niet bekende) lagere regelgeving wordt uitgewerkt. Nu het kabinet voornemens was geweest om REA per 1-1-98 in te voeren en gesteld had dat dit ook mogelijk was, gingen deze leden ervan uit dat de meest noodzakelijke lagere regelgeving thans gereed is.

De leden van de fractie van D66 hadden met voldoening kennis genomen van het feit dat het inzicht is gegroeid dat de diverse integratie-instrumenten op zich niet voldoende zijn om «gedeeltelijk arbeidsgeschikte» werknemers een werkplek te laten vinden.

De Wet REA heeft als hoofddoelstelling de bestaande 35 reïntegratie-instrumenten beter te laten functioneren. De verandering betreft een onderverdeling in 3 hoofdlijnen:

1) Iedere werkgever die een arbeidsgehandicapte in dienst neemt ontvangt zonder verdere rompslomp een aanzienlijke forfaitaire kostenvergoeding, dat wil zeggen een totaal budget ineens.

2) Een arbeidsgehandicapte die scholing volgt om zijn beschikbaarheid en dus kansen voor de arbeidsmarkt te vergroten, verkrijgt een reïntegratie-uitkering.

3) Een duidelijke taak en dus verantwoordelijkheidsverdeling voor de vier groepen die bij arbeidsreïntegratie zijn betrokken.

De leden van de fractie van GroenLinks hadden twijfels over de effectiviteit van voorliggend wetsvoorstel. Het ambitieniveau van REA is erg mager, er wordt veel geld uitgetrokken dat beter besteed kan worden aan omscholingstrajecten, er worden geen sancties gegeven als werknemers arbeidsongeschikt worden en over quotering is niets terug te vinden. Gekozen is voor positieve stimulansen. Dit vergroot de vrijblijvendheid van het wetsvoorstel. Waarom deze insteek?

De leden van de fracties van SGP, GPV en RPF hadden met veel belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Het is van groot belang dat de (re)integratie van arbeidsgehandicapten «een krachtige impuls» krijgt. Naar het oordeel van genoemde leden staat de urgentie van extra aandacht voor (re)integratie van arbeidsgehandicapten buiten kijf. Maar of de REA als instrument bevredigend genoemd kan worden, betwijfelden deze leden.

Het lid van de SP-fractie had kennis genomen van het wetsvoorstel. Op zich achtte hij het zinvol de diverse reïntegratie-instrumenten onder te brengen in een afzonderlijke wet.

Ambitieniveau

De leden van de fractie van de VVD hadden de indruk dat rond het wetsvoorstel dat zeer positief door zowel de politiek als het bedrijfsleven is ontvangen een soort euforie is losgebarsten. Van vele kanten is de staatssecretaris verweten dat zijn aspiratieniveau – 6500 mensen per jaar extra aan het werk als gevolg van de wet – veel te laag is. Een algemeen aanvaarde motie heeft dit verwijt onderstreept. De leden van de VVD-fractie zetten hier vraagtekens bij. Het verleden heeft bewezen dat (re)integratie een moeizame aangelegenheid is. Is het dan niet beter om een bescheiden doel voor ogen te hebben met de kans dat het aantal dubbel en dik wordt gehaald, zo vroegen deze leden, dan na een zekere periode te erkennen dat wederom te hoog is gegrepen?

Wil de staatssecretaris hierover nog eens zijn licht laten schijnen?

Voor zover de aan het woord zijnde leden bekend, is er slechts een negatieve reactie op het wetsvoorstel. In het Algemeen Dagblad van 29 oktober 1997 vergeleek de bedrijfsarts D.A. van Wijngaarden het wetsvoorstel met een miezerig boompje, waarvan de levensvatbaarheid nog maar moet blijken. Hij zei verder dat het voorstel misschien van moed maar ook van een gebrek aan realiteitszin getuigt. Is deze reactie, zo vroegen de leden van de VVD een algemene opvatting in de discipline van de auteur of is het de uitzondering die de regel bevestigt?

Van Wijngaarden heeft o.a. als kritiek de negatieve benadering door het kabinet van bedrijvenpoli's, die de wachtlijsten hadden kunnen bekorten. Bekend is, aldus de auteur dat mensen als gevolg van die lange wachttijd een grotere kans lopen op een blijvende arbeidsongeschiktheid. Deze opmerking leidt tot de vraag of het kabinet prioriteit geeft aan een al dan niet vermeende tweedeling in de zorg dan wel aan een zo groot en zo efficiënt mogelijke (re)integratie. Is het juist dat het kabinet het logische en voor de hand liggende gevolg van de privatisering van o.a. de Ziektewet niet heeft voorzien, zoals minister Borst heeft meegedeeld?

De leden van de CDA-fractie stelden een aantal vragen omtrent het ambitieniveau van het wetsvoorstel. Allereerst vroegen zij of de staatssecretaris nog eens exact wil aangeven wat nu – midden in een ingewikkeld samenwerkingsproces – het SWI-proces – de toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel is?

Had, gelet op het beperkte ambitieniveau, mogelijk ook kunnen worden volstaan met de aanpassing van de financile instrumenten?

Hun vraag is mede ingegeven door de in de Tweede Kamer aangenomen moties, die bij uitvoering opnieuw de nodige wijzigingen voor de uitvoeringsorganisaties met zich meebrengen en bovendien ook wetswijziging noodzakelijk maken. Op welke termijn en op welke wijze denkt de staatssecretaris aan de diverse voorstellen te kunnen voldoen?

Voorts vroegen deze leden of bij uitvoering van de motie Van Nieuwenhoven (kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr.16) terzake van het automatisch toekennen van het recht op het reïntegratie-instrumentarium ook aan personen met minder dan 15–25% arbeidsongeschiktheid de kans niet groot is dat de taakstelling als gevolg van het bekende vraagstuk van afroming vooral in deze categorie wordt behaald? Hoe denkt de staatssecretaris dit niet beoogde gevolg te ondervangen? Of zal de taakstelling worden aangepast?

De leden van de fractie van D66 merkten op, dat de motie Van Nieuwenhoven (kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr. 16) er van uitgaat, dat ook 15 tot 25% arbeidsongeschikten, die geen WAO ontvangen, recht hebben op het REA-instrumentarium. Zij vroegen

– of doorberekend is hoeveel mensen dit betreft;

– in hoeverre deze groep een verdringingseffect zal opleveren ten opzichte van WAO'ers met een handicap van meer dan 25%;

– of bij het bepalen van het budget voor de arbeidsvoorzieningsorganisatie afgerekend wordt op het aantal geplaatste arbeidsgehandicapten als een totaalgroep of onderscheid zal worden gemaakt naar zwaarte van handicap?

