Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25171 nr. 38f |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25171 nr. 38f |
Ontvangen 21 november 1997
De memorie van antwoord met betrekking tot bovengenoemd wetsvoorstel (kamerstukken I, 1997/98, 25 171, nr. 38b) geeft de leden van de vaste Commissie voor verkeer en waterstaat van de Eerste Kamer der Staten-Generaal nog aanleiding tot het maken van een aantal opmerkingen en het stellen van vragen.
Deze leden zouden het waarderen als alle vragen daadwerkelijk beantwoord worden, zonder verwijzingen naar eerdere discussies.
De leden van de fractie van het CDA hebben behoefte nadere vragen te stellen omdat naar hun mening in de memorie van antwoord niet alle vragen bevredigend zijn beantwoord. Deze leden kunnen niet instemmen met het uitbrengen van een eindverslag als hun vragen niet worden beantwoord.
Verder achten deze leden het onbegrijpelijk dat ondergetekende zo lang heeft gewacht met het beantwoorden van het voorlopig verslag inzake dit wetsvoorstel.
Ondergetekende heeft uiteraard begrip voor de wens van de vaste Commissie om volledige beantwoording van alle vragen, en zal hieraan in het navolgende ook tegemoet komen. Gelet op de tot nog toe zeer coöperatieve opstelling van de leden van deze Commissie vertrouw ik erop dat deze leden mee willen werken aan een zeer spoedige behandeling van dit wetsvoorstel. Het verheugt mij dan ook te vernemen dat deze leden spoedshalve reeds de novelle hebben willen bestuderen.
In mijn hierna volgende antwoorden zal ik, indien nodig, nog wel verwijzen naar eerdere stukken, maar tevens voorzien in een zo volledig mogelijke weergave van deze stukken.
Over de redenen voor het uitblijven van een snel antwoord op het voorlopig verslag, waar de leden van de fractie van het CDA naar vragen, heb ik u geïnformeerd in mijn brief van 7 oktober 1997 (kamerstukken I, 1997/98, 25 171, nr. 38). Ik heb daarin vermeld dat in september 1997 duidelijk werd dat de Europese Commissie, naar aanleiding van een door Libertel ingediende klacht, bezwaren had tegen mijn beleidsvoornemens, zoals neergelegd in het onderhavige wetsvoorstel. Dit werd door de Commissie per brief van 18 september 1997 formeel bevestigd. Naar aanleiding van deze bezwaren heb ik besloten het wetsvoorstel aan te passen door indiening van een novelle.
Voorts heb ik naar aanleiding van deze bezwaren mijn beleidsvoornemens in die zin aangepast dat de op 24 april 1998 vrijkomende zogenoemde Nozema-frequenties reeds direct tezamen met de reeds beschikbare frequenties verdeeld zullen worden.
Ook was het, naar aanleiding van voornoemde bezwaren van de Commissie, nodig de zogenoemde exclusieve periode, zijnde de periode gedurende welke de bestaande GSM-vergunninghouders tijdelijk worden uitgesloten van het gebruik van DCS 1800 frequenties, nader te bepalen op twee jaar, met de mogelijkheid tot verlenging van drie jaar indien nodig voor de mededinging op de betreffende markt.
Op het moment dat ik u hierover in eerdergenoemde brief informeerde, was het overleg met de Commissie nog niet geheel afgerond, en was de novelle nog in voorbereiding. Op dat moment achtte ik het, gelet op deze omstandigheden, raadzaam te wachten met beantwoording van het voorlopig verslag tot er meer zekerheid over de inhoud van de novelle en de gevolgen daarvan voor het reeds aanhangige wetsvoorstel zou bestaan.
Vervolgens ontving ik op 8 oktober bericht van uw Commissie dat u op 28 oktober 1997 met mij in mondeling overleg van gedachten wilde wisselen. Dit was voor mij mede reden om te wachten met beantwoording van het voorlopig verslag. Het bleek achteraf ook zinvol de uitkomst van dit uiterst nuttige overleg bij mijn antwoorden te kunnen betrekken.
