Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal1997-199825415 nr. 136b

25 415
Aanpassing van een aantal wetten in verband met de invoering van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen)

nr. 136b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 12 december 1997

Onder dankzegging voor de vragen en opmerkingen die vanuit uw Kamer bij dit wetsvoorstel naar voren zijn gebracht, wil ik op de gestelde vragen en opmerkingen als volgt ingaan.

De leden van de CDA-fractie zouden het op prijs stellen wanneer nog eens duidelijk wordt aangegeven hoe, met name voor de ouderen, de nadelige effecten van de invulling van de Pemba-wetgeving worden gecompenseerd.

Het inkomensbeeld voor 1998 is mede tot stand gekomen doordat het kabinet bij de besluitvorming over het totale inkomensbeeld voor 1998 een aantal maatregelen heeft getroffen dat ertoe heeft geleid dat de koopkrachtontwikkeling voor 1998 over een brede linie aanmerkelijke verbeteringen laat zien. Tevens heeft het kabinet bij de besluitvorming een aantal specifiek op ouderen gerichte maatregelen getroffen om te voorkomen dat voor ouderen met aanvullend pensioen de koopkracht zou verslechteren. De uiteindelijke gevolgen van de Pemba-operatie dienen dan ook in het totale koopkrachtbeeld voor 1998 te worden bezien.

Hieronder volgt een overzicht van maatregelen die relevant zijn voor de koopkrachtontwikkeling in 1998.

Overzicht maatregelen met consequenties voor koopkrachtbeeld 1998

Koppeling:

– volledige koppeling van minimumloon, uitkeringen en AOW-pensioen aan de gemiddelde contractloonstijging, conform de WKA.

Generieke maatregelen (via de netto-netto-koppeling hebben ook ouderen profijt van het merendeel van deze maatregelen):

– de invoering van een franchise in het werknemersdeel van de AWf-premie gelijk aan de bestaande franchise in het werkgeversdeel van de AWf-premie;

– het volledig ten laste van werkgevers brengen van de wachtgeld-premie met gelijktijdig een compenserende verschuiving in de AWf-premie ten gunste van werkgevers;

– een correctie van de gemaximeerde AOW-premie voor de grondslagversmalling uit hoofde van de AAW/WAO-operatie; hierdoor stijgt de AOW-premie met + 1.1%-punt tot 16.5% en daalt het belastingtarief eerste schijf partieel met – 1.0%-punt;

– de verlenging van de wachtgeldperiode in de WW van 13 naar 26 weken;

bij volledige doorwerking in AWf-premie (– 0.5 miljard) en veronderstelde doorwerking van een derde in de wachtgeld-premie (+ 0.07 miljard) resulteert per saldo een daling van de premielasten met – 0.43 miljard;

– een incidentele rijksbijdrage in het AOW-fonds in 1997 van 2,1 miljard; bij een vermogensinhaal in drie jaar leidt dit tot een partiële neerwaartse aanpassing van het belastingtarief eerste schijf in 1998 met – 0.3%-punt;

– een incidentele rijksbijdrage van 1 miljard in 1997 in het ANW-fonds;

wederom bij een vermogensinhaal in drie jaar heeft dit een partieel neerwaarts effect op de ANW-premie in 1998 van – 0.15%-punt;

– een verhoging van de kinderbijslag met f 30 per kind;

– de introductie van een niet-overdraagbare belastingvrije som van f 410;

– een verhoging van de overdraagbare belastingvrije som met f 970;

– verlenging van de eerste schijf in de loon- en inkomstenbelasting met f 350;

– een verlenging van de tweede schijf met f 4 150;

– een verhoging van het arbeidskostenforfait met f 460, waardoor het maximum komt op f 3108 en een stijging van het percentage met 2 procentpunt tot 12 procent;

– een beperking van de lokale lasten met f 100 per huishouden;

huishoudens die nu geen lokale lasten betalen omdat zij kwijtschelding ontvangen krijgen een toeslag van f 100 van de gemeente;

– een additionele partiële daling van het belastingtarief eerste schijf met 0.1%-punt;

– in het kader van de terugsluizing van de regulerende energiebelasting een daling van de overhevelingstoeslag met 0,05%-punt, een daling van het belastingtarief van de eerste schijf met 0,15%-punt;

– een stijging van de zelfstandigenaftrek met f 400, waarvan f 150 in verband met de terugsluizing van de regulerende energiebelasting;

– voor zelfstandigen geldt verder een verhoging van het percentage van de fiscale oudedagsreserve naar 12% in combinatie met het vervallen van de vermogensaftrek en een additionele verhoging van de zelfstandigenaftrek met f 325;

– een verhoging van de aanvullende alleenstaande ouderaftrek van 6 procent naar 12 procent.

