Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1997-199825415 nr. 136a

25 415
Aanpassing van een aantal wetten in verband met de invoering van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen)

nr. 136a
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 11 december 1997

Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de inkomenseffecten voor bepaalde categorieën als gevolg van de Pemba-wetgeving. Deze vragen zijn afgedaan met een verwijzing naar het integraal kabinetsbeleid, zoals gepresenteerd in de Miljoenennota. Dit laat onverlet, dat hierdoor het zicht op de reparatie in het kader van de Pemba-wetgeving met name bij vele ouderen ontbreekt.

De leden van de CDA-fractie zouden het op prijs stellen wanneer nog eens duidelijk wordt aangegeven hoe, met name voor de ouderen, de nadelige effecten van de invulling van de Pemba-wetgeving worden gecompenseerd.

De leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van de toelichtende stukken bij de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Zij constateerden dat een viertal toezeggingen (twee inzake Pemba, twee inzake WAZ) aan de Eerste Kamer in de Aanpassingswet ingelost worden.

Over één van deze vier reparaties (artikel 78 WAO) wordt gesteld dat deze «om juridisch-technische redenen» niet in de wettekst zelf valt te regelen en daarom gestalte krijgt in het Besluit Premiedifferentiatie WAO. Bij besluit van 19 juli 1997 is inmiddels een Besluit premiedifferentiatie WAO gepubliceerd (Stb 1997, 338). Zij veronderstelden dat er inmiddels sprake zal zijn van een Herzien besluit premiedifferentiatie WAO. Kan dit herziene besluit ook aan de Eerste Kamer overgelegd worden? Op welke wijze en wanneer zijn of worden werkgevers op de hoogte gebracht van deze herziene nadere regelgeving?

Over de vereiste garantverklaring door eigen risicodragers is enig publicitair rumoer ontstaan, zo constateerden de leden van de PvdA-fractie. Blijkens krantenberichten lijkt de aanvankelijk gekozen formule ex artikel 75 WAO «borgstelling + 70% x jaarlijkse loonsom x 5» inmiddels na overleg met het Verbond van Verzekeraars gereduceerd te zijn tot «gemiddeld drie, vier à vijf procent van de loonsom maal vijf, schat een ingewijde» en zal het LISV de aanvragen tot eigen risicodragen «alleen toetsen op de aanwezigheid van een borg, zonder de omvang van de borg te bekijken» (Het Financieele Dagblad, 5-11-97). Klopt deze berichtgeving van het F.D.? Waarom is het parlement niet op de hoogte gesteld van dit overleg en de uitkomsten ervan? Kan de problematiek van de garantstelling bij eigen risico dragen ten gronde opnieuw verklaard worden aan de hand van de actuele stand van zaken?

De leden van de PvdA-fractie hadden voorlopig de neiging om de nu in de Aanpassingswet voorgestelde samenloopregeling WAO-WAZ inderdaad te beschouwen als een logischer en eenvoudiger regeling dan destijds werd voorgesteld.

Bij lezing van casus 2, variant 2.1 (in de nota naar aanleiding van het verslag II (kamerstukken II 1997/98, 25 415, nr. 6, blz. 11) waren zij aanvankelijk het spoor bijster geraakt. De basisgegevens zijn: drie uur per dag WAO-verzekerde arbeid à f 2000,– per maand, vijf uur per dag WAZ-verzekerde arbeid à f 4000,– per maand.

De resterende verdiencapaciteit wordt bepaald op f 1500,– per maand à vier uur per dag. Hiervan wordt drie uur toegerekend aan het WAO-recht en een uur aan het WAZ-recht (hoewel de WAZ-verzekerde arbeid zowel naar uren als inkomen het meest omvangrijk was). Na enig gepeins meenden zij deze uitkomst als volgt te kunnen verklaren: vanuit de gedachte dat de WAO altijd de «hoofdverzekering» is, worden zoveel mogelijk uren toegerekend aan het WAO-recht, indien de resterende verdiencapaciteit zowel in WAO – als in WAZ – verzekerde arbeid benut kan worden. Is dit de juiste verklaring? Indien echter de resterende verdiencapaciteit alleen via loonarbeid of alleen via arbeid als zelfstandige benut kan worden, is de uitkomst van de berekening geheel anders, zo veronderstelden zij.