Bovendien heb ik tussentijds de Eerste Kamer bij mijn brief van 20 oktober 1997 (kamerstukken I, 1997/98, 25 171, nr. 38a) geïnformeerd over mijn aangepaste voornemens.
De leden van de fractie van het CDA vragen welke klachten nog bij de Europese Commissie openstaan.
Bij de Commissie is nog een klacht van Enertel aanhangig. Deze klacht is op 15 juli 1997 bij de Commissie ingediend.
Ondergetekende heeft op 8 september 1997 haar reactie aan de Commissie verzonden. Vervolgens heeft Enertel haar klacht op 10 oktober bij de Commissie aangevuld. Op 10 november is mijn reactie op deze aanvullende klacht aan de Commissie verzonden.
Ik zie de uitkomst van deze klachtenprocedure met vertrouwen tegemoet.
Voorts is mij op 20 november 1997 ter ore gekomen dat Libertel geen genoegen zou nemen met de, door de Commissie geaccordeerde, hierboven beschreven exclusiviteitsperiode.
Libertel zou hierover een klacht bij de Commissie wensen in te dienen. Tot op heden is hierover nog geen formeel bericht van de Commissie ontvangen.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de uitkomst van het kort geding dat Telfort heeft aangespannen.
De uitspraak in dit kort geding is door de President van de Arrondissementsrechtbank van Den Haag bepaald op 26 november 1997.
Verder stellen deze leden enkele vragen over de verdeling van de beschikbare radio-frequenties, en meer in het bijzonder over de mogelijkheden voor KPN en Libertel om DCS 1800-frequenties te verwerven.
Voor de te verlenen vergunningen zijn beschikbaar twee grote pakketten van ieder 15 Mhz DCS 1800- en 5 MHz GSM-frequenties.
Aan deze vergunningen is de verplichting tot landelijke dekking verbonden. Tegelijkertijd zijn 16 kleinere pakketten van ongeveer 2,5 MHz DCS 1800-frequenties beschikbaar. Meer precies: er zijn zeven pakketten van 2,4 MHz, 8 pakketten van 2,6 MHz en 1 pakket van 4,4 MHz beschikbaar. Aan deze vergunningen wordt geen verplichting tot landelijke dekking verbonden.
KPN en Libertel zijn uitgesloten van de vergunningverlening voor de twee grote pakketten. Wel mogen zij meedingen naar de kleine pakketten. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal pakketten dat zij kunnen verwerven. Ditzelfde geldt overigens ook voor andere aanvragers. Ervan uitgaande dat er sprake is van schaarste voor deze pakketten, geldt dat KPN en Libertel die frequenties in concurrentie met elkaar en met de andere aanvragers zullen moeten verwerven. Vanaf het moment dat de vergunningen van KPN en Libertel in werking treden, geldt de reeds hierboven genoemde exclusiviteitsperiode, gedurende welke zij de eventueel verworven frequenties niet daadwerkelijk commercieel mogen inzetten. Voor de afloop van deze periode mogen KPN en Libertel hun net voorbereiden op het moment dat zij de frequenties daadwerkelijk kunnen gebruiken.
Dit impliceert dat KPN en Libertel niet, zoals de leden van de fractie van het CDA vragen, structureel in een nadeliger positie worden gedwongen.
De leden van de fractie van het CDA stellen enkele vragen over de beschikbaarheid van frequenties voor Libertel uit het analoge ATF 3-net.
KPN is machtiginghouder voor ATF 3. De frequenties die KPN nu gebruikt voor ATF 3, zijn ook geschikt voor GSM, en op grond van Europese regelgeving ook gereserveerd voor GSM-gebruik.
Libertel heeft op dit moment alleen de beschikking over GSM-frequenties. Bij de vergunningverlening voor GSM is in wet- en regelgeving vastgelegd dat, indien beide GSM-vergunninghouders voldoen aan beschreven normen voor frequentie-economie, zij recht kunnen doen gelden op aanvullende frequenties, ten koste van ATF 3.
