Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25328 nr. 100d |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25328 nr. 100d |
24 december 1997
De leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66, GroenLinks, de SGP, de RPF en het GPV stelden nadere vragen naar aanleiding van de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel voor aanvullende tijdelijke voorzieningen in verband met de instelling van een nieuwe provincie in de regio Rotterdam (Kamerstukken I, 1996/97, 25 328, nr. 344).
Het kabinet heeft kennis genomen van de kritische toonzetting van de Eerste Kamer in het nader voorlopig verslag over de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de stadsprovincie, cq. het voorstel van een Interimwet, en realiseert zich dat het uitbrengen van een nader voorlopig verslag op een wetsvoorstel – dat slechts een tussenvoorziening beoogt te treffen – niet zonder betekenis is. De inbreng van uw kamer raakt meer het karakter van de tussenvoorziening, dan de stadsprovincie als zodanig. Daaruit putten wij kracht om te trachten duidelijker dan voorheen het eindperspectief te schetsen, daarmee begrip tonend voor het gevoelen van de Eerste Kamer, dat het niet gemakkelijk is met een Interimvoorziening in te stemmen zonder dat het eindperspectief in de vorm van de lex specialis is vastgesteld. De sterke voorkeur van het kabinet om voort te gaan met de Interimwet vloeit ook voort uit ons respect voor al degenen die zich zo sterk hebben gemaakt voor een nieuwe bestuurlijke constructie in de regio Rotterdam. Geredeneerd vanuit de inhoudelijke problematiek bestaat er bij alle betrokkenen immers breed draagvlak voor het feit dat er in de regio Rotterdam een ander – beter op de grootstedelijke en regionale problematiek toegesneden – bestuur moet worden ingevoerd. Het kabinet wenst daarom de gekozen weg, die na ampele overweging tot stand is gekomen, nader aan de Eerste Kamer toe te lichten.
Nadat het oorspronkelijke voorstel voor de stadsprovincie niet langer haalbaar bleek, hebben we besloten een adempauze in te lassen. Wij hebben de commissie Andriessen1 gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken om alsnog tot een structurele oplossing voor de regionale en grootstedelijke problematiek in de regio Rotterdam te komen. De commissie Andriessen heeft bij de voorbereiding van haar advies vele direct betrokkenen geconsulteerd. Het advies van de commissie bevestigde niet alleen onverminderd de omvangrijke en urgente regionale en grootstedelijke problematiek, maar maakte ook duidelijk dat de steun voor een structurele oplossing daarvan door de instelling van een stadsprovincie nog steeds in hoge mate aanwezig was. De commissie beval aan om wettelijke interimmaatregelen te nemen teneinde in de lopende kabinetsperiode een beslissende stap te zetten die instelling van de stadsprovincie in de daarop volgende periode zou veilig stellen. Het kabinet heeft op basis van dit advies en na overleg met de regio en de Tweede Kamer de route richting stadsprovincie ingeslagen. Op die route willen wij doorgaan.
Gegeven het in de politieke partijen breed gedragen uitgangspunt van drie bestuurslagen is er geen alternatief voor het model van de stadsprovincie. Structurele oplossing van de regionale en grootstedelijke problematiek binnen de grondwettelijk verankerde hoofdstructuur van de bestuurlijke organisatie is alleen mogelijk door te kiezen tussen een agglomeratiegemeente en een stadsprovincie. Elke andere oplossing roept overheersende twijfels op over de te verwachten bestuurskracht van zon bestuursvorm en leidt per definitie tot bestuursverdichting. De argumenten die wij als reactie op het advies van de Raad van State tegen het vormen van een agglomeratiegemeente hebben gebruikt, achten wij nog steeds overtuigend. Aangezien voor de agglomeratiegemeente geen draagvlak bestaat is de stadsprovincie het enige levensvatbare model dat tegelijkertijd voor een volwaardig bestuur op het niveau van de regio en voor volwaardig bestuur op lokaal niveau kan zorgen. De wijze waarop wij dit voorstellen in de lex specialis wordt weergegeven in het hoofdstuk eindperspectief van deze nadere memorie van antwoord.
Over de inrichting van het proces inzake de vorming van de stadsprovincie zijn afspraken gemaakt met betrokken partijen. Daar waar geen overeenstemming mogelijk bleek hebben wij onze verantwoordelijkheid genomen. Gelet op de in het bestuurlijke krachtenveld bestaande belangentegenstellingen die deels institutioneel zijn verankerd – en derhalve mede bepalend zijn voor het structurele karakter van de problematiek – kan in redelijkheid niet van de regio worden verwacht dat het voor de derde maal mee denkt over een andere procedure terzake de totstandkoming van de stadsprovincie. De zaken die in de Interimwet worden voorgesteld, de verkiezingen in maart 1999 van het pre-provinciaal bestuur, de verlenging van de Kaderwet en de voorbereiding van de reorganisatie moeten dan immers weer op een andere wijze worden vormgegeven. Naast opnieuw tijdsverlies zou dit leiden tot een verdere vermindering van het draagvlak. De wetgever zal derhalve zijn verantwoordelijkheid voor de inrichting van de bestuurlijke organisatie moeten nemen, uiteraard met maximale betrokkenheid van de betrokken besturen.
Voortvarendheid bij nieuwe initiatieven is geboden om het perspectief van een oplossing van de aanwezige problematiek overeind te houden.
Wettelijke interimmaatregelen zijn derhalve nodig om gezien het tijdsverloop alle betrokkenen duidelijkheid te bieden over de noodzaak en richting van de bestuurlijke reorganisatie en zullen derhalve als hefboom kunnen fungeren om dat proces op gang te brengen en te houden.
De door ons ingeslagen route heeft steeds kunnen rekenen op zeer brede steun in de Tweede Kamer, hetgeen blijkt uit de tijdens het debat over het advies van de commissie Andriessen aanvaarde motie De Cloe (Kamerstukken II 1996/97, 25 096, nr. 2) en uit dezelfde brede steun waarmee het voorliggende wetsvoorstel in de Tweede Kamer is aanvaard.
Naar onze mening is de hoofdvraag die bij de behandeling van dit wetsvoorstel aan de orde is of is voldaan aan de voorwaarden voor verantwoorde interimwetgeving, zoals die in het advies van de Raad van State zijn genoemd. De discussie concentreert zich daarbij op de eerste voorwaarde die als volgt luidt: er moet een duidelijke politieke consensus bestaan over het einddoel van de reorganisatie. In het licht van de voorafgaande overwegingen blijven wij van oordeel dat daaraan is voldaan wanneer ook de Eerste Kamer uitspreekt dat de stadsprovincie het einddoel is van de bestuurlijke reorganisatie in de regio Rotterdam. De Kamer kan tijdens de behandeling van de Interimwet met het kabinet van gedachten wisselen over de gewenste inhoud van de Wet bijzondere bepalingen provincie Rotterdam. Die uitspraak zou dan tevens impliceren dat de Eerste Kamer net als de Tweede Kamer uitspreekt dat het concept-wetsvoorstel bijzondere bepalingen provincie Rotterdam (dat wij hebben meegezonden om een beeld te geven wat wij bij de nadere uitwerking van het gekozen eindbeeld voor ogen hebben) een goed vertrekpunt vormt om de definitieve wetgeving tot stand te brengen.