Maatregelen die specifiek gericht zijn op inkomensverbetering van ouderen;

– de introductie van de zogenaamde Pemba-aftrek. Het gaat hierbij om de introductie van een inkomensonafhankelijk deel in zowel de algemene als aanvullende ouderenaftrek ter hoogte van f 500. In totaal bedraagt de algemene ouderenaftrek in 1998 f 1695 (inclusief de eerdergenoemde f 500);

– een verhoging van de aanvullende ouderenaftrek met f 1300 tot f 2681 (inclusief de eerdergenoemde f 500);

– de afschaffing van de WTZ-omslagbijdrage voor particulier verzekerde ouderen;

– uitstel van de laatste stap in het gelijk trekken van de premie voor de standaardpakketpolis voor boven en beneden 65-jarigen;

– een daling van de procentuele ZfW-premie over aanvullende pensioenen met 2,1% t.o.v. 1997.

Koopkrachtbeeld 1998

Na de hierboven beschreven maatregelen resulteert het hieronder in tabel 1 gepresenteerde koopkrachtbeeld in 1998. De koopkrachtontwikkeling in 1998 laat naar verwachting over een brede linie aanzienlijke verbeteringen zien. Zo ondervinden werkende kostwinners in 1998 een aanzienlijke koopkrachtontwikkeling. Ook de sociale minima gaan er in 1998 op vooruit. Voor AOW-ers met alleen een AOW-pensioen is er zelfs sprake van een forse koopkrachtverbetering en ook voor ouderen met aanvullend inkomen zal in 1998 zal naar verwachting dooreengenomen sprake zijn van tenminste koopkrachtbehoud.

Dit is het beeld waarin de uiteindelijke gevolgen van de Pemba-operatie dienen te worden bezien.

Tabel 1: Koopkrachtontwikkeling in 1998 (conform MEV) in procenten1

inkomenscategoriesoc. min. zk.wml mkmodaal mkAOW asAOW gehuwdAOW +30 000 asAOW +30 000 gehuwd
Koopkrachtbeeld 19981240¾

1 Dit is het koopkrachtbeeld exclusief de effecten van de maatregelen in de huursubsidie.

2 Toelichting zk = zonder kinderen, mk = met kinderen, as = alleenstaand, soc.min. = sociaal minimum, wml = wettelijk minimumloon.

De leden van de PvdA-fractie veronderstellen dat er inmiddels sprake zal zijn van een herzien Besluit premiedifferentiatie WAO, waarin één van de reparaties moet worden getroffen. Zij vragen of dit herzien besluit ook aan de Eerste Kamer kan worden overlegd. Tevens informeren zij wanneer en hoe werkgevers hiervan op de hoogte worden gebracht.

De wijziging waarom het hier gaat is onder meer noodzakelijk, omdat de keuzemogelijkheid voor kleine werkgevers om de premielast te spreiden over een aantal jaren, de zogenaamde trap-op-trap-af variant, tot afwentelingsgedrag van een werkgever zou kunnen leiden. Gebleken is dat op basis van de huidige wet- en regelgeving het mogelijk is dat een kleine werkgever premie kan ontlopen door eigen risicodrager te worden. Ook als een kleine werkgever geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de premielast over een aantal jaren te spreiden, kan hij de maximumpremie gedurende maximaal twee jaren ontlopen door eigen risicodrager te worden.

Duidelijk is dat dergelijke afwentelingsmogelijkheden ongedaan gemaakt moeten worden.

De wijziging van het besluit premiedifferentiatie WAO, die hiertoe strekt, is op dit moment nog niet gereed. Omdat de hierboven geschetste problematiek zich nog niet in de eerste helft van 1998 zal voordoen levert dit ook geen problemen op. Immers gezien de lage gedifferentieerde maximumpremie van 0,84% voor kleine werkgevers voor 1998, zullen kleine werkgevers voor 1998 niet worden geconfronteerd met een stijging van de gedifferentieerde premie van (meer dan) 1%. Daarnaast is de volgende mogelijkheid voor een kleine werkgever om eigenrisicodrager te worden pas met ingang van 1 juli 1998.