De leden van de CDA-fractie hadden uit alle gewisselde stukken begrepen dat – hoewel het aanvankelijk zeker de bedoeling was tot een vereenvoudiging van het reïntegratie-instrumentarium te komen – dit niet kon worden gerealiseerd, omdat hierdoor de doelmatigheid zou worden overschaduwd. Het ontging deze leden dat vereenvoudiging ten koste van de doelmatigheid zou moeten gaan, aangezien vereenvoudiging altijd in het teken van grotere doelmatigheid zal staan. Zij vroegen of de staatssecretaris het standpunt terzake nog eens wil verduidelijken. Mogelijk is er sprake van een misverstand.

Zoals bekend, hebben de leden van de CDA-fractie zowel tegen WULBZ als PEMBA-wetgeving gestemd; deze leden ontkwamen dan ook in het licht van de recente ontwikkelingen niet aan de noodzaak tot het stellen van een vraag over deze ontwikkelingen.

Nu ook de Wet REA door het kabinet steeds meer in verband wordt gebracht met de uit beide bovengenoemde wetten voorkomende risico's en nu het kabinet, althans één lid daarvan, zich blijkbaar ook overvallen voelt door niet voorzienbare gevolgen (tweedeling in de gezondheidszorg) rijst de vraag of dit naar het oordeel van het kabinet niet zal moeten leiden tot maatregelen zowel in beide genoemde wetten als in de Wet REA?

De leden van de fractie van GroenLinks constateerden dat ondanks de sterke nadruk op reïntegratie die er de afgelopen jaren al was, de bedrijven uit het ZARA-werkgeverspanel in 1996 slechts 1.7% arbeidsgehandicapten in dienst hadden. Het gaat zelfs nog om een ruimere dan de WAGW-definitie. Het aantal WAGW-werknemers blijft stabiel zeer laag. AMBER was ook al een wetsvoorstel dat de reïntegratie beoogde te versterken. Ook van WULBZ werd gezegd dat daardoor meer mensen met een handicap aan het werk zouden blijven. Kennelijk is dit allemaal niet gelukt. Waarop, zo vroegen deze leden, is dan de verwachting gegrond dat REA meer van de grond zal brengen?

De leden van de fracties van de SGP,GPV en RPF wezen er op, dat de noodzaak om extra steun te bieden aan arbeidsgehandicapten die een plaats op de arbeidsmarkt zoeken niet alleen is gelegen in hun persoonlijke omstandigheden, maar ook in de situatie op de arbeidsmarkt. Voor mensen die niet in optimale conditie zijn is de arbeidsmarkt, met z'n hoge eisen aan de arbeidsproductiviteit, moeilijk toegankelijk. Het overheidsbeleid van de laatste jaren heeft, door het belang van werkgevers bij gezonde werknemers sterk te vergroten, de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt voor arbeidsgehandicapten eerder verkleind dan vergroot. In het antwoord nummer 3 in het verslag van het schriftelijk overleg met de Tweede Kamer over de hoofdlijnennota (kamerstukken II 1996–97, 25 478, nr. 4) verwoordt de minister zelf deze zorg met zoveel woorden. Opvallend is dat de gevolgen van TZ/Arbo en WULBZ daar in een breder kader worden geplaatst. De toename van negatieve risicoselectie is niet alleen gevolg van de genoemde wettelijke maatregelen. «Er worden de laatste jaren steeds hogere eisen gesteld aan werknemers, niet alleen in de zin van opleiding en vakbekwaamheid, maar ook in de zin van productiviteit, gezondheid, algemene inzetbaarheid en flexibiliteit.» Het is wrang te constateren dat de minister de gevolgen van TZ/Arbo en WULBZ relativeert door erop te wijzen dat de voor arbeidsgehandicapten bedreigende trend van scherpere risicoselectie al gaande was. Het gaat toch al verkeerd, dus is een beetje meer verkeerd de regering niet aan te rekenen. En nu zal de PEMBA opnieuw een effect hebben in dezelfde ongewenste richting.

De vraag dringt zich op of de genoemde wijzigingen in de sociale zekerheid in combinatie met een REA niet het beeld oproepen van een chauffeur die in zijn auto tegelijk gas geeft en remt? Graag wilden genoemde leden een reactie van de bewindslieden op deze beschouwing.

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is, zowel door de regering als door de kamer, de REA opgevat als een wet die de negatieve effecten van o.a. PEMBA zou kunnen ondervangen. De leden van de fracties van SGP, GPV en RPF zijn echter niet zo optimistisch over de effectiviteit van het wetsvoorstel. Zij vroegen of de bewindslieden duidelijk kunnen maken welke effecten zij (in kwantitatieve zin) van de REA verwachten?

Reïntegratie van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten was naar de mening van het lid van de SP-fractie een belangrijke zaak. In een van de eerste CTSV-rapporten werd vastgesteld dat slechts 22% van de herkeurde WAO'ers weer aan de slag kwam. De bedroevende cijfers over reïntegratie leidden er uiteindelijk toe dat voor de oudere WAO'ers de herkeuringen werden versoepeld. Hij vroeg of de regering inmiddels de reïntegratiecijfers over 1997 bekend zijn.

Heeft de regering bijvoorbeeld kennis genomen van het rapport van de Bouw- en Houtbond FNV in Noord-Brabant van oktober 1997, waaruit blijkt dat slechts 13% van de afgeschatte bouwvakkers werk heeft gevonden?

Het lid van de SP-fractie had toch de nodige reserve bij het onderhavige wetsvoorstel. De WULBZ en ook de PEMBA houden naar zijn mening het risico in dat werkgevers terughoudend zijn in het aannemen van mensen die (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn omdat zijzelf worden afgerekend op het ziekteverzuim in hun bedrijf respectievelijk het aantal werknemers dat in de WAO komt. Werkgevers hebben er een financieel belang bij zo weinig mogelijk zieken en arbeidsongeschikten te hebben. Dit lid vroeg dan ook, of de regering kan verduidelijken hoe desondanks de Wet REA een prikkel zal zijn op het (weer) in dienst nemen van arbeidsgehandicapten?

De arbeidsgehandicapte

Nu de behandeling van dit wetsvoorstel later plaatsvindt dan gepland namen de leden van de VVD-fractie aan dat de bezwaren van de VNG en/of van gemeenten tegen een te spoedige invoering van de wet (grotendeels) zijn vervallen. Wel blijft de vraag of het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) inmiddels klaar is met de definitie van het begrip «arbeidsgehandicapte». Men kan immers toch moeilijk een wet invoeren waarvan het object nog niet is gedefinieerd.

De leden van de fractie van het CDA wilden weten op welke termijn de nieuwe definitie van het begrip arbeidsgehandicapte in samenhang met de te stellen criteria beschikbaar zal zijn. Zij vroegen of de staatssecretaris het niet met hen eens is dat een en ander eerst duidelijk moet zijn geregeld alvorens de Wet in werking kan treden? Kortom, wanneer kan de nadere invulling door het Lisv tegemoet worden gezien?