Tot slot merken wij op dat met het aannemen van de Interimwet een verdere stap wordt gezet met het bieden van oplossingen voor de inhoudelijke problematiek waarmee de regio Rotterdam kampt en die het met de huidige bestuurlijke voorzieningen niet afdoende kan bestrijden.
De constatering van uw Kamer dat nog geen volstrekte helderheid bestaat over het takenpakket van de stadsprovincie is formeel uiteraard niet tegen te spreken, net zomin als de constatering dat daarover geen volstrekte overeenstemming bestaat. Wij zijn evenwel van mening dat er materieel een voldragen en weloverwogen pakket van taken ligt op basis waarvan een voorbereiding van de reorganisatie kan aanvangen. Bestuurlijke schaalvergroting is in de regio Rotterdam onvermijdelijk, de wijze waarop dit plaatsvindt zal er nooit een kunnen zijn waar alle betrokkenen in het gebied zich achter kunnen scharen. Wij zijn er van overtuigd dat dit wetsvoorstel en de daarmee gekozen richting voor de stadsprovincie in de regio Rotterdam grote winst op kan leveren bij de bestrijding van de regionale en grootstedelijke problematiek in deze regio. Om dit toe te lichten gaan wij hieronder, aan de hand van de gestelde nadere vragen, in op het wenselijke eindperspectief, mede in relatie tot het (bestuurlijke) draagvlak in de regio Rotterdam.
De leden van de fractie van de VVD informeerden naar de reactie van het kabinet op de opmerking van de gemeente Rotterdam in de brief aan uw Kamer (14-11-1997) waarin zij de beantwoording van het kabinet in de memorie van antwoord als ontwijkend en bagatelliserend kwalificeert. Hierbij verwijst Rotterdam direct naar de mening van het kabinet dat het eindperspectief voldoende helder is, terwijl, zo stelt Rotterdam, er zich in de bestuurlijke commissie geen gemeenschappelijke opvattingen terzake het takenpakket van de stadsprovincie ontwikkelen. Wij betreuren het uiteraard ten zeerste dat er geen volstrekte overeenstemming bestaat tussen de betrokken partijen en willen de situatie beslist niet bagatelliseren of ontwijken, naar onze mening hebben wij dat ook niet gedaan. Het feit dat er binnen de bestuurlijke commissie geen volledige overeenstemming is bereikt betekent echter niet dat het eindperspectief onduidelijk is en ook niet dat er geen gemeenschappelijke opvattingen bestaan. In bijgevoegde schema is een overzicht gegeven van taken en bevoegdheden die in de door het kabinet op 19 december 1997 vastgestelde lex specialis zijn opgenomen.
Over de reguliere provincietaken en de extra taken die de stadsprovincie krijgt op de terreinen van veiligheid, haven, volkshuisvesting, verkeer en vervoer, milieu, natuurbeheer, openluchtrecreatie, onderwijs en welzijn bestaat een grote mate van instemming, ook binnen de regio.
De verschillen in opvattingen in de regio gaan over de beleidsterreinen ruimtelijke ordening, grondbeleid, financiën, sociale zaken en culturele voorzieningen. Zowel de leden van de fractie van de VVD als van D66 informeerden hiernaar. De verschillen op deze vier genoemde beleidsterreinen moeten uiteraard niet worden gebagatelliseerd, maar evenmin overdreven.
Ten aanzien van ruimtelijke ordening bestaat zowel bij de regio als bij de gemeente Rotterdam instemming met de figuur van het permanent strategisch project. De stadsprovincie neemt ten aanzien van deze projecten alle noodzakelijke bevoegdheden van de gemeente(n) over. Voor de tijdelijk strategische projecten geldt dat de stadsprovincie naast de aanwijzing ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van deze projecten. Het beheer van deze projecten komt in handen van de gemeenten. Terzake van het tijdelijk strategisch project is de regio er beducht voor dat dit een te grote inbreuk maakt op de bestemmingsplanbevoegdheid van de gemeenten, terwijl aan de andere kant de gemeente Rotterdam juist nog verder zou willen gaan door een tijdelijk strategisch project aan te merken als globaal bestemmingsplan. De bestemmingsplanbevoegdheid zou dan over moeten gaan naar de stadsprovincie. De regering meent met de permanente en de tijdelijke strategische projecten de stadsprovincie zodanig gepositioneerd te hebben dat die opgewassen is tegen de eisen van de regionale en grootstedelijke problematiek. Dat betreft een samenhangend RO-beleid dat via voldoende doorzettingsmacht tot stand komt en kan worden uitgevoerd. Mede om die reden is het denkbaar dat het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR) in z'n geheel naar de stadsprovincie overgaat. Wij sluiten een splitsing van het OBR echter ook niet bij voorbaat uit. Hoe dit zal worden vormgegeven is in eerste aanleg een taak van de kwartiermaker. Of hierover overeenstemming met de gemeente Rotterdam kan worden bereikt zal te zijner tijd moeten blijken. De regio stemt in met het grondbeleid, nu de gemeenten de mogelijkheid behouden om een eigen grondbedrijf te behouden. De gemeente Rotterdam heeft de voorkeur voor uitsluitend een regionaal grondbedrijf.
Wij stellen voor om de stadsprovincie de middelen uit het provinciefonds en het gemeentefonds te laten verdelen, het zogenaamde regionale verdeelmodel. De stadsprovincie dient eigen inkomsten te kunnen genereren. Aangezien het kabinet en de Tweede Kamer een nieuwe belasting van de hand wijzen is gekozen om de stadsprovincie OZB te laten heffen. Zowel de regio als de gemeente Rotterdam hebben gevraagd om het voorstel voor de dubbele OZB-heffing (in plaats van de gemeenten op woningen en de provincie op niet-woningen). Het financiële verdeelmodel heeft de instemming van de gemeente Rotterdam. De regio had liever gezien dat de financiële stromen via het Rijk bleven lopen, maar legt zich bij het voorgestelde verdeelmodel neer wanneer het proces richting de stadsprovincie nu doorzet.