Omdat de uitwerking van de stapje-opstapje-af variant nog niet volstrekt helder is, zal ook deze regeling in het Besluit premiedifferentiatie WAO nader worden uitgewerkt.

De noodzakelijke wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO zal zo spoedig mogelijk doch uiterlijk in de eerste helft van 1998 worden gerealiseerd. Uiteraard zal deze wijziging ook in het Staatsblad worden gepubliceerd, zodat ook de leden van de Eerste Kamer en werkgevers hiervan kennis kunnen nemen. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen zal bovendien worden gevraagd de werkgevers van de wijziging in nadere regelgeving op de hoogte te stellen.

De leden van de PvdA-fractie stellen een aantal vragen over de garantieverklaring die vereist is voor het eigenrisicodragen. Zij informeren of de berichtgeving van het Financieele Dagblad van 5 november jl. met betrekking tot de omvang van de garantie en de toetsing door het Lisv klopt. Voorts vragen deze leden waarom het parlement niet op de hoogte is gesteld van het overleg met het Verbond van Verzekeraars en de uitkomsten daarvan. Ten slotte vragen zij of de problematiek van de garantstelling bij eigen risicodragen ten gronde opnieuw verklaard kan worden aan de hand van de actuele stand van zaken.

Over de garantieverklaring is inderdaad in de afgelopen periode intensief gesproken en geschreven, onder meer in de pers. Ik ben op deze problematiek uitvoerig ingegaan, zowel in de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel (25 415, nr. 6, met name blz. 3 en 4) als tijdens het wetgevingsoverleg met de Tweede Kamer op 10 november jl. Ik heb daarbij ook melding gemaakt van het gevoerde overleg met het Verbond van Verzekeraars en de Verzekeringskamer, waarbij de problematiek inzake de garantieverklaring uitvoerig aan de orde is geweest. Ik meen wat dat betreft het parlement adequaat en naar vermogen te hebben geïnformeerd over de stand van zaken.

In aanvulling op hetgeen ik daarover reeds in de Tweede Kamer heb opgemerkt wil ik de vragen van de leden van de PvdA-fractie op het aangelegen punt van de garantieverklaring uitvoerig beantwoorden.

In de Wet Pemba is als voorwaarde voor de keuzemogelijkheid van het eigenrisicodragen vastgelegd dat de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich verplicht in te staan voor de verplichtingen van de werkgever die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico, voor het geval dat deze verplichtingen door de werkgever niet worden nagekomen (artikel 75, eerste lid, van de WAO). Het gaat hierbij met name om de «WAO-staartverplichtingen», die nog bestaan nadat de werkgever in betalingsonmacht is komen te verkeren. Het gaat dus om een specifieke situatie waarin moet worden voorzien. Achtergrond en doel van deze garantie is dat verzekerd wordt dat te allen tijde de verplichtingen van de werkgever jegens de werknemer worden nagekomen, dus ook in geval van betalingsonmacht van de werkgever, zonder dat dit leidt tot afwenteling van lasten op het publieke bestel (omslagleden). Er is dus, met instemming van het parlement, gekozen voor een strikte waterscheiding tussen de private sfeer en de publieke sfeer.

In de Wet Pemba is geen rekenkundige formule opgenomen omtrent de omvang van de garantverklaring. Dit is ook niet noodzakelijk. De werkgever moet aan de uitvoeringsinstelling een garantieverklaring overleggen. Uiteraard zal de werkgever daarvoor aan de garant een bepaalde prijs moeten betalen. De prijsstelling is een zaak van de markt. Daarvan te onderscheiden zijn de eisen die door de toezichthouder aan een garant worden gesteld, om zeker te stellen dat de garant aan zijn verplichtingen kan voldoen. Hierbij gaat het dus niet om een formule die in de wet is opgenomen, maar om eisen die aan de garant door de toezichthouder worden gesteld.

Ik heb hierover op 16 oktober jl. indringend gesproken met het Verbond van Verzekeraars en de Verzekeringskamer, teneinde hierover helderheid te verkrijgen.