Zoals ik reeds eerder heb vermeld, zijn door beide aanvragers aanvragen om aanvullende frequenties ingediend. Ondergetekende zal een dezer dagen op deze aanvragen beslissen.
Voornoemde leden wensen een nadere uitleg over mijn opmerking in de memorie van toelichting, inhoudende dat van het achterwege laten van de naheffing een neerwaarts effect mag worden verwacht op de totale opbrengst van de veiling.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat hier door mij met de «totale opbrengst» is bedoeld de opbrengst van de veiling als zodanig, tezamen met de aanvankelijk voorziene naheffing. Ik kan me dan ook vinden in de redenering van de leden van de CDA-fractie, dat door het schrappen van de naheffing de «koopkracht» van de nieuwe potentiële toetreders niet wordt beïnvloed, terwijl de «koopkracht» van geïnteresseerde bestaande vergunninghouders wordt verhoogd ten opzichte van de situatie dat ze wel een naheffing dienen te betalen. Moeilijk in te schatten is echter het antwoord op de vraag in hoeverre hierdoor de door de nieuwe potentiële aanbieders aan de kavels gehechte waardering wordt beïnvloed.
Deze leden stellen dat het marktmechanisme in principe in staat is om te zorgen voor een economisch en technisch efficiënte verdeling van schaarse frequenties. Daarbij stellen zij echter dat aan de voorwaarden hiervoor, een redelijk groot aantal marktpartijen en een redelijk functionerende markt, in steeds mindere mate is voldaan.
Ondergetekende wijst er op dat uit de markt reeds nu een grote interesse is gebleken voor de te verdelen frequenties, waarbij verwacht mag worden dat de nu voorgenomen verkaveling, met name ten aanzien van de kleinere kavels, tot meerdere geïnteresseerde partijen zal leiden. Daarbij zal de opzet en de uitvoering van de daadwerkelijke veiling zodanig zijn ingericht dat gekomen kan worden tot een efficiënte verdeling van de beschikbare frequenties. Opgemerkt moet worden dat de huidige situatie op de Nederlandse markt nog voldoende groeimogelijkheden biedt.
Deze leden vragen of het, naar aanleiding van mijn verweer tegen hun voorstel de procedure van artikel 17 Wtv te volgen, juist is zo maar de termijnen van de tenderprocedure voor de GSM-vergunningverlening over te nemen. Volgens deze leden heeft ondergetekende kunnen leren van deze tenderprocedure en van de marktpenetratie van Libertel. Ook vragen zij of gegadigde bedrijven niet binnen zeer korte tijd aan de voorwaarden kunnen voldoen.
In mijn brief van 11 november 1997 aan de voorzitter van uw vaste Commissie heb ik op zijn verzoek een nadere onderbouwing van mijn bezwaren tegen het volgen van een tenderprocedure, in het bijzonder tegen de toepassing van artikel 17, gegeven. In deze brief heb ik gesteld dat de ervaringen met de tenderprocedure voor de GSM-vergunning relevant zijn voor het maken van een inschatting van het verloop van een vergelijkbare procedure. Uiteraard heb ik niet, zoals deze leden stellen, «zo maar» en uitsluitend naar de tenderprocedure voor GSM gekeken. Er is ook gekeken naar vergelijkbare procedures in Nederland, zoals gevolgd voor de vergunningverlening voor de landelijke infrastructuurvergunningen en voor de ERMES-vergunningen. Ook is gekeken naar ervaringen met vergelijkbare procedures in het buitenland. Dit alles overziend, blijkt dat een periode van zes maanden voor een dergelijke procedure als een minimum beschouwd moet worden. Daarbij wordt de tijd die nodig is voor de voorbereiding van een dergelijke procedure nog buiten beschouwing gelaten.
Weliswaar kan er, zoals deze leden stellen, worden geleerd van eerdere ervaringen, maar daar staat tegenover dat voor het succesvol doorlopen van een dergelijke procedure altijd een groot aantal procedurele stappen nodig is, die elk voor zich zorgvuldig moet worden genomen. Dit is nodig om het risico van procedurele gebreken en tussentijdse interventies van de rechter te voorkomen. Zo moet de procedure voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en moet zij open, transparant, objectief en non-discriminatoir zijn.