Het kabinet heeft een indicatieve lijst van grootschalige culturele voorzieningen opgesteld. In het reorganisatietraject zal door de kwartiermaker moeten worden voorgesteld welke voorzieningen uiteindelijk naar de stadsprovincie gaan.
Uitgaande van het concept voor een grootstedelijk bestuur is de gemeente Rotterdam van mening dat alle grootschalige culturele voorzieningen bij dat bestuur moeten worden neergelegd. Op basis van het nu voorliggende concept van de stadsprovincie is Rotterdam van mening dat een groot deel van de grootschalige culturele voorzieningen bij de gemeente Rotterdam moeten blijven.
De regio kan zich op hoofdlijnen vinden in dit onderdeel van het wetsvoorstel.
Op verzoek van de regio en de gemeente Rotterdam is ruimte geboden voor nader overleg over mogelijke aanscherping van de sociale taken voor de stadsprovincie. Hierover vindt momenteel overleg plaats met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met betrokken partijen in de regio.
Resumerend, de taken en bevoegdheden wijken op slechts enkele punten af van het concept-ontwerp van wet van 25 april 1997. Die aanpassingen betreffen:
– het laten vervallen van enkele, deels in de memorie van toelichting opgenomen, criteria ten aanzien van de aanwijzing van permanente en tijdelijk strategische locaties;
– er is sprake van een dubbele heffingsbevoegdheid; de provincie en de gemeente kunnen OZB-heffen op woningen en niet-woningen. Dit komt in de plaats van de gescheiden heffing; gemeenten heffen op woningen en de provincie op niet-woningen;
– een uitbreiding van de indicatieve lijst grootschalige culturele voorzieningen;
– aanscherping van de tekst betreffende de art. 12 problematiek van een gemeente in de stadsprovincie;
– in de memorie van toelichting bij de lex specialis is opgenomen dat de voorstellen van het dagelijks bestuur van de stadsregio Rotterdam op het terrein van sociale zaken in overleg met de betrokken partijen nader worden onderzocht.
De leden van de fractie van GroenLinks waren van mening dat het regionaal bestuur voldoende gemeentelijke bevoegdheden moet krijgen, en stellen dat het in het kabinetsvoorstel daar juist aan ontbreekt. Tegelijkertijd stelden zij dat de gemeenten door het overdragen van bevoegdheden minder autonoom worden en derhalve de benaming vitale gemeenten nogal merkwaardig is. Zien wij het goed dat de leden van de fractie van GroenLinks een spanningsveld zien tussen een versterking van het takenpakket en de autonomie van gemeenten. Onder verwijzing naar het bijgevoegde schema van taken en bevoegdheden van de stadsprovincie zijn wij van mening dat de stadsprovincie een sterk takenpakket zal hebben met voldoende doorzettingsmacht, terwijl de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van gemeenten van dien aard blijven dat zij als vitale en voldoende autonome gemeente kunnen functioneren.
De leden van de fractie van GroenLinks vroegen of het kabinet kan aangeven waar staat dat de Tweede Kamer positief heeft gereageerd op het taken- en bevoegdhedenpakket zoals is opgenomen in lex specialis. De leden van de fractie van D66 informeerden naar specifieke onderdelen waarmee de Tweede Kamer heeft ingestemd. Voor de uitspraken van de Tweede Kamer verwijzen wij naar de handelingen van de Tweede Kamer van 27 en 28 augustus 1997 inzake de behandeling van de Interimwet (TK 100, 7098–7119 en TK 101, 7121–7151), waaruit blijkt dat meerdere partijen het lex specialis op hoofdlijnen een aanvaardbare weg achten.
Er bestaat bij het kabinet en de Tweede Kamer politieke consensus over het bestuurlijke model – het eindperspectief – voor de regio Rotterdam. Met het aannemen van de Interimwet heeft de Tweede Kamer een politieke wilsverklaring gegeven om te komen tot een stadsprovincie in de regio Rotterdam via de door het kabinet voorgestelde weg. Het is nu aan de Eerste Kamer om een dergelijk politiek oordeel wel of niet uit te spreken. De formele vaststelling zal uiteraard bij de behandeling van de lex specialis in de Tweede Kamer en in uw Kamer plaatsvinden. Onderwerpen waarover discussie kan ontstaan zijn bijvoorbeeld de nadere invulling van het regionale verdeelmodel en de grootschalige culturele voorzieningen. De uitkomst van die discussie is uiteraard van belang voor de reorganisatie, maar niet van dien aard dat niet met de voorbereidingen kan worden begonnen. De voorbereidingen van de reorganisatie worden hierdoor op geen enkele wijze belemmerd.
De leden van de fractie van GroenLinks vroegen of de lex specialis en de Instellingswet nog tijdig bij de Tweede Kamer kunnen worden ingediend, zodat de huidige Tweede Kamer een aanvang kan maken met de behandeling.
De lex specialis wordt nog dit jaar aan de Raad van State om advies aangeboden, de Instellingswet in februari 1998. Wij gaan er van uit dat gezien de voorgeschiedenis, de Raad van State over dit onderwerp binnen een redelijke termijn advies kan uitbrengen. Dat zou aanvang van de behandeling door de Tweede Kamer mogelijk maken.
De leden van de fractie van D66 vroegen hoe wij het hoofd denken te bieden aan het probleem van de machtsbalans in de regio Rotterdam met de nieuwe lex specialis.
Het door deze leden gesignaleerde probleem willen wij oplossen door, in het voetspoor van de commissie-Andriessen, de positie van de stadsprovincie met name ten aanzien van de ruimtelijk-economische bevoegdheden te versterken. In dat verband wijzen wij op de in het oorspronkelijk wetsvoorstel ontbrekende bevoegdheid om, naast het havengebied, door middel van een bijzonder indelingsbesluit ook andere permanent strategische projecten aan te wijzen. In dergelijke gebieden gaan alle gemeentelijke bevoegdheden op het vlak van ruimtelijke ordening en grondbeleid over op de stadsprovincie. Een tweede nieuw instrument dat de stadsprovincie in handen krijgt, is dat van het tijdelijk strategisch project. Dat is een planologische projectbevoegdheid waarbij de bestemmingsplanbevoegdheid, althans in materiële zin, voor een specifieke locatie bij de stadsprovincie berust. De positie van de stadsprovincie ten aanzien van het grondbeleid wordt ook aanmerkelijk versterkt. Zo zal het Rotterdamse ontwikkelingsbedrijf OBR geheel of gedeeltelijk de kern vormen van een te vormen provinciaal ontwikkelingsbedrijf. Dit bedrijf zal vooral de realisering van tijdelijk strategische projecten voor zijn rekening nemen. En in de tweede plaats zijn wij voornemens de provincie de bevoegdheid te geven om de uitoefening van het gemeentelijk voorkeursrecht ten aanzien van tijdelijk strategische projecten over te nemen.