Door de Verzekeringskamer is uiteengezet op welke wijze omgegaan wordt met het toezicht op verzekeraars, waar het betreft de garantie voor het eigenrisicodragen. Het betreft hierbij uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid van de Verzekeringskamer. De problematiek spitst zich toe op de situatie, waarin een werkgever alleen een garantie nodig heeft en zelf daarnaast de WAO-lasten volledig zelf draagt, zonder private verzekering voor de «lopende» WAO-lasten. In het andere geval, waarbij wel een (conventionele) private verzekering wordt afgesloten, is er in het algemeen geen probleem, omdat de staartverplichtingen reeds zijn afgedekt via de private verzekering. In het laatste geval zijn er dus geen «staartverplichtingen» meer die nog «ongedekt» zijn.

Theoretisch, zo is uiteengezet, is de maximale schade die een verzekeraar bij betalingsonmacht van een werkgever kan lijden gelijk aan het aantal werknemers van het bedrijf x 70% van de loonsom x 5. Uit het overleg is echter naar voren gekomen dat dit maximum, zeker voor grote, financieel krachtige bedrijven, ook echt louter theoretisch zal zijn. Het is immers niet goed voorstelbaar dat een groot bedrijf met een groot personeelsbestand bij faillissement al zijn werknemers achterlaat in de WAO. De maximale schade waarmee een verzekeraar kan worden geconfronteerd bij betalingsonmacht van een werkgever zal dus aanmerkelijk lager zijn.

Een algemene, standaardformule is niettemin moeilijk te geven. De Verzekeringskamer betrekt namelijk een aantal factoren in de beoordeling aan welke eisen verzekeraars moeten voldoen. Dit zijn factoren als de kracht van de onderneming (bedrijf, maar ook verzekeraar), de invalideringskans, de duur van het risico en het faillissementsrisico.

Deze factoren zijn als het ware richtsnoeren voor de beoordeling door de toezichthouder of een verzekeraar wel aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen, wanneer de garantie onverhoopt wordt ingeroepen. De invalideringskans kan bij grote bedrijven op 3 tot 5% worden gesteld. De invalideringskans zal bij de beoordeling van een garantie weliswaar hoger uitvallen dan het gemiddelde risico, omdat bij faillissementen rekening moet worden gehouden met een extra hoeveelheid mensen die ziek en arbeidsongeschikt worden, maar dus ver verwijderd blijven van 100%. Voor kleine bedrijven wordt deze kans al gauw wel op 100% gesteld. Het financiële risico voor een verzekeraar is bij een klein bedrijf natuurlijk ook navenant kleiner. Voor de toezichthouder is het faillissementsrisico lastig te beoordelen. De Verzekeringskamer zal al met al per verzekeraar bekijken hoe de inhoud van de Pemba-portefeuille is en welke technische voorzieningen (moeten) worden aangehouden, waarbij bovengenoemde factoren worden gewogen. Als gezegd, valt dus een algemene standaardformule niet te geven. In dit kader spelen ook herverzekeraars een belangrijke rol. Wanneer de garantie kan worden herverzekerd, zullen de eisen van de Verzekeringskamer lager zijn. Punt is nu dat herverzekeraars zich tot dusver zeer terughoudend hebben opgesteld, waar het betreft het herverzekeren van het «zuivere» Pemba-garantierisico (dus een garantie, zonder private verzekering voor de lopende WAO-lasten). Uitdrukkelijk merk ik hierbij op dat het hierbij niet gaat om verplichtingen aan de werkgever die door de wet worden opgelegd, maar om waarborgen die de toezichthouder van verzekeraars vraagt bij het afgeven van een garantie.

Ik heb zowel tijdens de parlementaire behandeling als in het overleg met het Verbond van verzekeraars aangegeven dat het, gegeven de wettelijke uitgangspunten, aan verzekeraars is om een creatieve oplossing te vinden voor deze problematiek. Een limitering van de garantie is wat het kabinet betreft niet aan de orde. Daarmee zou de strikte waterscheiding tussen de collectieve sfeer en de private sfeer, die in de Wet Pemba is neergelegd, immers worden losgelaten. Tevens heb ik aangegeven dat ik uiteraard beschikbaar ben voor vervolgoverleg als verzekeraars daartoe aanleiding zien.