Gelet op de beoogde datum van inwerkingtreding van de wet, zouden, zo meenden de leden van de PvdA-fractie, de noodzakelijke uitwerkingsregelingen thans gereed moeten zijn. Zij vroegen of deze lagere regelgeving ook aan de Eerste Kamer beschikbaar gesteld kan worden? Deze leden waren vooral geïnteresseerd in de uitwerking van criteria voor het begrip «arbeidsgehandicapt» en in de AMvB's over het pakket op maat en de inkomens- en loonsuppletie. Zij vroegen voorts of alle uitvoerders van REA thans voldoende voorbereid zijn op de uitvoering.

De leden van de CDA-fractie wilden weten wat de afstemming met de minister terzake van de uitvoering van de motie Biesheuvel (kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr.14) intussen heeft opgeleverd.

Deze leden realiseerden zich dat het kabinet de keuze voor het maken van een onderscheid tussen arbeidsgehandicapten en andere categorieën werkzoekenden vooral motiveert met het nog steeds veel te lage percentage werkzame arbeidsgehandicapten. Zij vroegen of de staatssecretaris dit argument nader kan onderbouwen mede tegen de achtergrond van de gesignaleerde problematiek van oudere werkzoekenden en andere langdurig werklozen?

Deze leden vroegen voorts of de staatssecretaris nog eens nader wil ingaan op de weigeringsgronden om geen gebruik behoeven te maken van de reïntegratie-instrumenten om aan stigmatisering te ontkomen en dit ook in vergelijking met langdurig werklozen die eveneens een aantal instrumenten krijgen aangeboden om uit de uitkeringssituatie weer aan het werk te komen? Wat betekent dit recht ook voor de praktijk van de uitvoering?

De leden van de fractie van GroenLinks hadden als belangrijk kritiekpunt bij de REA dat de langdurig arbeidsongeschikten uit de boot zijn gevallen. REA lijkt toegeschreven op terugkeer van werknemers bij hun eigen werkgever. Hoe gaat de regering om met het werkelijke knelpunt: mensen die geen werkgever (meer) hebben?

Neemt de regering het voor lief dat een hele generatie (ex-)WAO-ers wordt afgeschreven? De kans op werk voor een WAO-er is nu 3% per jaar. Dat is onaanvaardbaar laag, zeker gezien het feit dat de hoogte van de uitkering en de toetredingsvoorwaarden in 1993 wel drastisch zijn aangepakt. Werknemers zijn wel gekort om ze te stimuleren om weer terug te gaan naar de arbeidsmarkt, maar ze kunnen de drempel niet nemen. Vindt de regering het niet noodzakelijk dat de kans op herintreding van 3% de komende jaren drastisch omhoog moet, bijvoorbeeld naar 10%. Genoemde leden vroegen hoe dit in beleid wordt vertaald? Zijn er naast de WSW werkgelegenheidsinitiatieven denkbaar – bijvoorbeeld op te zetten in overleg met WAO-platforms e.d. – waardoor de mensen die te goed zijn voor de WSW en te slecht voor deze arbeidsmarkt meer kansen krijgen?

De leden van de CDA-fractie wezen er op, dat uit de jongste CTSV-publicatie blijkt, dat de uitstroom van Vrouwen naar de WAO zeer sterk is toegenomen. Zij vroegen of dit verband houdt met het vaker en sneller afschatten van vrouwen? Op welke wijze zal aan dit aspect bijzondere aandacht worden gegeven en hoe zal hierop toezicht worden gehouden?

De leden van de fractie van GroenLinks merkten op, dat de regels en subsidiemogelijkheden voor reïntegratie m.n. toegespitst zijn op full-time, vaste banen. De positie van vrouwen op de arbeidsmarkt kenmerkt zich in het algemeen door part-time functies, combinatie van betaalde arbeid en zorgtaken en een ononderbroken loopbaan. Deze situatie gaf genoemde leden aanleiding tot de volgende vragen. In hoeverre houden de reïntegratie-instrumenten rekening met de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt? Klopt het dat het aantal vrouwen dat na ziekte of arbeidsongeschiktheid niet op de arbeidsmarkt terugkeert toeneemt? Is er onderzoek gedaan naar instroomcijfers verdeeld in mannen en vrouwen?

Het lid van de SP-fractie wilde tenslotte weten of en zo ja, op welke wijze het wettelijk sanctiebeleid hier van toepassing wordt. Wordt het niet of in onvoldoende mate meewerken aan reïntegratie bestraft met een maatregel? Rust op de arbeidsgehandicapte een plicht om mee te werken aan reïntegratie, en is hij verplicht daarin de keuze van de Uvi, Arbvo, of gemeente te volgen? Of wordt er ook rekening gehouden met zijn voorkeur?

Relatie met werkgever

Mede gelet op de door het kabinet zelf gesignaleerde risico's voor gehandicapte werknemers op de arbeidsmarkt als gevolg van WULBZ en PEMBA vonden de leden van de CDA-fractie de gradaties in beschermingsmaatregelen toch minder geslaagd. Het bevestigt huns inziens de mening – dit vanwege de gradaties – dat het in dienst nemen van gehandicapte werknemers toch een zeker risico met zich kan meebrengen. De voorlichting op individueel niveau is op zich een aardig idee, maar het doornemen van alle regels kan anderzijds ook de bestaande vrees aanwakkeren. Wil de staatssecretaris op deze problematiek nog eens ingaan en met name op de uitleg terzake van de minst vergaande bescherming? (Nota naar aanleiding van het verslag, kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr. 6; p. 26).

Deze leden vroegen of de door het Lisv op te stellen minimumeisen voor het reïntegratieplan en voor de begeleiding van de werknemer bij de reïntegratie nu wel of niet beschikbaar zijn. Zo niet, aan welke termijn moet dan worden gedacht?

De leden van de fractie van het CDA vroegen waarom alle ondernemingen (groot én klein) op dezelfde wijze worden behandeld.

Ook de leden van de fractie van D66 hadden op dit punt enige opmerkingen en vragen. Hoewel zij tevreden waren over de met REA beoogde doelstelling, waren zij er niet gerust op dat werkgevers niet door zullen gaan bij het aanname-beleid van werknemers risicoselectie toe te passen mede door de verscherping van de financiële last bij ziekte (privatisering Ziektewet) of opgelopen handicap (PEMBA).

Zij vroegen dan ook waarom de regering niet gezocht heeft naar mogelijkheden om de differentiatie tussen kleine, middelgrote en grote bedrijven, die in sommige SoZaWe-wetten wel tot uitdrukking wordt gebracht, ook bij de wet REA tot uitdrukking te laten komen.

Voorts vroegen zij of de staatssecretaris niet vreest voor concurrentie-vervalsing omdat grote bedrijven zich een personeelsfunctionaris kunnen veroorloven die reïntegratiebudgetten kan binnenhalen terwijl kleine ondernemingen die mogelijkheid niet hebben?