De leden van de fractie van GroenLinks vroegen zich af hoe de uitvoering van de VINEX te rijmen is met het grondbeleid in de lex specialis. Zij wezen er in dat verband op dat in het genoemde concept-wetsontwerp de provincie terzake slechts voorschriften kan geven aan gemeenten. De leden van deze fractie vroegen ons de relatie aan te geven tussen het uitoefenen van de bevoegdheden van de toekomstige stadsprovincie en de voortgang van de bestaande afzonderlijke bouwprojecten.
Als gevolg van de instelling van de stadsprovincie dienen in verband met de overgang van taken en bevoegdheden talloze afspraken te worden gemaakt. In dat kader zal ook de positie van de stadsprovincie ten aanzien van de nu in uitvoering zijnde bouwprojecten, daaronder begrepen VINEX-projecten, worden bekeken. Zonder al te veel op die afspraken te willen vooruitlopen, komt het ons in het algemeen als logisch voor om voor goed lopende projecten niet te tornen aan de gemaakte arrangementen. Dat betekent dat het ons als weinig waarschijnlijk voorkomt dat de provincie al in uitvoering zijnde bouwprojecten gaat aanwijzen als tijdelijk strategisch project. Aan de andere kant zal de stadsprovincie een rol moeten gaan vervullen als zich sterk veranderende maatschappelijke omstandigheden voordoen die ten nadele kunnen uitvallen van een VINEX-locatie. Voor nieuwe projecten en lopende projecten waarbij zich in de sfeer van de bovenlokale afstemming problemen voordoen, kan dit evenwel anders liggen. De provinciale bevoegdheden zijn echter voldoende om de provincie een aanzienlijke rol in het grondbeleid te laten spelen.
Is het geen goed gebruik, zo vroegen de leden van de fractie van GroenLinks, om de bijlagen bij een wetsvoorstel ook aan de Eerste Kamer toe te zenden. De verzending van de stukken aan de Eerste Kamer verloopt via de Tweede Kamer. De Tweede Kamer besluit welke stukken er worden gedrukt en doorgezonden.
Bij het indienen van het wetsvoorstel met bijbehorende bijlagen bij de Tweede Kamer heeft uw Kamer deze stukken in afschrift ontvangen. Dat de betreffende bijlage niet direct in handen is gekomen van de leden van de fractie van GroenLinks spijt ons. De leden van de fractie van GroenLinks hebben behoefte aan een kaart van het gebied, deze is daarom als bijlage bij deze nadere memorie van antwoord gevoegd.
De leden van de D66-fractie stelden zich op het standpunt dat een verantwoord wetgevingsproces ook afhankelijk is van de vraag of de toekomstige voorstellen voor de stadsprovincie grondwettig zullen zijn. Zij vroegen of het kabinet niet voorbarig is nu reeds te veronderstellen dat de nieuwe voorstellen de toets der kritiek van de Raad van State zullen doorstaan, waarbij zij het indertijd uitgebrachte minderheidsadvies in herinnering riepen en wezen op de taakverzwaring voor de stadsprovincie die in de nieuwe voorstellen is beoogd. Zij vroegen of er nog steeds reden is om aan te nemen dat de stadsprovincie als een variant van de gangbare provincie kan worden vormgegeven.
De lex specialis is op 23 december 1997 door de koningin voor advies aan de Raad van State gezonden. Wij hebben hiervoor globaal aangegeven op welke punten dat voorstel wijzigingen bevat in vergelijking met het als bijlage bij de Interimwet gepubliceerde concept-voorstel. Wij zijn de overtuiging toegedaan dat het in procedure gebrachte wetsvoorstel binnen het grondwettelijk kader blijft. De taakverzwaring voor de stadsprovincie die daarin op de terreinen ruimtelijke ordening en grondbeleid is opgenomen ten opzichte van het oude voorstel – dat in februari 1996 is ingetrokkenis weliswaar van betekenis doch tevens met voldoende procedurele waarborgen voor de gemeenten omgeven. Voorts wijzen we erop dat de bestemmingsplanbevoegdheid in beginsel een gemeentelijke bevoegdheid blijft en dat er ruimte is voor een lokaal grondbeleid. Met betrekking tot het financieel verdeelmodel is van belang op te merken dat dit ten opzichte van het oude voorstel geen verandering heeft ondergaan, met dien verstande dat de tijdelijke goedkeuringsbevoegdheid van het Rijk ten aanzien van het verdeelbesluit van de stadsprovincie permanent is gemaakt. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de wens van de gemeenten die in deze rijksbevoegdheid een waarborg zien tegen een te grote beleidsruimte voor de stadprovincie bij de verdeling van middelen.
Niet zonder betekenis is in dit verband dat de regiogemeenten die uiteraard zeer gespitst zijn op het bewaken van hun zelfstandige positie, bij monde van de stadsregio hebben uitgesproken zich te kunnen verenigen met het totale voorstel. Het is daarentegen juist de gemeente Rotterdam die zich tegen het voorstel verzet, welk verzet in essentie voortkomt uit het feit dat in het model van de stadsprovincie de gemeentelijke autonomie dient te worden gerespecteerd. Onttrekking van taken aan de gemeenten is namelijk uitsluitend verantwoord als dat voldoende kan worden gemotiveerd en overigens de grondwettelijk verankerde bestuurlijke en financiële zelfstandigheid van de gemeenten onverlet laat. Dat laatste impliceert dat een cumulatie van op zichzelf te motiveren ingrepen in het gemeentelijk takenpakket niet mag resulteren in de teloorgang van die zelfstandigheid. Daarvan is ook in het nieuwe voorstel geen sprake. Samengevat zijn wij van mening dat het nieuwe voorstel de gemeentelijke autonomie respecteert en derhalve een stadsprovincie vormgeeft als een variant op de gangbare provincie.
De leden van de fracties van de VVD, D66, de SGP, de RPF en het GPV informeerden naar het standpunt van het kabinet inzake het draagvlak voor de stadsprovincie in het gebied, de leden van de fractie van de VVD verwezen daarbij met name naar de brieven die uw Kamer van de provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam ontving. De leden van de fractie van D66 wilden weten waarom het kabinet het beeld ten aanzien van draagvlak als minder zwart-wit aanmerkt dan de leden van verschillende fracties van uw Kamer eerder schetsten. D66 vraagt zich af of het kabinet over nieuwe signalen uit de regio beschikt waardoor het tot de conclusie komt dat de regio niet ernstig is verdeeld.