Dat sommige bedrijven stellen in zeer korte tijd in staat te zijn een aanvraag in te dienen, neemt niet weg dat ook voor de onderhavige vergunningverlening de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zullen moeten worden toegepast. Verder wenst ondergetekende er op te wijzen dat er niet van kan worden uitgegaan dat alleen de bedrijven die tot nog toe hebben aangedrongen op een snelle vergunningverlening zullen meedingen naar een vergunning. Alleen daarom al zal zowel nationaal als in Europees verband voldoende bekendheid aan de aanvraagprocedure moeten worden geschonken, om alle gegadigden de gelegenheid te geven mee te dingen naar een vergunning. Verder heb ik aandacht gevraagd voor het feit dat het stellen van minder eisen aan aanvragers niet per definitie tot een snellere vergelijkende toets hoeft te leiden. Het ontbreken van vergelijkingscriteria bemoeilijkt juist een dergelijke procedure. Bovendien blijkt uit zowel de uitgevoerde publieke consultatie als uit indicaties uit de markt, dat gegadigden verschillende diensten zouden willen aanbieden. Ook dit maakt een vergelijking gecompliceerd.
Gelet op het voorgaande blijf ik van mening dat een tenderprocedure niet tot een snellere vergunningverlening zal leiden.
De leden van de fractie van het CDA vragen of ondergetekende de landsadvocaat om een oordeel heeft gevraagd over hun stelling dat het schrappen van de naheffing in combinatie met de veiling een omkering van het level playing field betekent, hetgeen tot nieuwe klachten bij de Europese Commissie zal leiden.
Van de landsadvocaat is op diverse punten juridisch advies verkregen. Dit punt maakt onderdeel uit van een door hem opgesteld aan mij persoonlijk gericht memorandum, waar ik voor mijn antwoord op deze vraag gebruik van kan maken.
Het standpunt van de Europese Commissie komt er feitelijk op neer dat zij van mening is dat het opleggen van een naheffing als voorzien onvoldoende kan worden gebaseerd op de noodzaak een eerlijke mededinging in de betreffende markt te verzekeren. Als er vanuit het oogpunt van eerlijke mededinging geen noodzaak is om de last van de veilingsom op de nieuwe toetreders te compenseren, en de Commissie zoals gebleken geen Europeesrechtelijke bezwaren heeft tegen het afzien van de naheffing, kan hieruit worden geconcludeerd dat het schrappen van de naheffing niet kan leiden tot een situatie waarin vanuit Europeesrechtelijk standpunt van ongeoorloofde mededingingsaspecten sprake is.
Daarbij wijs ik erop dat de bestaande GSM-vergunninghouders weliswaar geen vergoeding voor hun vergunning hoefden te betalen, maar dat zij de markt hebben moeten openbreken, waar nieuwkomers van kunnen profiteren, en dat zij nu met diverse asymmetrische maatregelen, zoals een tijdelijke uitsluiting van het gebruik van DCS 1800-frequenties gedurende twee jaar, worden geconfronteerd.
De leden van de fractie van het CDA merken op dat een zekere, vooraf vastgestelde bescheiden prijs ook een marktconforme vergoeding is.
Het doel van toepassing van het veilinginstrument is om te kunnen komen tot een objectieve en transparante verdeling van de beschikbare frequenties, leidend tot een efficiënte toedeling aan die partijen die deze frequenties het meest waarderen. Het zijn dus de marktpartijen zelf die de waarde bepalen, daarbij rekening houdend met alle relevante factoren.
In het geval van een vooraf vastgestelde prijs is niet in te zien hoe deze prijs is te relateren aan de marktwaarde die immers door verschillende partijen veelal verschillen beoordeeld wordt.