Tenslotte wilden zij weten of de opmerking van de heer Van Veen, penningmeester van de Vereniging voor Personeelsbeleid, in nummer 3 van de CNV-Opinie, terecht is dat een werknemer minstens een maand ononderbroken ziek moet zijn voordat er uitbetaald wordt?

Hoe is de vergoeding aan de werkgever geregeld als een aangenomen arbeidsgeschikte werknemer in 1 jaar 6 maal 1 week uitvalt, danwel frequent enkele dagen per maand?

Verantwoordelijkheidsverdeling

De leden van de fractie van de VVD achtten het wetsvoorstel in zijn technische uitwerking ingewikkeld. Zij dachten dan speciaal aan de verantwoordelijkheidsverdeling. Maar met het gegeven dat er drie soorten uitvoeringsorganen in het spel zijn – Uvi's, gemeenten en arbeidsvoorziening – die hun eigen gebied veelal willen consolideren en zelfs nog uitbreiden is een fijnmazige regelgeving onvermijdelijk. De leden van de VVD-fractie dachten in dit verband b.v. aan de totstandkoming van S.W.I. en de overgang van GAK AI naar Arbeidsvoorziening. De staatssecretaris heeft aan de overzijde verklaard dat hij zich op dit punt grote zorgen maakt. Deze leden vroegen of er de laatste tijd vorderingen zijn gemaakt en of de zorgen van de bewindsman zijn afgenomen. De bij de Raad van State liggende concept-Algemene maatregel van Bestuur – of is deze inmiddels terug bij het departement? – waarvan de inhoud is gepubliceerd in de brief van 28 november aan de Tweede Kamer getuigt volgens deze leden ook niet van een innige en kordate samenwerking binnen S.W.I.. Laat staan de zinsnede dat bij ongewenste ontwikkelingen in de samenwerking de bewindslieden hieraan nadere richting kunnen geven.

De leden van de CDA-fractie vroegen welke waarde toegekend moet worden aan de uitspraak van de staatssecretaris – citaat – «gedurende de periode waarin de samenwerking niet overal optimaal is, zal de Wet op de Reïntegratie zeker niet onuitvoerbaar zijn, maar de organisaties laten dan wel kansen op een betere uitvoering liggen»? Is deze uitspraak geen bevestiging van het door de CDA-fractie gesignaleerde bezwaar tegen de invoering van de Wet REA op dit moment?

Deze leden hadden met enige verbazing kennis genomen van de discussie rond de overgang van GAK AI naar Arbvo. Het ging naar hun mening niet om een initiatief van (uit) Arbvo, maar om een weloverwogen, consequent volgehouden voorstel van opeenvolgende kabinetten, overgenomen door het parlement.

Is een consequentie van dit standpunt dan niet dat deze overgang moet passen binnen de organisatorische opbouw van arbeidsvoorziening teneinde tot optimale resultaten te komen?

Deelt de staatssecretaris deze visie en kunnen de aan het woord zijnde leden worden ingelicht over de meest actuele stand van zaken rond deze overgang?

De leden van de CDA-fractie merkten op, dat een en andermaal de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Lisv (uvi's), gemeenten en arbeidsvoorziening uiteengezet is. Huns inziens blijven er nog steeds onduidelijkheden bestaan. Het is noodzakelijk, aldus deze leden, nog de navolgende vragen te stellen:

– in welke gevallen wordt de uitvoering van het trajectplan niet aan arbeidsvoorziening opgedragen?

– in welke gevallen is het zoeken van een baan aan het einde van een toeleidingstraject niet de taak van arbeidsvoorziening?

– blijft de kwalificerende intake onderdeel van de basisdienstverlening, waarvoor arbeidsvoorziening verantwoordelijk blijft?

– is het niet gewenst toch vast te leggen wie het voortouw dient te nemen bij de reïntegratie, nl. het voor de reïntegratie verantwoordelijke orgaan? Dit teneinde een ook in de tijd adequate aanpak te verzekeren?

Genoemde leden vroegen voorts of de staatssecretaris de nieuwe verhouding tussen Arbo-dienst en Uvi's niet een risicofactor acht?

Van diverse zijden is de vrees uitgesproken – een vrees die, zoals reeds duidelijk is geworden, door de leden van de CDA-fractie wordt gedeeld – dat een snelle invoering ten koste zal gaan van de zorgvuldigheid. Deze vrees is bepaald niet weggenomen door de beantwoording onder meer van de in de Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer d.d. 21 oktober 1997 gestelde vragen. Onder meer wordt ten aanzien van de uvi's gesteld dat de uvi's de wet tijdig kunnen uitvoeren al zal er vanzelfsprekend de eerste maanden sprake zijn van een aanlooptijd.

Hoe verhoudt deze uitspraak zich met het ontbreken van een rechtmatigheidsverklaring terzake van onderdelen van de uitvoering van de werknemersverzekeringen?

Zal de invoering van de Wet REA niet ten koste gaan van het inlopen van andere achterstanden of is er nu reeds sprake van een dusdanig substantiële verbetering dat hiervoor geen enkele vrees meer behoeft te bestaan?

Ten aanzien van de gemeenten wordt verwezen naar de vervlechting in de WIW, het activeringsinstrument bij uitstek voor gemeenten.

Realiseert de staatssecretaris zich dat de optimistische kijk van de minister met betrekking tot de oplossing van de nog bestaande problemen – onder meer de totstandkoming van een cao – vooralsnog niet is uitgekomen? De meer sombere, maar wel realistische kijk van de CDA-fractie blijkt nu reeds meer in overeenstemming te zijn met de werkelijkheid. Op welke feiten stoelt de staatssecretaris zijn optimistische verwachtingen en heeft de VNG intussen terzake van de invoering van het voorliggende wetsvoorstel een ander standpunt?

Ten aanzien van de mogelijkheid voor arbeidsvoorziening onmiddellijk een goede start te maken, vroegen de leden van de CDA-fractie of de plenaire behandeling in de Tweede Kamer, die diverse malen zeer kritisch was ten aanzien van arbeidsvoorziening, deze goede start niet bemoeilijkt?

De leden van de PvdA-fractie constateerden dat naast de Uvi's ook gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk zijn voor de medisch-arbeidskundige beoordeling van de hoedanigheid van arbeidsgehandicapte. Op welke wijze raken de Uvi's op de hoogte van deze arbeidsgehandicaptentitel?

De Uvi's zullen moeten weten wie er arbeidsgehandicapt is, o.a. voor de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie (toepassing artikel 76f) en voor de kwijtscheldings- en kortingsregeling basispremie WAO, voor de toepassing van artikel 29b ZW en bij proefplaatsing. Registreren de Uvi's per werkgever het aantal arbeidsgehandicapten?