Wij beseffen dat het ontbreken van consensus inzake de totstandkoming van de stadsprovincie een knelpunt is op de gekozen route richting de stadsprovincie, die wij nog steeds willen begaan. De ingrijpende reorganisatie die de instelling van de stadsprovincie met zich mee brengt kan echter bijna niet anders dan op weerstand rekenen van een aantal betrokkenen, omdat belangen nu eenmaal divergeren en derhalve bijna niet tot hetzelfde wensenpakket kunnen leiden. Gedurende het traject richting de stadsprovincie, dat wij tot op heden hebben afgelegd, zijn echter de nodige knelpunten weggenomen. In het bestuurlijk overleg met betrokken partijen, waaraan door verschillende leden ook wordt gerefereerd, is de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken op verschillende punten aan wensen van betrokkenen tegemoet gekomen, zodat het voorstel voor de lex specialis op meer onderdelen aan hun wensen voldoet, zonder dat dit in de weg staat van een goed en werkbaar evenwicht tussen de stadsprovincie en de gemeenten: anders gezegd het moest passen in het model van de stadprovincie. De ultieme wens van de gemeente Rotterdam – een vorm van grootstedelijke bestuur die het meest overeenkomt met een agglomeratiegemeente – past daarbinnen niet. Rotterdam is bekend met het feit dat er voor de eigen voorkeur geen draagvlak bestaat bij de regiogemeenten, het kabinet en de Tweede Kamer. Wij vinden het spijtig dat de gemeente Rotterdam desondanks is gebleven bij het afwijzen van de voorliggende voorstellen voor het takenpakket, temeer daar het voorgestelde versterkte takenpakket op verschillende onderdelen meer aan de wensen van Rotterdam dan aan die van de regio tegemoet komt. De regio steunt deze gekozen opzet terwille van de gewenste totstandkoming van de stadsprovincie. Ook Rotterdam is overtuigd van het feit dat een nieuwe vorm van bestuur noodzakelijk is om de grootstedelijke en regionale problematiek in het gebied adequaat ter hand te kunnen nemen. Dit vormt de grondslag voor de opmerking in de memorie van antwoord dat het beeld ten aanzien van het draagvlak minder zwart-wit is.
Wij begrijpen niet waarom Rotterdam in zijn brief aan de Eerste Kamer nu kiest voor intergemeentelijke samenwerking – een optie die door Rotterdam jarenlang met verve is bestredenin plaats van voor een stadsprovincie die toch op vele onderdelen tegemoet komt aan de wens voor een grootstedelijk bestuur. Wij kunnen ons evenmin verenigen met het standpunt van de provincie Zuid-Holland, die oorspronkelijk voorstander van de stadsprovincie, daarna voor een tweedeling van de provincie was en zich nu aansluit bij het standpunt van de gemeente Rotterdam. Tegelijkertijd pleit de provincie Zuid-Holland voor conceptuele duidelijkheid à la Thorbecke. Naar onze mening zijn deze twee standpunten niet goed verenigbaar. De betrokken besturen hebben ervoor gekozen om zo lang mogelijk onderhandelingspartner te zijn en het uiteindelijke besluit daarmee te beïnvloeden. De reacties in de richting van de Eerste Kamer bezien wij in die context.
Helaas is het niet mogelijk gebleken om inzake de vorming van de stadsprovincie de neuzen van alle betrokkenen één kant op te krijgen, Rotterdam en Rozenburg zijn geen voorstander meer van de stadsprovincie. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 kunnen wij melden dat wij niet over nieuwe signalen uit de regio beschikken die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden. Wij beseffen dit terdege, maar het feit dat consensus ontbreekt is tegelijkertijd de reden dat wij van mening zijn dat de wetgever nu zijn verantwoordelijkheid moet nemen.
Door verschillende fracties werden vraagtekens gezet bij de te behalen efficiencywinst. De leden van de fracties van het CDA en GroenLinks wezen er op dat de financiële consequenties van het reorganisatieproces onbekend zijn. De leden van de fractie van D66 vroegen om meer door feiten gestaafd aan te geven waarop de verwachte efficiencywinst is gebaseerd. Deze leden hadden grote twijfels bij de haalbaarheid van de beoogde efficiencywinst. Tevens vroegen deze leden of het kabinet erkent dat, in geval van structurele meerkosten, het vasthouden aan de randvoorwaarde van budgettaire neutraliteit de rekening in het gebied zelf wordt gelegd en dat de betaling daarvan uiteindelijk zal leiden tot vermindering van het aantal voorzieningen of tot verhoging van de lasten. De leden van de fractie van D66 vroegen verder welke destijds de meerkosten waren ter zake van de beoogde provincie Rijnmond.
De leden van de fractie van GroenLinks informeerden naar de efficiencywinst voor de huidige provincie Zuid-Holland en vroeg wie de frictiekosten vergoedt die deze provincie al heeft gemaakt en nog zal maken.
In reactie op deze vragen is het goed te benadrukken dat het voor de stadsprovincie Rotterdam gekozen bestuursmodel een ander model is dan destijds bij het beoogde Openbare Lichaam Rijnmond voor ogen stond.
Toendertijd zou er een extra bestuurslaag tussen de provincie Zuid-Holland en de gemeenten komen. Er zou een bestuursverdichting optreden, die toen beoogd en ook gewenst was. Er kon vooruit worden berekend hoe hoog de meerkosten zouden zijn en mede op basis daarvan kon worden bepaald wat nog acceptabel was.
Thans gaat het juist om een efficiënter optreden van de overheid. De stadsprovincie treedt in de plaats van de regio Rotterdam en de provincie Zuid-Holland en krijgt ook een aantal taken en bevoegdheden van de inliggende gemeenten. Voorts worden allerlei thans bestaande vormen van bovenlokaal bestuur in de stadsprovincie geïntegreerd. Er wordt dus geen extra bestuurslaag naast de gemeente Rotterdam en het resterende Zuid-Holland toegevoegd, zoals de leden van de fractie van D66 stellen. Uitgangspunt is dat in het gekozen model geen bestuursverdichting mag plaatsvinden. Daarom is structurele budgettaire neutraliteit een belangrijke randvoorwaarde.
In zijn algemeenheid geldt dat er bij reorganisatieprocessen efficiencywinst te behalen valt. Daarvan zijn vele voorbeelden bekend, uit het bedrijfsleven maar ook uit het openbaar bestuur. Zo heeft de grote reorganisatie (binnengemeentelijke decentralisatie) in Amsterdam in de jaren tachtig geleid tot aanzienlijke besparingen. Het onderzoeksbureau heeft Cebeon in 1995 in het kader van de vorming van de stadsprovincie Rotterdam een financieel verdeelmodel opgezet. Toen is aangegeven1 dat er, uitgaande van een normale efficiency, ruim f 50 mln aan besparingen zou kunnen worden behaald; dit is aan de ondergrens van de destijds door de Directeur Financiën van Rotterdam ingeschatte range van f 50 tot 80 mln besparingen op jaarbasis.2 Bovendien heeft de provincie Zuid-Holland destijds berekend3 dat er structureel tussen de f 9,2 en f 28,0 mln per jaar aan personeel bij de provincie Zuid-Holland te besparen is wanneer zowel in Rotterdam als in Haaglanden een stadsprovincie zou zijn gevormd.