Volgens voornoemde leden is verder de stelling van ondergetekende, dat het gevoerde beleid, ondanks het intrekken van de naheffing, «zeer wel te verdedigen is», onjuist.
Met dit standpunt van deze leden kan ik niet instemmen. Hoewel ik dit punt thans, door de indiening van de novelle, minder relevant acht, wil ik er voor de volledigheid toch kort bij stil staan. Het betreft hier een strikt juridische stelling, voornamelijk met betrekking tot de interpretatie van de uit het Europees recht voortvloeiende verplichtingen. Mijn stelling houdt in dat ik mij in mogelijke juridische procedures niet bij voorbaat kansloos acht.
Om kort te gaan denkt de Commissie hier anders over. Zij heeft naar aanleiding van de door Libertel ingediende klacht duidelijk te kennen gegeven op een aantal onderdelen bezwaren tegen mijn oorspronkelijke voornemens te hebben.
Zoals ik reeds eerder te kennen heb gegeven, heb ik er voor gekozen aan de bezwaren van de Commissie tegemoet te komen.
Deze keuze is niet alleen op louter juridische gronden gemaakt. Het alternatief was dat ik vrijwel zeker in een jarenlange juridische strijd met de Commissie zou zijn geraakt. De onzekerheid en de mogelijke nadelige gevolgen voor de markt voor mobiele telecommunicatie die een dergelijke juridische strijd met zich zou meebrengen, wens ik niet voor mijn rekening te nemen.
Eerdergenoemde leden vragen mij aan te geven volgens welk prijstheoretisch werk de genoemde marginale kostentheorie in een duopolie de tarieven zou bepalen.
In dit verband wil ik het volgende opmerken. De huidige Nederlandse markt kent een tweetal aanbieders van mobiele telecommunicatie en laat zich daardoor, zoals gezegd, kenmerken als duopolie. De toegankelijkheid van deze markt voor andere aanbieders is, op grond van het op basis van de beperkte beschikbaarheid van frequenties gehanteerde vergunningensysteem, niet vrij. Slechts het beschikbaar komen van nieuwe frequenties, zoals nu het geval met de DCS 1800 frequenties, schept de mogelijkheid om nieuwe aanbieders toe te laten, en daarmee de onderlinge concurrentie te bevorderen.
Inherent aan een duopolie is dat de aanwezige aanbieders in staat mogen worden geacht om, in tegenstelling tot op een markt met volledige mededinging, tot op zekere hoogte de tarieven te «dicteren». In een omgeving met volkomen concurrentie moet worden verwacht dat op lange termijn de tarieven in de buurt liggen van de gemiddelde kosten van een efficiënte bedrijfsvoering, het minimum van de gemiddelde totale kosten; voor een duopolie hoeft dit niet zo te zijn.
Deze leden vragen mij nogmaals in te gaan op de redenering dat de veilingprijs ten koste gaat van de winst, en niet zal worden doorberekend in de tarieven. Deze leden zijn van mening dat in een investeringsbeslissing de veilingprijs wel degelijk moet worden bezien als onderdeel van de marginale kosten, en daarmee van invloed is op de tarieven.
Hierin kan ik mij in zoverre vinden, dat bedacht moet worden dat de op de veiling te betalen prijs niet bij voorbaat gegeven is, maar resulteert uit de veiling zelf. Een in de frequenties geïnteresseerde marktpartij zal zich in zijn ondernemingsplan oriënteren op de te verwachten winstgevendheid van de vergunning. Een belangrijke rol hierbij speelt de te verwachten prijsconcurrentie op de na de vergunningverlening bestaande markt met minimaal een viertal landelijk opererende marktpartijen. Aan de hand van deze verwachting zal de betreffende partij de vergunning en daarmee de frequenties waarderen, waarbij hij zijn maximale ruimte op de veiling bepaalt. Het is daarom juist de toenemende concurrentie op de markt voor mobiele telecommunicatie die er voor zal zorgen dat realisatie van hogere tarieven moeilijk zal zijn.