In casus 3 is sprake van een gelijke arbeidsparticipatie in uren in loondienst en als zelfstandige, zij het niet tegen een gelijk inkomen. Uit de subvarianten 3.2 en 3.3 blijkt dat de uitkomsten in uitkeringspositie en in inkomen uit arbeid sterk uiteenlopen, afhankelijk van de vraag of bij een qua uren «halve» belastbaarheid de WAZ-verzekerde arbeid óf de WAO-verzekerde arbeid wordt prijsgegeven.

Zij spitsten hun vraag nader toe in de volgende variant waarin zowel in uren als in inkomen gelijkelijk sprake is van loonarbeid als van arbeid als zelfstandige.

Marie werkt voor 18 u/p.w. als lerares Engels in WAO-verzekerde arbeid en eveneens voor 18 u/p.w. in WAZ-verzekerde arbeid op haar vakgebied (bijv. bijlessen of in «freelance»-arbeid voor de Volksuniversiteit; verondersteld is dat hierbij geen sprake is van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen). In elk van beide functies verdient zij f 2300,–. Marie geraakt vervolgens 45–55% arbeidsongeschikt (resterende verdiencapaciteit f 2300,–). Beide functies zijn in dezelfde mate belastend. Marie kan nog 18 uur per week werken. Wie beslist nu en op grond waarvan welk van beide functies Marie zal prijsgeven? Voor het inkomen is dit een zeer relevante vraag:

– het prijsgeven van de WAZ-verzekerde arbeid resulteert in het volgende inkomen: loon = 2300, WAZ=0; inkomen= 2300

– het prijsgeven van de WAO-verzekerde arbeid resulteert in: arbeidsinkomen: 2300; WAO: 70% x 2300 = 1610. Tezamen: 3910.

In de toelichting op de tweede nota van wijziging (kamerstukken II 1997/98, 25 415, nr.8) worden enkele passages gewijd aan de samenloop van WAZ-bevallingsuitkering en een bevallingsuitkering op grond van artikel 29a ZW (blz. 23, 24 en 26). Als de aan het woord zijnde leden het goed begrepen wordt hier geregeld dat een WAZ-bevallingsuitkering wel kan accumuleren met een bevallingsuitkering op grond van een vrijwillige ZW-verzekering (dubbele verzekering, dubbele uitkering?), maar wordt een bevallingsuitkering op grond van de verplichte ZW wel in mindering gebracht op een WAZ-bevallingsuitkering? Is dit juist? Kan de ratio ervan nog eens duidelijk uitgelegd worden?

Buiten de reikwijdte van deze Aanpassingswet om vroegen de leden van de PvdA-fractie aandacht voor het volgende knelpunt (hen aangereikt door een medewerker van Gak-arbeidsintegratie). Een jonggehandicapte moet zich binnen 13 weken na zijn/haar 17e verjaardag melden bij de UVI; GAK a.i. kan dan nog geen reïntegratie-instrumenten (bijv. loondispensatie in combinatie met minimum loonbescherming of loonkostensubsidie) inzetten, omdat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling nog niet heeft plaatsgevonden. In de tussentijd kan een integratiekans verloren gaan. Is er een oplossing voor dit knelpunt?

Vertrouwende dat bovenstaande vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Heijmans

De griffier van de commissie,

Heijnis


XNoot
1

Samenstelling: Van de Zandschulp (PvdA), Heijmans (VVD) (voorzitter), Gelderblom-Lankhout (D66), Jaarsma (PvdA), Rongen (CDA), Veling (GPV), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Batenburg (AOV), J.van Leeuwen (CDA), Van den Berg (SGP), Hendriks, Hofstede (CDA), De Wit (SP), De Haze Winkelman (VVD), Zwerver (GL).