Al deze cijfers geven een duidelijke indicatie dat er substantiële efficiencywinst te behalen moet kunnen zijn bij de vorming van de stadsprovincie Rotterdam, ook met het huidige wetsontwerp. Immers, er is bij die ramingen uitgegaan van een normale efficiency, en niet van optimale efficiency. Bovendien is in de huidige voorstel voor de lex specialis geen sprake meer van een gesplitste gemeente Rotterdam. De in die berekeningen opgenomen kosten voor de bestuurders van de nieuw te vormen gemeenten kunnen dus vervallen. Hoe hoog de feitelijke structurele efficiencywinst exact zal kunnen zijn is pas te bepalen als de nieuw te vormen organisaties (stadsprovincie en inliggende gemeenten) kunnen worden gelegd naast de bestaande, huidige organisaties (provincie Zuid-Holland en gemeenten in de regio).
Indien desondanks uiteindelijk sprake zou zijn van structurele meerkosten, een door de leden van de fractie van D66 geopperde mogelijkheid, dan zijn de mogelijkheden tot efficiencyverbetering door de onderscheiden actoren in het gebied kennelijk onvoldoende benut. Het vasthouden aan de randvoorwaarde van budgettaire neutraliteit betekent dan inderdaad, zoals de leden van de fractie van D66 stellen, dat de rekening dan in het gebied blijft.
Wanneer de stadsprovincie uiteindelijk is ingesteld zal er zoals aangegeven ook voor de provincie Zuid-Holland sprake kunnen zijn van efficiencywinst. De frictiekosten die deze provincie al heeft gemaakt worden op de iets langere termijn gecompenseerd door efficiencyverbetering.
Wanneer echter het wetsontwerp dat moet leiden tot de instelling van de stadsprovincie Rotterdam de eindstreep niet zou halen, dan blijft Zuid-Holland met de reeds gemaakte kosten zitten. Die worden dan niet gecompenseerd. Dat geldt dan overigens niet alleen voor de door de provincie Zuid-Holland gemaakte kosten, maar ook voor de kosten die het Rijk en de inliggende gemeenten (direct en via de Stadsregio) reeds hebben gemaakt.
De leden van de fracties van de SGP, de RPF en het GPV vroegen om een analyse van de thans in discussie zijnde voorstellen, behoudens het regeringsvoorstel. De leden van de fractie van GroenLinks informeerden of het nu echt onwil is van het kabinet om niet naar de alternatieven te kijken.
Het kabinet heeft reeds in een eerdere fase, naar aanleiding van het rapport van de commissie Andriessen, alle alternatieven zorgvuldig afgewogen en is tot de conclusie gekomen dat de stadsprovincie de beste oplossing is. In de memorie van antwoord hebben we aangegeven waarom de door GroenLinks voorgestelde alternatieven onzes inziens geen oplossing bieden. Wij betreuren het dat wij de fractie van GroenLinks niet hebben kunnen overtuigen, maar vinden het niet opportuun om nogmaals in te gaan op verschillende alternatieven voor de stadsprovincie. In de inleiding hebben wij al kort aangegeven dat een bestuurlijk oplossing van de problematiek alleen bereikt kan worden door uit te gaan van de grondwettelijke hoofdstructuur. Vanuit die optiek is naar onze overtuiging de stadsprovincie de enige oplossing. Wij zijn van mening dat een bestuurlijke constructie op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen kenmerken vertoont van een vierde bestuurslaag, met de daarbij behorende kosten en bovendien onvoldoende directe democratische legitimatie kent. Daarnaast ontbreekt de doorzettingsmacht. Bovendien is er voor een aangepaste WGR-constructie minder draagvlak dan voor de stadsprovincie. Een aanscherping van de WGR heeft overigens reeds eerder plaatsgevonden maar door de provincies is daar tot op heden nog geen gebruik van gemaakt. Ook de Kaderwet kent vergaande bepalingen om de gemeente te dwingen het voorgestelde beleid uit te voeren. Ook daar is tot op heden geen beroep op gedaan. Wij zien thans niet in waarom de voorstellen van de Commissaris van de Koningin van Noord-Holland, die nog verder gaan dan de aangescherpte WGR, nu ineens zouden moeten worden toegepast, nog afgezien van andere bezwaren.
De leden van de fractie van GroenLinks vroegen aandacht voor de positie van Goeree-Overflakkee, in relatie tot de Hoeksche Waard en wat betreft de Arhi-procedure.
Zolang niet duidelijk is of de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de Hoeksche Waard verdere verstedelijking als onderdeel van het stedelijk gebied van Rotterdam zal inhouden zijn wij van oordeel dat een uitbreiding van de te vormen stadsprovincie met dit gebied nu niet aan de orde is. De meest wenselijke toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de Hoeksche Waard – blijvend landelijk of verstedelijkt – zullen wij bezien in het kader van een nadere gebiedsuitwerking, zoals in bestuurlijk overleg over deel 1 van de Actualisering Vinex ook met provincie en gemeenten is bevestigd. Nu het gebied van Goeree-Overflakkee niet bij de stadsprovincie is betrokken, zullen bestuurlijke en functionele relaties met de regio Rotterdam niet gehandhaafd blijven. Ook los van de discussie over de Hoeksche Waard spelen de bestuurlijke relaties tussen Goeree-Overflakkee en de provincie Zuid-Holland dus een belangrijke rol. Daarin ligt de belangrijkste motivering voor de overgang van Goeree-Overflakkee naar Zeeland. De samenhang tussen Goeree-Overflakkee en Zeeland wordt ons inziens overigens ook in sociaal-geografisch opzicht bevestigd, gezien overeenkomsten vanuit o.a. landschappelijke, agrarische en recreatieve invalshoeken.
Dezelfde leden waren van mening dat de arhi-procedure voor de wijziging van de provinciale indeling van Goeree-Overflakkee lopende de procedure door het kabinet is overgenomen.