Kan bij het toegankelijk maken van het reïntegratie-instrumentarium ook een op naam gestelde verklaring waarin gemeente, Arbvo of Uvi aangeeft welke regels van toepassing zijn en welke risico's bij voorbaat zijn afgedekt (Nota n.a.v. Verslag, kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr. 6; p. 26) een rol spelen? Heeft het kabinet al besloten dat steeds zo'n op naam gestelde verklaring verstrekt moet worden?

De leden van de PvdA-fractie hechtten aan een actieve inbreng van betrokkene bij het reïntegratie-streven. Zo'n op naam gestelde verklaring kan hierbij een hulpmiddel zijn. Zij waren ook zeer geporteerd voor de experimenten met een persoonsgebonden reïntegratiebudget. Kan al aangegeven worden wanneer deze experimenten van start gaan?

Wordt de «reïntegratievisie» van de Uvi ook besproken met belanghebbende? Hoe denkt het kabinet vorm te geven aan het reïntegratiecontract (motie-Schimmel, (kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr. 13)? Zouden reïntegratievisie en reïntegratiecontract samengevoegd kunnen worden?

De leden van de PvdA-fractie misten in de voorstellen en toelichtende stukken een beschouwing over de fase die voor velen vooraf gaat aan trajecten gericht op herinschakeling in de arbeid. Een arbeidsongeschiktheidsverklaring is voor velen een zeer ingrijpende gebeurtenis en een breuk in hun levens- en verwachtingspatroon. Voor velen zal aan arbeidstoeleidende trajecten vooraf moeten gaan een fase van verwerking, lotgenotencontact, herstel van zelfvertrouwen en een brede oriëntatie op maatschappelijke participatie (vrijwilligerswerk, scholing en betaalde arbeid). Vooral bij uitval om psychische redenen is zo'n voorfase vaak een voorwaarde om mentaal toe te komen aan arbeidstoeleidende trajecten. Het is voor de leden van de PvdA-fractie de vraag of zo'n voorfase het beste ondergebracht kan worden bij de officiële uitvoerende instanties of wellicht primair of deels thuishoort bij regionale WAO-platforms, patiëntenorganisaties, uitkeringsgerechtigdengroepen binnen vakbeweging, Riaggs en vormingswerkinstituten. Zij vroegen of over deze vraag overleg gevoerd is met VWS?

Voorzover deze voorfase mede tot de taken van de officiële uitvoeringsinstanties behoort, zou een herkenbare vorm van cliëntenparticipatie en inspraak van of samenwerking met belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden toch een noodzakelijke voorwaarde zijn? Op welke wijze wordt hieraan thans gewerkt?

De leden van de fractie van GroenLinks constateerden dat klachten over arbeidsomstandigheden, met name werkdruk, hardnekkig zijn en meer dan epidemische vormen aannemen. 60% van de werknemers klaagt over werkdruk. Wat dat betreft lopen we ver achter bij andere Europese landen. Zij vroegen wat de regering gaat ondernemen om iets aan de werkdruk te doen? Het kan, gezien alle ervaringen, nu toch niet meer alleen aan de sociale partners overgelaten worden. Graag wilden zij hierop een reactie.

Voor de leden van de fracties van de SGP, GPV en RPF is een punt van zorg het grote aantal actoren op het veld van integratie en reïntegratie van arbeidsgehandicapten. Niet alleen is dit voor de betrokken instanties een zware opgave om (in korte tijd!) goede afstemming en samenwerking te bereiken. Voor de betrokken arbeidsgehandicapten en degenen in hun omgeving die zich voor hen verantwoordelijk weten, is en blijft het bijzonder lastig de weg te vinden. Hebben de bewindslieden grond voor vertrouwen in het invoeringstraject, nu dit samen loopt met zoveel andere verschuiving van taken en verantwoordelijkheden (WIW, SWI, om maar een paar te noemen)?

De voorgestelde verantwoordelijkheidsverdeling voor reïntegratie van verschillende groepen arbeidsgehandicapten was naar de mening van de leden van de PvdA-fractie op zich wel helder, maar nogal eenzijdig gekoppeld aan het financieel belang van de uitvoerders. Bij een verandering van uitkeringsinstantie ontstaan er wellicht problemen bij de overdracht. Is de aangekondigde model-overeenkomst tussen LISV en VNG over een «naadloze» overdracht en medefinanciering van kosten (Nota naar aanleiding van Verslag, kamerstukken II 1997/98 25 478, nr.6; p.36) al gereed? Het Lisv zal die modelovereenkomst dwingend opleggen aan de Uvi's, maar de VNG kan die modelovereenkomst niet dwingend opleggen aan de gemeenten. Een goede samenwerking tussen Uvi's en gemeenten bij reïntegratie is met een modelovereenkomst niet gegarandeerd. In situaties waar samenwerking geboden is, is financiële sturing een ontoereikend instrument. Deelt het kabinet deze visie en ziet het kabinet mogelijkheden om samenwerking toch meer accent te geven?

De leden van de PvdA-fractie hadden zich verbaasd over het gebrek aan problematisering van het functioneren van Arbodiensten, terwijl REA de taken van de Arbodiensten uitbreidt met een eventuele rol bij de medisch-arbeidskundige beoordeling voor de hoedanigheid van «arbeidsgehandicapte» en de Arbodienst de facto (bijna) beslist over de toekenning van een herplaatsingsbudget. Naar hun indruk hebben Arbodiensten tot dusver onvoldoende de reputatie van deskundigheid en onafhankelijkheid weten te verwerven, terwijl er veel schort aan samenwerking met Uvi's.

Kan er nadere informatie gegeven worden over de ontwikkeling van de Arbodienstverlening? Hoeveel gecertificeerde Arbodiensten zijn er nu nog? Hoeveel interne (aan een concern verbonden) Arbodiensten zijn er? Zijn er Arbodiensten die slechts een zorgverzekeraar of ziekteverzuimverzekeraar als aandeelhouder hebben? Zijn of worden de periodieke onderzoeken van NIA/TNO onder Arbodiensten openbaar gemaakt?

De leden van de PvdA-fractie stelden deze vragen mede tegen de achtergrond van het herplaatsingsbudget en de mogelijkheid van «proefplaatsing» met reïntegratie-uitkering bij eigen werkgevers in een andere functie.

De eigen werkgever heeft al een wettelijke inspanningsverplichting, ondersteund door een verscherpte ontslagbescherming en via sterke financiële prikkels (WULBZ, PEMBA). De leden van de PvdA-fractie stonden aarzelend tegenover sommige financiële tegemoetkomingen (herplaatsingsbudget en proefplaatsing) bij reïntegratie bij eigen werkgever in een andere functie en de rol van Arbodiensten hierbij.