De leden van de fractie van het CDA vragen om een volledige beantwoording van de vraag of het level playing field niet wordt verstoord door het feit dat Libertel zich via een tender tot kwaliteitseisen heeft verplicht, welke niet worden vastgelegd voor de nieuwkomers.
Bij de GSM-vergunningverlening zijn de verschillende aanvragen vergeleken op een aantal aspecten, die vooraf bekend waren. De aanvrager die over het geheel het beste uit deze vergelijkende toets kwam, heeft de vergunning gekregen. Omdat hetgeen in de eigen aanvraag op die aspecten werd aangeboden, van wezenlijke betekenis was voor het winnen van de toets, was de vooraf bekende (en noodzakelijke) regel dat de eigen aanbieding zou worden omgezet in een verplichting in de vergunning. Anders zou immers de eigen aanbieding volstrekt vrijblijvend zijn, en de vergelijkende toets betekenisloos. Daarom heeft Libertel in de vergunning verplichtingen die specifiek zijn voor Libertel.
Bij de voorgenomen procedure van de veiling is dat anders. De minimumeisen zijn voor alle aanvragers gelijk. De winnaars dienen echter wel het veilingbedrag te betalen, dus de waarde van de vergunning. In die zin zijn beide procedures niet vergelijkbaar. Welke kwaliteit de nieuwkomers uiteindelijk zullen realiseren, zal in de dynamiek van de markt blijken. In die dynamiek lijkt mij overigens een te lage prijs/kwaliteit verhouding ten opzichte van de concurrenten niet aan te bevelen. Ik kan niet inzien dat de kwaliteitseisen in de vergunning van Libertel een nadeel (en zeker geen onevenredig nadeel) zouden vormen in de komende concurrentieverhoudingen.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de omvang van de verplichtingen die KPN en Libertel opgelegd worden als gevolg van roaming.
Laat ik voorop stellen dat het maken van een betrouwbare schatting van de kosten die dit met zich meebrengt, niet van te voren te maken is. Daar staat tegenover dat de kosten die gemaakt worden door KPN of Libertel, in rekening gebracht kunnen worden bij de nieuwe vergunninghouders, die om de nationale roaming verzocht hebben.
Zowel KPN als Libertel hebben reeds vele roamingovereenkomsten met buitenlandse operators. Een roamingovereenkomst als zodaning met een CCS 1800-vergunninghouder kan derhalve niet worden beschouwd als een bijzondere last voor de GSM-vergunninghouders. Het verschil is wel dat het hier gaat om een roamingovereenkomst met een vergunninghouder uit het eigen land in plaats van uit het buitenland. Dit zou kunnen leiden tot intensiever gebruik. Een nieuwe partij die op de mobiele markt komt, zal echter eerst nog abonnees moeten verwerven. Daarom zal, ook in het geval dat roaming tot de mogelijkheden behoort, de extra drukte op de netten van KPN en Libertel in eerste instantie gering zijn. Bovendien zullen de abonnees die de nieuwe partijen verwerven, voor een deel ook ten koste gaan van de aanwas van abonnees van KPN en Libertel. Zelfs indien deze roaming geruime tijd duurt, zal de extra capaciteit die KPN en Libertel daarvoor nodig hebben, bij de huidige groeicijfers van de mobiele markt, na afloop van de roamingperiode binnen korte tijd weer gebruikt worden door nieuwe eigen abonnees.
Bovendien moet verwacht worden, dat de nieuwe vergunninghouders zullen beginnen met de opbouw van hun net, daar waar zij het meeste verkeer verwachten. Aangezien nationale roaming altijd duurder zal zijn dan afhandeling van verkeer via het eigen net, zal vanuit economisch oogpunt gezien eerst dat deel van Nederland van dekking worden voorzien, waar het meeste verkeer te verwachten is. Overigens zal dit ook volgens het voorgeschreven dekkingsplan het geval zijn. Dat impliceert dat de druk op het net van Libertel of KPN zich al snel zal beperken tot die gebieden, waar het verkeer niet bijzonder groot is, zowel van de nieuwkomers als van KPN en Libertel.