De constatering dat de wijziging van de provinciale indeling van Goeree-Overflakkee niet door de provincie Zuid-Holland aan de Minister van Binnenlandse Zaken is overgedragen is op zichzelf juist. De arhi-procedure is door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken zelf ter hand genomen op grond van artikel 279, tweede lid, van de Provinciewet, nadat de provincie Zuid-Holland te kennen had gegeven met de instelling van een interprovinciale onderzoekscommissie te kunnen instemmen, maar deze nadrukkelijk niet te beschouwen als een commissie ex artikel 15 van de Wet arhi. Evenals in de eerste arhi-procedure speelt ook nu het belang van de gelijktijdige ingangsdatum van de overgang van Goeree-Overflakkee en de instelling van de provincie Rotterdam. Dit mede in verband met de overgang van personeel, rechten en verplichtingen en de aanpassing van gemeenschappelijke regelingen.
De leden van de fractie van GroenLinks waren voorts van mening dat het kabinet met het regelen van verkiezingen in de Interimwet Rotterdam onwettig vooruitloopt op de afloop van de herindelingsprocedure.
Het is juist dat met de regeling van de verkiezingen in het voorliggende wetsvoorstel vooruit wordt gelopen op de uitkomst van de nog lopende voorbereidingsprocedure in het kader van de Wet arhi. Wij zijn het echter niet eens met deze leden dat daarmee in strijd met de wet wordt gehandeld. Afgezien van het formele argument dat het de wetgever zelf is die in een specifiek geval aanleiding kan zien om specifieke regels te stellen en van de omstandigheid dat de Wet arhi geen voorzieningen bevat voor provinciale herindeling en de daarvoor benodigde verkiezingen, hebben wij de Wet arhi steeds als referentiepunt voor ons handelen genomen. De realiteit gebiedt echter te erkennen dat deze procedures reeds een keer zijn doorlopen en dat opnieuw doorlopen van procedures geen toegevoegde waarde heeft als die slechts tot een herhaling van standpunten kan leiden. Gelet op het bijzondere karakter van deze concrete situatie is ons niet duidelijk op welk arrest van de Hoge Raad de aan het woord zijnde leden hier doelden.
De leden van de fractie van D66 vroegen aan te geven welk gewicht er wordt toegekend aan de standpunten van het dagelijks bestuur van de regio, dat in de eigen brieven de nadruk legt op de gebrekkige legitimatie van zichzelf en van de regioraad. Op dit moment en onder deze omstandigheden treden het dagelijks bestuur en de regioraad van de stadsregio op als vertegenwoordiger van de inliggende gemeenten. De bestuurders zijn niet in de eerste plaats als regiobestuurder gekozen, maar hebben hun eerste verantwoordelijkheid in hun eigen gemeenten. Bij gebrek aan een direct democratisch gelegitimeerd bestuur achten wij de leden van het DB en van de regioraad echter goed in staat om namens de gemeenten in de regio een standpunt te formuleren.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken heeft overigens nog een extra maatregel getroffen om goed inzicht te verkrijgen in standpunten van betrokken gemeenten, door met ieder van hen afzonderlijk of in groepen gesprekken te voeren.
De leden van de fractie van de VVD vroegen of de wil van het kabinet dit wetsontwerp door te zetten getuigt van bestuurlijke wijsheid. Het kabinet vindt van wel. Het zou niet van bestuurlijke wijsheid en geloofwaardigheid getuigen als wij geen poging zouden doen om uw Kamer te overtuigen van de zin van dit wetsvoorstel. Deze Interimwet is immers niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Hieraan is een uitgebreid traject van onderzoek (commissie Andriessen) en overleg voorafgegaan. De Tweede Kamer heeft vervolgens ingestemd met dit traject in de overtuiging dat het noodzakelijk was een onomkeerbare stap in de richting van de stadsprovincie te zetten. Ook het kabinet is deze mening nog steeds toegedaan en spreekt de hoop uit dat uw Kamer de argumenten van het kabinet in overweging zal nemen.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A. G. M. van de Vondervoort
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal

Schema: Taken en bevoegdheden stadsprovincie
| Omschrijving | Taak stadsprovincie | «Oude» lex Rotterdam |
|---|---|---|
| Reguliere Provincietaken | – alle reguliere (autonome) taken van de provincie, inclusief de aan (centrum)gemeenten overgedragen taken (bv. waterhuishouding, milieu, natuur en landschap, landinrichting) | – idem |
| Extra taken | ||
| Veiligheid | – politie: bestuur en beheer, vaststellen beleidsplan en jaarlijkse beleids- en begrotingsstukken. Gezag blijft in handen van de burgemeester. | – idem |
| – brandweer: Cdk voert beheer over regionale korps, regionale én gemeentelijke brandweer blijven in stand. | – idem | |
| – rampenbestrijding: CdK is belast met bestrijding van rampen van meer dan plaatselijke betekenis (gezag over politie en brandweer) | – idem | |
| – cpa: centrale post ambulancevervoer | – idem | |
| Ruimtelijke en economische ontwikkeling | – planning ruimtelijke ordening door integraal Strategisch Plan | |
| 1. Permanent strategische projecten: een bijzondere locatie waarbij de stadsprovincie alle relevante taken van de gemeenten overneemt en de bevoegde instantie wordt omdat een permanente ontwikkelingsinspanning nodig is. Behalve de haven, kunnen ook andere projecten worden aangewezen. De uitoefening van de planologische bevoegdheden vindt plaats door de stadsprovincie. | – Alleen Havenindelingsbesluit waardoor beleid en beheer van de Haven naar de stadsprovincie gaat. In het ISP worden strategische projecten aangegeven. Na overleg met gemeenten wordt bepaald wie wat doet. | |
| 2. Tijdelijk strategische projecten: Deze worden in het ISP vastgesteld. De stadsprovincie kan projecten in het ISP nader uitwerken. Verantwoordelijkheid voor beleid en uitvoering ligt bij de stadsprovincie. De stadsprovincie zal de uitwerking in beginsel in eigen hand houden, maar kan met de gemeente afspraken maken over de uitvoering door de gemeente. | – de uitvoering ligt bij gemeenten | |
| 3. Overige projecten: De stadsprovincie kan kaders stellen door programmatische doelstellingen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor beleid en uitvoering van deze projecten. | – stellen van algemene regels ten aanzien van verwerving en uitgiftevoorwaarden voor lokale bedrijfsterreinen | |
| – promotie, acquisitie en fondsverwerving voor bovenlokale bedrijfsterreinen | – idem | |