Wat betreft de beoordeling door het Lisv kan het volgende worden opgemerkt. De uitvoeringsinstellingen dienen, namens het Lisv, conform art. 75, eerste lid, van de WAO, te beoordelen of de garant zich verplicht alle wettelijke verplichtingen van de eigenrisicodrager na te komen. Een uitzondering geldt slechts voor de verplichtingen waarvan de garant wettelijk is uitgezonderd (gevallen van groot molest, atoomongevallen en boete). Het Lisv heeft in overleg met het Verbond van Verzekeraars een modelgarantie opgesteld, waarin nauw wordt aangeknoopt bij de in de wet opgenomen verplichtingen. Deze model-garantie is voor de goede orde bijgevoegd. Wanneer de werkgever aan de uitvoeringsinstelling binnen de gestelde termijn een garantie kan overleggen die is ondertekend door een garant die aan de wettelijke eisen voldoet zal de aanvraag om eigenrisicodrager te worden zonder meer worden toegewezen.

De actuele stand van zaken met betrekking tot het aantal eigenrisicodragers is, blijkens recente opgave van het Lisv, als volgt. Vóór 1 oktober hebben zich ruim 600 bedrijven gemeld in verband met een aanvraag om eigenrisicodragen per 1 januari 1998. Een flink aantal aanvragers heeft zijn aanvraag inmiddels ingetrokken. Thans is het aantal aanvragen dat nog in behandeling is bijna 350.

Volgens opgave van het Lisv is nog geen aanvraag toegewezen. Reden is dat nog geen garantie is overgelegd. Dit dient uiterlijk 15 december te gebeuren. Uit een actuele publicatie van De Volkskrant (11 december jl.) zou kunnen worden afgeleid dat een aantal bedrijven de vereiste garantie ook zal kunnen overleggen. Dit moet uiteraard worden afgewacht.

Met nadruk zij overigens opgemerkt dat het hierbij gaat om het eigenrisicodragen per 1 januari 1998. Elk jaar hebben werkgevers immers tweemaal de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden.

De leden van de PvdA-fractie hebben enkele vragen gesteld over de casussen, opgenomen in de bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer (Kamerstukken II 1997/98, 25 415, nr. 6, bladzijde 11) met betrekking tot de samenloop van WAO-verzekerde en Waz-verzekerde arbeid.

In casus 2.1 gaat het om de volgende situatie. Betrokkene werkte 3 uur per dag in dienstbetrekking (tegen f 2 000 per maand), en daarnaast 5 uur per dag als zelfstandige (tegen f 4 000 per maand), en wordt vervolgens arbeidsongeschikt. Gegeven in deze casus is voorts, dat betrokkene als gevolg van die arbeidsongeschiktheid op ander werk is aangewezen, en slechts voor 4 uur per dag belastbaar is. Het loon dat betrokkene daarmee nog zou kunnen verdienen (f 1 500) wordt voor een gedeelte, namelijk voorzover betrekking hebbend op 3 uur per dag werken, aan het WAO-recht «toegerekend». De leden van de PvdA-fractie nemen aan dat deze systematiek voortvloeit uit het feit dat de WAO hoofdverzekering is, en vermoeden, dat deze systematiek alleen wordt toegepast indien de resterende verdiencapaciteit zowel in WAO- als in Waz-verzekerde arbeid benut kan worden. Zij vragen of dit de juiste verklaring is.

Naar aanleiding van deze vraag merk ik het volgende op.

Voor de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit in het kader van de WAO wordt, mede op basis van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, uitgegaan van arbeid in een vergelijkbare omvang als de oorspronkelijke WAO-verzekerde arbeid. Concreet betekent dit, dat van het loon behorende bij de functie waarop de resterende verdiencapaciteit wordt vastgesteld het gedeelte in aanmerking wordt genomen dat betrokkene zou kunnen verdienen als hij in die functie evenveel uren zou werken als het aantal uren dat hij voorheen in WAO-verzekerde arbeid werkte. In casus 2.1. komt dit dus neer op 3 uur. Daarbij is niet van belang, of de resterende verdiencapaciteit een loondienstfunctie betreft, dan wel een functie als zelfstandige. Deze wijze van vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO geldt ongeacht of betrokkene vóór zijn arbeidsongeschiktheid naast zijn dienstbetrekking als zelfstandige werkzaam was of niet. Het is dus niet zo, zoals deze leden veronderstellen, dat de wijze van «toerekenen» van de resterende verdiencapaciteit anders zou zijn, indien een betrokkene uitsluitend nog in loondienst, dan wel uitsluitend nog als zelfstandige zou kunnen werken. De WAO is, zo constateren de leden terecht, «hoofdverzekering». Dat leidt er in een casus als bedoeld in 2.1, maar ook in casus 1.1, toe dat een eventuele resterende verdiencapaciteit primair – d.w.z. tot het aantal uren waarin de maatman in loondienst werkzaam was – aan het WAO-recht wordt toegerekend. In die zin is inderdaad sprake van het zoveel mogelijk toerekenen van de resterende verdiencapaciteit aan het WAO-recht.