Het zou beperkt dienen te zijn tot situaties waarbij de eigen werkgever zich meer dan gemiddeld inspant en het behoeft een volledige externe toets. De passage in de memorie van toelichting (blz. 49) over het herplaatsingsbudget stemde hen argwanend: hoewel formeel de Uvi beslist, zal in de praktijk de feitelijke beoordeling bij de Arbodienst van de werkgever komen te liggen; de Uvi toetst «op afstand, marginaal».

Naast een herplaatsingsbudget is ook een proefplaats met reïntegratie-uitkering mogelijk en kwijtscheldings- en kortingsregelingen basispremie PEMBA (en de vrijwaring van het werkgeversrisico voor de eerste vijf WAO-jaren?) bij reïntegratie bij eigen werkgever in een andere functie. Het was de leden van de PvdA-fractie niet duidelijk of ook loonsuppletie mogelijk is bij reïntegratie bij eigen werkgever in een andere functie.

Waar Arbodiensten afhankelijk zijn van werkgeversopdrachten, kan het toch niet zo zijn dat deze Arbodiensten, hoewel formeel slechts adviserend, de facto een centrale rol spelen bij de toekenning van veel gemeenschapsmiddelen bij reïntegratie bij eigen werkgever in een andere functie.

Zij hadden bedenkingen tegen de suggestie dat gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij de medisch-arbeidskundige beoordeling van de hoedanigheid «arbeidsgehandicapte» ook een Arbodienst kunnen inhuren. Zij vroegen zich af waarom deze publieke taak uitbesteed zou kunnen worden aan private marktpartijen, waarbij de publiek verantwoordelijke slechts marginaal toetst. De memorie van toelichting stelt: «Dit kan geschieden door de gemeentelijke indicatiecommissie, doch het is ook denkbaar dat de gemeente kennis inhuurt van andere instellingen zoals een Uvi, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of een Arbodienst» (memorie van toelichting, blz. 29).

Tegen deze ongelimiteerde opsomming hadden zij meer bezwaren. Het belemmert een uniforme wetstoepassing. Tijdens het debat in de Tweede Kamer stelde de staatssecretaris voor om bij de medisch-arbeidskundige beoordeling van de hoedanigheid «arbeidsgehandicapte» mede gebruik te maken van het FIS-instrumentarium. De leden van de PvdA-fractie vroegen hoe men de beoordeling dan kan uitbesteden aan organisaties die niet beschikken over het FIS-instrumentarium? Zij wensten meer inzicht in de criteria voor de aanduiding van arbeidsgehandicapte. Hoewel deze leden de gedachte onderschreven dat «arbeidsgehandicapte» een veel ruimer begrip is dan «arbeidsongeschikt» in de zin van WAO, WAZ en WAJONG, vreesden zij een te forse oprekking van het begrip «arbeidsgehandicapte», mede door de ongelimiteerde aanduiding van instanties die ingehuurd kunnen worden voor de medisch-arbeidskundige beoordeling. Bij een te forse oprekking van dit begrip wordt allicht de doelgroep die echt aangewezen is op het voorgestelde reïntegratie-instrumentarium, verdrongen. Om deze reden hadden zij aarzelingen bij de Tweede Kameruitspraak (motie-van Nieuwenhoven (kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr. 16)) om iedereen die bij de eerste arbeidsongeschiktheidsschatting minder dan 15% of 25% arbeidsongeschikt is automatisch als arbeidsgehandicapte te bestempelen (Overigens meenden de aan het woord zijnde leden dat uitvoering van deze motie wetswijziging vergt). Heeft het kabinet een raming gemaakt van het percentage van de potentiële beroepsbevolking, dat straks als arbeidsgehandicapt betiteld kan worden.

De leden van de fractie van GroenLinks wezen er op, dat het Arbobeleid van bedrijven zeer slecht van de grond komt. Bij het overgrote deel van de bedrijven betekent aansluiting bij de Arbodienst alleen uitbesteden van verzuimcontrole. Risico-inventarisaties worden alleen gemaakt bij hoge uitzondering en als ze al gemaakt worden dan gebeurt er vaak weinig tot niets mee. Investeringen in Arbobeleid lijken, zeker op korte termijn, niet renderend. Overheidswerkgevers klagen er bijvoorbeeld over dat zij niet over het budget beschikken om iets te doen met de aanbevelingen uit een RIE. Veel werkgevers ervaren een aansluiting bij een Arbo-dienst alleen als kostenpost, die je kunt compenseren door hard verzuimbeleid. Daar komt bij dat Arbodiensten elkaar beconcurreren. Hoe kijkt de regering nu eigenlijk aan tegen deze gegevens (m.n. te vinden in ZARA-werkgeverspanel)?

Het lid van de SP-fractie was van mening dat het succes van de Wet REA in hoge mate zal afhangen van de wijze waarop de uitvoering met die wet zal omgaan. Zoals het er nu naar uitziet zullen – in het kader van SWI – niet alle plaatsen en steden een Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) krijgen en zullen voorts in die Centra zelf niet steeds alle uvi's vertegenwoordigd zijn. Hij vroeg dan ook of op die manier b.v. een arbeidsongeschikte bouwvakker toch adequaat behandeld zal worden terwijl in het CWI waar hij terecht komt de SFB-uvi niet in het SWI-project vertegenwoordigd is? Moet in zo'n situatie dan b.v. het GAK de reïntegratie-taak op zich nemen? Of fungeert het GAK dan slechts als «intake- en doorgeefluik»? Anders gezegd: zullen de goede voornemens uit de wet niet stuk lopen op de bureaucratie van de CWI's, zo vroeg dit lid.

Budgetstructuur

De leden van de VVD-fractie vroegen zich wel af wat er moet gebeuren indien de reïntegratie niet aan de verwachtingen zou voldoen. Zou de staatssecretaris er voorstander van zijn om de (her)plaatsingsbudgetten dan te verhogen? Maar dan, zo stelden deze leden, komt de vraag aan de orde waar het optimum ligt. Op een gegeven moment zullen de kosten niet meer opwegen tegen het voordeel van (re)integratie. Hoe denkt de staatssecretaris dit te meten? Niet, zoals hij zelf ook al heeft gezegd door een afweging te maken met een levenslange uitkering. Dat zou van een erg pessimistische vooronderstelling uitgaan – los van het feit dat bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd voor eenieder de AOW aanbreekt. Is een andere afweging mogelijk en zo ja, welke?

De leden van de fractie van de VVD vonden de voornemens voor een persoonsgebonden reïntegratiebudget nog rijkelijk vaag. Zij vroegen waarom het Lisv en de NCCZ een concept-regeling moeten opstellen zonder directe bemoeienis van het ministerie. Een directe participatie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zou toch veel efficiënter zijn dan een beoordeling achteraf of aan de beoogde beleidsdoeleinden tegemoet wordt gekomen? Deze leden vroegen wat er gebeurt er als het budget op is zonder dat van reïntegratie sprake is? Komt een eventuele werkgever dan toch in aanmerking voor een (her)plaatsingsbudget? Zij vroegen of de staatssecretaris wat duidelijker zou willen aangeven wat hem met dat persoonsgebonden budget voor ogen staat en hoe hij de bureaucratie, zoals ontstaan bij het persoonsgebonden budget in de zorg denkt te vermijden?