| – stellen van algemene regels ten aanzien van verwerving en uitgifte voorwaarden voor lokale bedrijfsterreinen. | – idem | |
| Grondbeleid | – voeren van een actief provinciaal grondbeleid door provinciaal prijsbeleid, provinciale voorwaarden voor uitgifte, verwerving en beheer van gronden, provinciaal beleid met betrekking tot onderhoud en beheer van locaties. | – idem |
| – Mogelijkheid tot vestigen voorkeursrecht stadsprovincie: uitwerking volgt | – Was nog een punt van overweging | |
| – Er komt een provinciaal ontwikkelingsbedrijf dat geheel of hoofdzakelijk gevormd zal worden uit het ontwikkelingsbedrijf Rotterdam. | – afstemming uitvoering grondbeleid gemeenten en mogelijkheid tot overname uitvoering door stadsprovincie | |
| – provinciaal ontwikkelingsfonds voor strategische projecten | – idem | |
| – exploiteren provinciaal grondbedrijf voor strategische projecten (ISP) | – idem | |
| Haven | – de haven wordt aangemerkt als een permanente strategisch project waar van de stadsprovincie een permanente ontwikkelingsinspanning wordt verwacht. | – het beleid en beheer van de haven wordt door een indelingsbesluit aan de stadsprovincie overgedragen. |
| – stadsprovincie neemt alle relevante taken van de gemeente Rotterdam over. | – idem | |
| – de stadsprovincie is de bevoegde instantie op alle met de haven samenhangende beleidsterreinen op het territoir van de haven zelf. | ||
| Volkshuisvesting | – vaststellen provinciaal volkshuisvestingsplan (facultatief) | – idem |
| – planning en programmering woningbouwlocaties | – idem | |
| – budgethouder lokatiegebondensubsidies | – idem | |
| – budgethouder woningbouwgebonden subsidies | – idem | |
| – budgethouder stads- en dorpsvernieuwing | – idem | |
| – de verordenende bevoegdheid o.b.v. de Huisvestingswet is taak van de stadsprovincie | – stadsprovincie heeft richtlijn- en aanwijzingsbevoegdheid | |
| Verkeer en vervoer | – planning, sturing door opstellen Provinciaal verkeer en vervoerplan | – idem |
| – budgethouder kleine infrastructuur (< f 25 mln.) | – idem | |
| – dienstregeling, vergunningverlening en rijksbijdragegerechtigde bij exploitatietekort stads- en streekvervoer | – idem | |
| – aanwijzen van gebieden waar betaald parkeren geldt en daarvoor minimum tarieven vaststellen. | – parkeerbeleid werd nog nader onderzocht | |
| – flankerend beleid zoals stedelijke distributie, vervoersmanagement | – idem | |
| Milieu, Natuurbeheer en Openluchtrecreatie | – planning en sturing door opstellen milieubeleidsplan en -programma | – idem |
| – verlening en handhaving van alle milieuvergunningen met de mogelijkheid van doordecentralisatie naar gemeenten voor een flexibele taakverdeling | – idem | |
| – recreatiegebieden | – idem | |
| – DCMR milieudienst Rijnmond | – idem | |
| Onderwijs | – bekostiging provinciaal meld- en coördinatiepunt vroegtijdig schoolverlaten | – idem |
| – Volwasseneneducatie: de stadsprovincie verdeelt de rijksbijdrage en stelt na overleg met de gemeenten een bestedings- en activiteitenplan op. Op basis daarvan hebben zowel gemeente als provincie hun eigen verantwoordelijkheid. | – idem | |
| – Verdeling rijksbijdragen schoolbegeleiding en onderwijsachterstandenbeleid | – bekostiging via specifieke uitkering aan gemeenten | |
| Cultuur/Sport | – planning, subsidiëring en beheer van grootschalige en culturele voorzieningen o.a. theaters, musea en topsportaccommodaties. | – idem |
| Welzijn | – planning en beheer bejaardenoorden tot 2001 dan Ziekenfondsraad en AWBZ. | – idem |
| – planning maatschappelijke opvang en sociale pensions, uitvoering blijft gemeentelijk | – idem | |
| – planning ambulante verslavingszorg, uitvoering blijft gemeentelijk | – idem | |
| – Jeugdhulpverlening | – idem | |
| Sociale Zaken | – nader onderzoek naar afstemmende/verdelende rol stadsprovincie ten aanzien van centrale coördinatie bestrijding werkloosheid en bevorderen van uitstroom uit sociale zekerheid en eventueel experiment bijstand. – nadrukkelijke gemeentelijke verantwoordelijkheid met eventuele meerwaarde van de provincie mits deze een vergroting van effectiviteit en efficiëntie oplevert. | – verantwoordelijkheden op gebied van bevordering uitstroom additionele werkgelegenheid en bijstand, uitvoering WSW, bestuursdeelname Arbeidsvoorziening en een bijstandsexperiment. |
| Financiën | – specifieke uitkering volgt taak | – idem |
| – stadsprovincie kan baatbelasting heffen | – idem | |
| – de stadsprovincie vervangt het huidige artikel 12 doordat ze de mogelijkheid heeft een aanvullende voorziening toe te kennen. | – idem | |
| – algemene uitkering Provinciefonds en algemene uitkering Gemeentefonds naar stadsprovincie, het zogenaamde regionaal verdeelmodel met een goedkeuringsbevoegdheid van het Rijk op het verdelingsbesluit van de stadsprovincie. | – idem, alleen goedkeuringsbevoegdheid van het Rijk zou na vijf jaar komen te vervallen. | |
| – innen OZB: dubbele heffingsbevoegdheid | – gemeenten heffen over woningen, provincie over niet-woningen |
De leden van de commissie Andriessen waren: prof. mr. F. H. J. J. Andriessen (voormalig lid en vice-voorzitter van de commissie van Europese Gemeenschappen, sinds 1993 als speciaal adviseur verbonden aan KPMG), drs. H. Andersson (partner bij Andersson Elffers Felix, voorzitter bestuur Raad van Organisatie-adviesbureaus), prof. J. G. Lambooy (hoogleraar regionale economie en economische geografie aan de UvA), mr. C. J. A. van Lede (voorzitter Raad van bestuur Akzo Nobel, oud voorzitter VNO), ir. D. Luteijn (voorzitter bestuur CeBeCo-Handelsraad, lid Raad van toezicht Rabobank Nederland, voorzitter Raad van commissarissen Heidemei N.V. en oud lid en -voorzitter van de VVD-fractie Eerste Kamer).
«Bestuurlijke keuzen», Cebeon/VB-Groep, 28 maart 1995, p. 6, waar blijkt dat het totaal van de geformuleerde ijkpunten voor de gemeenten f 52,40 per inwoner, oftewel f 59,6 mln lager uitvalt dan de feitelijke uitgaven. Op basis daarvan is een te behalen efficiencywinst geschat op f 53 mln.
«Terreinverkenning provinciale frictiekosten door regiovorming», VB Accountants, p. 15, uitgebracht aan de provincie Zuid-Holland en op 27 april 1995 door de provincie Zuid-Holland aan de Tweede Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken gezonden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19971998-25328-100d.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.