De leden van de fractie van het CDA vragen mij alsnog te antwoorden wat in het businessplan van Libertel was opgenomen ten aanzien van de kosten van toezicht, tenzij de vertrouwelijkheid dat niet mogelijk maakt.
Ondergetekende kan uit oogpunt van vertrouwelijkheid inderdaad niet ingaan op de inhoud van het ingediende businessplan van aanvragers. Wel kan de volgende informatie worden verstrekt. Om de aanvragen te kunnen vergelijken, is voor de nieuwe vergunninghouders in het GSM-tenderdocument opgenomen dat zij in 1995 geen rekening dienden te houden met kosten voor het toezicht. Voor de jaren 1996 en verder is het bedrag van f 500 000,– genoemd, waarmee zij rekening dienden te houden. Dit bedrag behelsde de totale kosten voor het toezicht.
In 1995 is door de RDR bij Libertel f 187 500,– in rekening gebracht. De voorloper van de OPTA, de directie TND van de HDTP, heeft in 1995 geen kosten in rekening gebracht. In 1996 is door TND f 500 000,– in rekening gebracht. Door de RDR is in dat jaar f 250 000,– in rekening gebracht. Dit hogere bedrag is het gevolg van de wijze waarop TND als onderdeel van de rijksoverheid verplicht was haar kosten in rekening te brengen (het kasstelsel). In dat jaar zijn door TND extra kosten gemaakt voor het opzetten van het bureau. In 1997 is door zowel de OPTA als door de RDR f 250 000,– in rekening gebracht.
Zoals reeds in de memorie van antwoord gemeld, kunnen KPN en Libertel bezwaar maken tegen deze in rekening gebrachte kosten. De tarieven worden door zowel OPTA als door RDR ieder jaar opnieuw vastgesteld. De voorgestelde tarieven moeten door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden goedgekeurd.
De leden van de fractie van het CDA vragen of ik alsnog wil aangeven of ik het eens ben met die leden dat de veilingprijs het karakter van een belastingheffing heeft. Daarvan uitgaande, vragen zij waarom de opbrengst niet is geraamd in het dekkingsplan.
Mijn antwoord, dat is afgestemd met de Minister van Financiën, luidt als volgt. Belastingheffing is generiek. De veilingprijs is een prijs die door de markt bepaald wordt, en die voor iedere vergunning weer verschillend kan zijn. Bij een belastingheffing wordt juist uitgegaan van het gelijkheidsbeginsel en wordt de hoogte door de overheid vastgesteld. Om deze redenen ben ik het niet eens met de stelling van voornoemde leden, dat de veilingprijs het karakter heeft van een belastingheffing. Dientengevolge is die ook niet geraamd in het dekkingsplan.
De leden van de fractie van het CDA vragen wat voor willekeur er ontstaat als voor de ene groep frequenties wel een prijs wordt gevraagd en voor de andere groepen niet.
De uitgangspunten van het frequentiebeleid en frequentiebeheer in algemene zin zijn neergelegd in de Nota Frequentiebeleid (kamerstukken II, 1994/95, 24 095, nrs. 1 en 2). Dit komt er wat betreft frequenties voor de zakelijke markt op neer dat in het geval er schaarste heerst, de betreffende frequenties in beginsel verdeeld zullen worden door middel van een veiling. Indien dat middel niet geschikt is, kunnen andere vormen van verdeling gehanteerd worden.
Voor de vaste telefonie worden op dit moment straalverbinden gebruikt. Er heerst op dit moment ook nog geen schaarste wat betreft de frequenties die daarvoor gebruikt kunnen worden. Dientengevolge wordt het marktmechanisme nu niet gebruikt voor het verdelen van deze frequenties. In dat opzicht is er dus geen sprake van willekeur, omdat de omstandigheden in de genoemde gevallen verschillend zijn.
Voornoemde leden merken op dat de eerder gestelde vragen met betrekking tot de berekening van de veilingprijs voor de frequenties voor 15 jaar niet zijn beantwoord.