De leden van de CDA-fractie vroegen wat de exacte redenen zijn om af te wijken van de standpunten van de SER en het Lisv terzake van het (her)plaatsingsbudget?

Het lid van de SP-fractie had vervolgens een vraag over het herplaatsingsbudget. Dit naar aanleiding van opmerkingen van de Gehandicaptenraad daarover (Dynamiek, december 1997, pag. 6 en 7). Nu op de werkgever reeds de wettelijke plicht rust om zijn eigen – inmiddels arbeidsongeschikt geworden – werknemer «terug te nemen», waarom moet die terugname dan nog beloond worden met een hoeveelheid subsidie? Verwacht de regering overigens wat de (her)plaatsingsbudgetten betreft dat ze wel zullen werken, waar tot op heden financiële prikkels geen deugdelijk reïntegratie-instrument blijken te zijn? Graag wilde hij een gemotiveerde reactie hierop van de regering.

Inkomens- en loonsuppletie REA

De leden van de PvdA-fractie merkten op dat de huidige inkomens- en loonsuppletieregelingen dateren van 1 april 1996. Hoe vaak zijn deze instrumenten tot op heden ingezet? Deze vraag is mede ingegeven door de constatering dat het hier om een voor niet-ingewijden wel zeer complexe regeling gaat. De regeling is slechts uit te leggen via een duik in de geschiedenis (de zgn. herschatting bij werkaanvaarding tegen een lager loon dan de theoretische resterende verdiencapaciteit, die vóór TBA mogelijk was) en via rekenvoorbeelden, waarbij de resterende verdiencapaciteit van de arbeidsongeschiktheidsschatting vergeleken wordt met de uitkomst van de niet meer bestaande practische herschatting op basis van feitelijk verdiend loon.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of bij de voorbereiding van REA ook overwogen is de mogelijkheid van herschatting op basis van feitelijk loon – genormeerd en toetsbaar – te herstellen. Indien nee, waarom niet?

Thans wordt voorgesteld de doelgroep van de bestaande loon- en inkomenssuppletie iets uit te breiden. Uit de summiere wetsteksten (artikel 29 en 32) valt de doelgroep echter niet af te leiden. De memorie van toelichting suggereert dat het om een beperkte uitbreiding van de doelgroep gaat: personen die bij een arbeidsongeschiktheidsschatting voor minder dan 15% (WAO) of 25% (Waz, Wajong) arbeidsongeschikt zijn. Deze personen zullen veelal aangewezen zijn op een WW- of bijstandsuitkering. De eerdere arbeidsongeschiktheidsschatting was een momentopname. Vanuit de bijstand is geen nieuwe arbeidsongeschiktheidsschatting mogelijk. Hoe wordt dan vastgesteld wat de resterende verdiencapaciteit is?

De thans vigerende loonsuppletie is ook mogelijk in geval van werkhervatting bij de eigen werkgever in een aangepaste functie tegen lager loon.

Indien deze mogelijkheid behouden blijft, zal er dan sprake zijn van een volledige toets door een Uvi? Loonsuppletie bij eigen werkgever op advies van de Arbodienst van die werkgever, waarbij de Uvi slecht «marginaal, afstandelijk» mag toetsen, creëert naar hun mening een te grote gebruikersruimte (vergelijk de eerdere opmerking van deze leden over het herplaatsingsbudget).

De thans vigerende loonsuppletie is een onderdeel van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Betekent dit dat die loonsuppletie deel uitmaakt van het dagloon WW indien tijdens het ontvangen van loonsuppletie werkloosheid intreedt?

De leden van de CDA-fractie vroegen of de nadere door het Lisv te stellen regels ten aanzien van het terugvorderingsbeleid al bekend zijn. Deze leden hadden met dit beleid op zich al enige moeite; vandaar dat de invulling van dit beleid huns inziens zeer nauw luistert. Aan de andere kant vroegen zij zich af op welke wijze oneigenlijk gebruik voorkomen kan worden.

Kwijtscheldings- en kortingsregeling basispremie WAO

De leden van de PvdA-fractie konden instemmen met de voorgestelde staffeling van de kwijtscheldings- en kortingsregeling basispremie WAO bij 5%, 4% of 3% arbeidsgehandicapten in dienst (artikel 77 b WAO, hier te kort door de bocht samengevat) of bij uitbesteding van werk aan de WSW (artikel 77c WAO). De – nu al gewijzigde – regeling voor opdrachten aan de WSW is ingewikkeld. Hetzelfde geldt voor de combinatie van beide varianten (artikel 77d WAO). Kan de werking van artikel 77c en 77d verduidelijkt worden aan de hand van enkele casusposities, met bijpassende rekenvoorbeelden, zodat de leden van de PvdA-fractie het begrijpen en ook aan werkgevers kunnen uitleggen?

De leden van de CDA-fractie vroegen of de uitwerking van artikel 82, Overgangsbepaling Arbeidstoeleidingstaken, in een ministeriële regeling reeds beschikbaar is.

Genoemde leden merkten op, dat het de bedoeling is de regels rond eigen bijdragen en dergelijke nader uit te werken in een A.M.v.B. Zij wensten te weten op welke termijn deze gereed zal komen. Zij vroegen voorts of de staatssecretaris overigens niet beducht is dat de invoering van deze «rem» op gebruik van het pakket op maat wel eens een averechtse uitwerking kan hebben, nl. dat er geen beroep zal worden gedaan op de voorgestelde mogelijkheden?

Overige instrumenten

In aanvulling op de ook door de leden van de CDA-fractie toegejuichte uitbreiding van artikel 29 b ZW blijft de vraag bestaan of een maximumtermijn van vijf jaar toereikend is voor alle groepen en er geen uitzonderingen noodzakelijk zijn voor groepen en niet alleen voor individuele gevallen? Is de staatssecretaris in staat metterdaad uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van de Wet een standpunt terzake te hebben?

De leden van de fractie van de PvdA wezen op (eventuele) samenloop met andere plaatsingsbevorderende maatregelen.

Zij vroegen in hoeverre het REA-instrumentarium voor arbeidsgehandicapten kan samenlopen met plaatsingsbevorderende regelingen voor (langdurig) werklozen en/of laag betaalde werknemers, zoals de Bijdrageregeling bedrijfstaksgewijze scholing, kaderregeling scholing, Melkert I-banen, werkervaringsplaatsen, Wet Vermindering Afdracht loonbelasting en premies volksverzekeringen (WVA) en de «witte werkster»?

Kan, zo vroegen deze leden, hiervan een beredeneerde en uitputtende inventarisatie geboden worden?