Voorts stellen de leden van de PvdA-fractie casus 3 aan de orde. Zij constateren, dat indien betrokkene voor minder uur belastbaar is dan vóór zijn arbeidsongeschiktheid, de vraag welke arbeid wordt prijsgegeven (de WAO-verzekerde, dan wel de Waz-verzekerde arbeid) van invloed is op de uitkeringshoogte. Op zich hebben deze leden hierin gelijk.

E.e.a. vloeit voort uit het feit dat een volledige arbeidsongeschiktheid voor arbeid in loondienst in het algemeen een hogere uitkering (WAO) oplevert, dan volledige arbeidsongeschiktheid voor de Waz-verzekerde arbeid. In de praktijk zal er evenwel in de meeste gevallen geen sprake van zijn, dat betrokkene in deze een keus heeft voor het opgeven van de ene dan wel de andere arbeid. Veelal houdt de arbeidsongeschiktheid immers verband met de arbeid zelf, in die zin dat betrokkene vanwege gezondheidsproblemen niet meer geschikt is voor (een gedeelte van) de voormalige arbeid, gelet op de belasting van die arbeid en de omstandigheden waaronder die arbeid moet worden verricht. Het is evenwel ook denkbaar dat een betrokkene op zich nog tot zijn voormalige loondienstarbeid in staat is, én tot zijn voormalige zelfstandige arbeid, maar dat gezondheidsproblemen die combinatie niet langer mogelijk maken. Een voorbeeld van een dergelijke situatie geven de leden in de casus van Marie. Zij werkte als lerares halve dagen in loondienst, en verrichtte daarnaast in een zelfde aantal uren gelijksoortige werkzaamheden als zelfstandige. Haar gezondheidsproblemen leiden er – kennelijk – niet toe dat zij voor de ene dan wel de andere arbeid niet meer geschikt is, maar wel dat zij uitsluitend nog part time belastbaar is. In die situatie heeft betrokkene in principe zelf de keuze om de ene dan wel de andere arbeid voort te zetten, en kunnen de uitkeringstechnische consequenties daarbij een rol spelen. Het is evenwel zaak bij voorbeelden als deze de praktijk in het oog te houden. Veelal immers zullen de gezondheidsklachten als zodanig zowel voor de verzekeringsarts als voor betrokkene zelf van beslissende betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag in welke mate, en voor welke arbeid betrokkene nog belastbaar is.

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat een uitkering in verband met bevalling op grond van de Waz kan accumuleren met een bevallingsuitkering op grond van een vrijwillige ZW-verzekering, maar dat een bevallingsuitkering op grond van de verplichte ZW wél in mindering wordt gebracht op een Waz-bevallingsuitkering. Zij vragen of dat juist is. De vraag van deze leden kan bevestigend worden beantwoord. Als de Waz-verzekerde tevens een vrijwillige ZW-verzekering heeft afgesloten heeft zij bij bevalling recht op ziekengeld in verband met bevalling op grond van die vrijwillige verzekering.

Artikel 69, tweede lid van de ZW (vrijwillige verzekering) houdt daar verband mee. Een anticumulatie geldt alleen als er sprake is van ziekengeld in verband met bevalling als bedoeld in artikel 29a van de ZW (verplichte verzekering). Dat is geregeld in het nieuw voorgestelde vierde lid van artikel 59 van de Waz.

Verder vragen die leden of de ratio ervan nog eens duidelijk kan worden uitgelegd.

