nr. 170a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS1
Vastgesteld 3 februari 1998
Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende
opmerkingen en vragen.
De leden van de CDA-fractie hadden met grote bezorgdheid kennis
genomen van de wijziging van de les- en cursusgeldwet en de wet tegemoetkoming
studiekosten.
De bezwaren tegen dit wetsvoorstel zijn kort samengevat: het loslaten
van de gelijkheid van leerplicht en lesgeldverplichting, verzwaring van de
onderwijslast voor de ouders, geen ander doel dan bezuiniging en het verdraagt
zich slecht met internationale verdragen. Waarom heeft de minister er niet
voor gekozen, als het toch alleen maar om een bezuiniging gaat, om gewoon
het lesgeld te verhogen?
Wanneer kan het dekkingsvoorstel voor het besparingsverlies 1998 en 1999
tegemoet gezien worden? Zal de dekking die binnen de begroting van OCenW gevonden
moet worden in ieder geval niet ten koste van de kwaliteit van het onderwijs
en het onderzoek gaan?
De leden van de fractie van de PvdA hadden met gemengde gevoelens
kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij hadden begrepen dat het
uitsluitend gebaseerd is op een bezuinigingstaakstelling, hetgeen hun –
nu alom de noodzaak wordt onderschreven van méér financiële
middelen ten behoeve van onderwijs – als niet erg logisch voorkomt.
Uit de schriftelijke voorbereiding van de behandeling in de Tweede Kamer maakten
zij op dat het aanvankelijk (memorie van toelichting Kamerstukken II 25 321,
nr.3, blz. 5) ging om een structurele netto opbrengst van f 50 miljoen
per jaar. Uit de berekening op dezelfde bladzijde wordt een netto opbrengst
geraamd van f 80 miljoen, dus f 30 miljoen méér. Vervolgens
is bij nota van wijziging de ingangsdatum verschoven naar 1 augustus 1999.
Uit de handelingen (p. 33-2642) blijkt dat er nu een dekkingsprobleem is van
f 78 miljoen per jaar (f 28 miljoen in 1998 en f 50 miljoen
in 1999).
Deze leden zouden het op prijs stellen wanneer dit nog eens wordt verduidelijkt.
Van meer principiële aard achtten de leden van de PvdA-fractie de
loskoppeling van de leerplicht en de lesgeldverplichting. Zij vonden het begrip
loskoppeling de situatie beter kenschetsen dan het veelvuldig gebruikte verhullende
begrip «nuancering». De nuancering bestaat eruit dat het leerplichtig
onderwijs slechts kosteloos blijft voor minvermogenden (tot een belastbaar
inkomen van f 50 275). Zij hadden kennisgenomen van de strikt formeel-juridische
argumentatie dat dit niet in strijd is met de internationale verdragen. Naar
de letter, zo constateerden zij, is dit het geval. Echter allerminst naar
de geest. In het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele
rechten wordt immers gesproken over een geleidelijke invoering van kosteloos
[secundair] onderwijs. De aan het woord zijnde leden dachten dat dit wetsvoorstel
meer lijkt op een «geleidelijke afschaffing».
Ter gelegenheid van dit wetsvoorstel hadden de leden van de fractie van
de PvdA zich nog eens verdiept in de Wet tegemoetkoming studiekosten. Het
toetsingsinkomen is de som van de belastbare inkomens van de aanvrager en
diens partner. Zij realiseerden zich dat dit betekent dat iemand een ton of
meer kan verdienen en als gevolg van aftrekposten, zoals hypotheekrente, koopsompolissen,
etc. desalniettemin tot een belastbaar inkomen beneden het toetsingsinkomen
van f 50 275 zou kunnen komen. Hij/zij krijgt dan alle verschuldigde
lesgelden vergoed, terwijl de aan het woord zijnde leden bij een inkomen van
een ton of meer niet direct het predikaat minvermogend voor de geest kwam.
Is er geen reden, zo vroegen zij, het toetsingsinkomen nog eens tegen het
licht te houden en daarbij dan meteen de vermogenspositie van de ouder(s)
in de beschouwingen te betrekken?
Mensen met een belastbaar inkomen boven de norm gaan er in het ongunstigste
geval f 1 272,– per kind op achteruit (memorie van toelichting
blz. 5). Iemand met een belastbaar inkomen van f 50 276,–
(inclusief vakantiegeld, etc.) verdient «regulier» per maand ca
f 3 850,– bruto.
Volgens de witte tabel 1998 wordt daarop in tariefgroep 3 ingehouden f 795,66,-
(afgerond f 800,-). Rest derhalve een netto besteedbaar inkomen van f 3 050,-
per maand (op jaarbasis f 36 600,-). De leden hier aan het woord
vroegen of deze berekening bij benadering klopt en of derhalve in dit geval
de wijziging in de lesgeldsystematiek een koopkrachtverlies van ca 3,5% betekent.
De minister heeft ongetwijfeld ook kennisgenomen van het bericht in de
Staatscourant (nr. 12, 20 januari 1998) waarin de landelijke verenigingen
van ouders de verwachting uitspreken dat ouders als gevolg van de vernieuwing
in havo en vwo tussen de f 700,- en f 1 400,- meer per jaar
aan boeken en leermiddelen zullen moeten betalen. Als dit juist zou zijn,
betekent dit dat de kosten van het volgen van onderwijs per kind zouden kunnen
stijgen met in totaal 6 à 7% van het netto inkomen voor de net-niet
«minvermogenden». Kan de minister hierop zijn reactie geven? En
houdt hij zijn stelling staande dat deze maatregel de toegankelijkheid van
het onderwijs niet frustreert?
In de Tweede Kamer is de vrees uitgesproken dat het voortijdig schoolverlaten
door deze lesgeldverplichting zal groeien. De aan het woord zijnde leden deelden
deze vrees. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 25 321,
nr. 5, blz. 5) kondigt de minister aan dat een onderzoek naar bepalingen op
het terrein van lesgeld, cursusgeld en collegegeld die een «premie»
betekenen op tussentijdse uitstroom zonder diploma «binnenkort»
wordt afgerond. Aangezien de nota naar aanleiding van het verslag dateert
van juni 1997, waren zij benieuwd of de onderzoeksresultaten al bekend zijn.
De leden van de fracties van GPV, SGP, en RPF hadden met veel scepsis kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze
scepsis heeft betrekking op de onvoldoende gemotiveerde verzwaring van lasten
voor ouders met leerplichtige kinderen en is nog vergroot door de wijze waarop
het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is afgehandeld.
Wat zullen de gevolgen zijn van de aanvaarding door de Tweede Kamer van
de motie Stellingwerf c.s. (kamerstuk 25 321, nr. 11)?
De leden van de commissie vroegen zich tenslotte af, waarom de Eerste
Kamer een wetsvoorstel zou moeten aannemen waarbij de Minister zelf, in de
toelichting bij de nota van wijziging (stuk nr. 10), opmerkt dat politieke
heroverweging tot nader uitstel van de invoering kan leiden of zelfs tot intrekking
van de wet.
Verdient het geen aanbeveling deze politieke heroverweging af te wachten,
alvorens tot afhandeling van dit wetsvoorstel over te gaan?
De voorzitter van de commissie,
Jaarsma
De griffier van de commissie,
Hordijk