ARTIKELEN

Artikel 7 Beloning arbeidsgehandicapte werknemer

De leden van de fractie van de PvdA vroegen waarom dit artikel wel de loondispensatie regelt, maar niet tegelijk de inkomenscompenserende maatregelen die daaraan annex zijn? Wat doet het kabinet met de door de Tweede Kamer hierover aangenomen motie, (kamerstukken II 1997/98, 25 478, nr. 14)?

Artikel 21

Artikel 21 regelt de terugvordering van het budget dat wordt uitgekeerd bij hervatting van aangepast werk bij de eigen werkgever (herplaatsingsbudget), c.q. het plaatsingsbudget bij een nieuwe werkgever. Dit kan worden teruggevorderd indien het gewenste resultaat niet wordt gehaald.

De leden van de fractie van D66 stelden hierbij een drietal vragen.

– valt onder de dringende redenen van artikel 21, tweede lid, het overlijden van de werknemer?

– valt onder de dringende redenen van artikel 21, tweede lid, het geheel uitvallen van de werknemer door een progressief ziektebeeld?

– zullen de in ieder geval uit het budget bestede, door de werkgever betaalde verbouwings c.q. aanpassingskosten in de 2 bovengenoemde gevallen niet worden terugbetaald?

Artikel 27, tweede lid

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom hier naast de WW ook de Bia-uitkering wordt genoemd? De Bia-uitkering loopt toch (in beginsel) door tot de AOW-gerechtigde leeftijd en wordt toch niet tussentijds verlaagd?

Artikel 28, tweede lid

Waarom wordt hier een kan-bepaling vermeld? Gaat het hier om een discretionaire bevoegdheid van Lisv? Graag wensten de leden van de PvdA-fractie hierop een toelichting.

Hoofdstuk 10: Wijziging van andere wetten

Artikel 67 Ziektewet onder B

De aan het woord zijnde leden vroegen of in onderdeel B (artikel 29, eerste lid) onder dienstbetrekking in de passage «die onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking» slechts een nieuwe dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever wordt verstaan of mede een andere functie bij de eigen (oude) werkgever?

Artikel 68 Werkloosheidswet (WW)

De leden van de PvdA-fractie hadden de voorgestelde wijzigingen in de WW vergeleken met de hen beschikbare tekst van de WW (pocket Sociale Zekerheidswetgeving, Kluwer, 1997). Zij vermoedden dat die tekstuitgave inmiddels al weer achterloopt. Niettemin stelden zij de volgende vragen:

In onderdeel B wordt de in artikel 17b vervangen zinsnede «of een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid van de AAW» in vermelde teksteditie gevolgd door een bijzin, die naar hun mening eveneens dient te vervallen.

In onderdeel C wordt artikel 19 gewijzigd. Waarom wordt aan de uitsluitingsgronden WW slechts toegevoegd een reïntegratie-uitkering «in verband met het volgen van scholing of opleiding» en niet: een reïntegratie-uitkering in verband met onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats?

Met betrekking tot onderdeel D de wijziging van artikel 21 stelden zij eerst dezelfde vraag als hiervoor met betrekking tot onderdeel C: waarom slechts verwezen naar het volgen van scholing of opleiding en niet (tevens) naar onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats?

Een tweede vraag betreft de passage «als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen a, b, c, d of m». De onderdelen a, b, c en d betreffen huns inziens uitkeringen wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. Hoe kunnen die betiteld worden als «andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid of het volgen van scholing of opleiding» (nieuwe tekstvoorstel)? Het onderdeel m is niet vermeld in de door hen geraadpleegde tekstuitgave.

Indien en voorzover deze vragen berusten op misverstanden bij de leden van de PvdA-fractie, vroegen zij om een nieuwe en precieze uiteenzetting over de verhouding tussen de reïntegratie-uitkering REA (artikel 23, eerste lid, zowel de onderdelen a als b) en de uitsluitingsgronden WW (artikel 19) en de herlevingsgronden WW (artikel 21 WW).

Artikel 69 WAO

– De onderdelen E (artikel 75a, derde lid) en H (artikel 76f, vierde lid) waren de leden van de PvdA-fractie niet duidelijk.

In PEMBA is geregeld dat de oorspronkelijke werkgever financieel verantwoordelijk is gedurende de eerste 5 WAO-jaren voor de werknemer die in zijn dienst arbeidsongeschikt is geworden, ook indien de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer in die periode bij een volgende werkgever toenemend arbeidsongeschikt wordt. In hoeverre is de nu voorgestelde tekst een wijziging op die regel en waarom?

– Met betrekking tot de onderdelen E, artikel 75a, lid 3c en H, art. 76 f, lid 4c ten derde, beide laatste volzin stelden deze leden de volgende vragen.

Wat wordt bedoeld met de passage: «in aansluiting op een voordien op grond van» WAZ of Wajong toegekende uitkering:

a) betrokkene had ooit een WAZ- of Wajonguitkering en wordt nu toenemend arbeidsongeschikt «uit dezelfde oorzaak», m.a.w. de passage «in aansluiting op» is causaal bedoeld? òf:

b) betrokkene heeft nog steeds een gedeeltelijke WAZ- of Wajonguitkering en wordt toenemend arbeidsongeschikt (ongeacht oorzaak), m.a.w. de passage «in aansluiting op» is volgtijdelijk bedoeld? òf:

c) betrokkene heeft nog steeds een gedeeltelijke WAZ- of Wajonguitkering en wordt toenemend arbeidsongeschikt uit dezelfde oorzaak, m.a.w. de passage «in aansluiting op» is zowel causaal als volgtijdelijk bedoeld? òf:

d) nog iets anders?

Zou de laatste volzin van artikel 75a lid 3c en artikel 76f lid 4c ten derde niet preciezer geherformuleerd moeten worden?

– Onderdeel M, artikel 77d, bevat een volzin.

Deze ellenlange zin, 18 regels beslaande, was voor de leden van de PvdA-fractie schier onleesbaar. Naar hun indruk ontspoort de zin taalkundig. De zinsconstructie is: Aan de werkgever die ....wordt een korting toegekend ... en is hij de basispremie niet verschuldigd ..., indien hij .....

De aan het woord zijnde leden vroegen waarom artikel 77d niet gesplitst wordt in twee (of meer) zinnen?

De voorzitter van de commissie,

Heijmans

De griffier van de commissie,

Heijnis


XNoot
1

Samenstelling: Van de Zandschulp (PvdA), Heijmans (VVD) voorzitter, Gelderblom-Lankhout (D66), Jaarsma (PvdA), Rongen (CDA), Veling (GPV), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Batenburg (AOV), J. van Leeuwen (CDA), Van den Berg (SGP), Hendriks, Hofstede (CDA), De Wit (SP), De Haze Winkelman (VVD) en Zwerver (GroenLinks).