De reden waarom voor die systematiek is gekozen is de volgende.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen twee situaties. In de ene situatie verricht betrokkene niet alleen werkzaamheden als zelfstandige maar ook werkzaamheden in dienstbetrekking. Er is dan sprake van gecombineerde werkzaamheden en twee verschillende verplichte verzekeringen. Met betrekking tot de premieheffing bij gecombineerde inkomsten is in de Waz een bijzondere franchise-regeling getroffen. Indien een verzekerde naast zijn Waz-inkomsten inkomsten uit dienstbetrekking geniet, gelden deze laatste inkomsten als franchise bij de premieheffing voor de Waz, tenzij deze inkomsten lager liggen dan de algemene franchise van f 29 000, in welk geval de algemene franchise geldt. De inkomsten uit dienstbetrekking hebben dus een verlagend effect op de premieheffing voor de Waz. Het ligt dan voor de hand om, wat betreft de uitkeringskant, een bevallingsuitkering uit hoofde van de verplichte ZW, die voortvloeit uit dienstbetrekking, in mindering te brengen op de bevallingsuitkering op grond van de Waz.

In de tweede situatie is niet zonder meer sprake van gecombineerde werkzaamheden, waarvoor twee verplichte verzekeringen gelden, maar van een uitdrukkelijke keuze voor een verzekerde om zich aanvullend vrijwillig te verzekeren, bij voorbeeld op grond van de ZW en/of de WAO. Het gaat hierbij, voor alle duidelijkheid, om een aanvullende verzekering tegen geldende gevolgen van ziekte/zwangerschap of arbeidsongeschiktheid en niet om een dubbele verzekering c.q. dubbele uitkering.

Het afsluiten van een vrijwillige verzekering kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een starter die vanuit loondienst een bedrijf begint. Hij/zij is dan verplicht verzekerd voor de Waz, maar niet verplicht verzekerd voor de ZW of de WAO. Er zijn geen inkomsten uit dienstbetrekking waarmee bij de premieheffing voor de Waz rekening moet worden gehouden. Voor de premieheffing-Waz worden uitkeringen uit hoofde van vrijwillige verzekeringen dan ook niet in aanmerking genomen. In lijn daarmee kan een uitkering in verband met bevalling op grond van de Waz accumuleren met een bevallingsuitkering op grond van de vrijwillige ZW. Evenzo kan een uitkering op grond van de vrijwillige WAO accumuleren met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Waz.

De leden van de PvdA-fractie vragen – buiten de reikwijdte van deze Aanpassingswet – om aandacht voor een door de uitvoering aangereikt knelpunt. Het betreft de situatie dat een jonggehandicapte zich voor een Wajong-uitkering dient te melden binnen 13 weken na het bereiken van de 17-jarige leeftijd, terwijl de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling pas op een later moment wordt verricht. In de tussentijd zou dan nog geen reïntegratieinstrumentarium ingezet kunnen worden (bijvoorbeeld loondispensatie in combinatie met minimumloonbescherming of loonkostensubsidie), omdat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling nog niet heeft plaatsgevonden. Hierdoor kan een reïntegratiekans verloren gaan. De leden van de PvdA-fractie vragen of er een oplossing kan worden gevonden voor dit knelpunt.

Allereerst wil ik erop wijzen dat voor jonggehandicapten, ook voordat zij de 18-jarige leeftijd bereiken, als arbeidsgehandicapte, het instrumentarium van de voorgenomen Wet op de reïntegratie kan worden toegepast. Dat betekent dat een werkgever bijvoorbeeld in aanmerking kan komen voor een plaatsingsbudget bij het in dienst nemen van een arbeidsgehandicapte jongere, en dat in het kader van het pakket op maat ook (dure) voorzieningen zoals werkplekaanpassingen of loonkostensubsidie mogelijk zijn. Indien de betrokken jonggehandicapten, vanwege hun verminderde arbeidsprestatie, onder de loondispensatieregeling vallen, en derhalve een lager loon ontvangen dan het voor hen geldend minimumloon, komen zij inderdaad niet in aanmerking voor aanvulling van dat loon op basis van een Wajong-uitkering. Het recht op een zelfstandig inkomen op grond van de Wajong ontstaat immers eerst op 18 jarige leeftijd.

Dat de jonggehandicapten die werk vinden in de (korte) periode tussen het afronden van hun opleiding, en het bereiken van de 18 jarige leeftijd geen inkomen ontvangen op minimumniveau acht ik geen belemmering voor hun integratie op de arbeidsmarkt. Zij hebben immers het voordeel van het loon dat zij wel ontvangen èn het vooruitzicht op een dienstbetrekking ook na hun 18e jaar. Aangezien voorts het overige reïntegratieinstrumentarium wel op hen van toepassing is, gaan mijns inziens in die situatie dan ook geen reïntegratiekansen verloren.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,

F. H. G. de Grave