Hoewel moet worden opgemerkt dat deze vragen inderdaad direct zijn gerelateerd aan de inmiddels geschrapte naheffing, zal ik deze voor de volledigheid alsnog beantwoorden. De genoemde 15 jaar hing samen met de vaststelling van een «jaarprijs» binnen de berekeningswijze van de naheffing, in de zin dat aan de hand hiervan de door de bestaande vergunninghouders te betalen vergoeding kon worden gecorrigeerd voor de periode die verstreken zou zijn tussen het moment waarop aan hen de vergunning is verleend, en het moment van vergunningverlening in de huidige procedure. Op deze wijze werd zekergesteld dat de naheffing niet met «terugwerkende kracht» aan de betreffende vergunninghouders zou worden opgelegd. In deze context is de reële rente, noch de inflatie, relevant.
De leden van de fractie van D66 ontvangen graag een exemplaar van het verweer van ondergetekende in het door Telfort aangespannen kort geding, indien in dit verweer uitgebreider dan reeds eerder wordt ingegaan op het afzien van toepassing van artikel 17 Wtv.
Aan dit verzoek van deze leden kom ik graag tegemoet.
Bijgevoegd zijn de pleitnotities van de landsadvocaat inzake dit kort geding.1
Tenslotte vragen de leden van de fractie van D66 nadere gegevens omtrent de veilingvoorwaarden en over het daarbij voorgenomen tijdpad.
Om te worden toegelaten tot de veiling, dient de aanvrager aan een aantal minimumeisen te voldoen. Deze eisen, die voor de landelijke vergunningen zwaarder zullen zijn dan voor de overige vergunningen, hebben onder meer betrekking op de financiële positie van de aanvrager, de rechtspersoonlijkheid en de kennis en ervaring van de aanvrager.
Indien uit de aanvragen blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van schaarste, zal een veiling worden gehouden. Op basis van een uitgebreide studie heeft ondergetekende besloten de volgende veilingvorm te hanteren: een veiling over meer ronden waarbij de voor de vergunningen beschikbare radio-frequenties in kavels simultaan worden aangeboden.
De veilingregels zijn in grote lijnen de volgende. De veiling vindt plaats over meerdere ronden. Het aantal ronden is onbepaald. De biedingen moeten schriftelijk worden ingebracht.
Na iedere ronde wordt aan de deelnemers bekendgemaakt hoe hoog het hoogste bod op ieder kavel is. Gebruikmakend van deze informatie kunnen deelnemers hun bod voor de volgende ronde bepalen. Er kunnen meer ronden per dag gehouden worden.
De meerronden-systematiek zorgt ervoor dat bieders dusdanig veel informatie krijgen dat het risico dat zij teveel voor de kavel bieden, klein is. Voor het in redelijk tempo laten verlopen van de veiling wordt voorts de zogenaamde «bodtoename-regel» gehanteerd. Dit betekent dat in iedere ronde de biedingen minimaal een bepaald percentage (maximaal tien procent) hoger moeten zijn dan het hoogste bod in de afgelopen ronde. De veiling eindigt in beginsel op het moment dat geen bod meer wordt uitgebracht. De winnaars zijn degenen die de hoogste biedingen hebben uitgebracht.
Het tijdpad is in de eerste plaats afhankelijk van het tijdstip van inwerkingtreding van het oorspronkelijk wetsvoorstel en de novelle. Indien de Eerste Kamer beide wetsvoorstellen zou aanvaarden op 25 november, zal ik, onvoorziene omstandigheden voorbehouden, alles op alles zetten om de aanvraagprocedure te kunnen starten op 1 december 1997.
De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag is dan 5 januari 1998. Vervolgens zal worden beoordeeld of aan de minimumeisen is voldaan, en is er gelegenheid voor verzuimherstel. Na deze beoordeling, die naar verwachting niet langer zal duren dan drie weken, start de veiling. Ik acht het mogelijk de veiling binnen twee weken af te ronden, waarna de vergunningen kunnen worden verleend.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19971998-25171-38f.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.