nr. 122c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN
EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT1
Vastgesteld 2 februari 1998
De memorie van antwoord gaf de leden van de PvdA-fractie aanleiding
tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden hier aan het woord wilden allereerst duidelijk maken, dat zij
in beginsel konden instemmen met het voorliggende wetsvoorstel. Inburgering
van nieuwkomers zeiden zij van groot belang te achten. De vragen, die zij
stelden waren ingegeven door de wens te bevorderen, dat dit wetsvoorstel zo
goed mogelijk zal bijdragen aan het slagen van de inburgering. Zij wilden
derhalve nog een aantal nadere vragen stellen.
Allereerst wilden zij nader ingaan op een aantal eerder door hen aan de
orde gestelde punten:
De regering meldt in antwoord op een vraag van deze leden in het voorlopig
verslag over de motie-Noorman (stuk nr. 33), dat het overleg met VNG en arbeidsvoorziening
zojuist van start is gegaan. Wat is de inzet van de regering bij dit overleg?
Is enig deel van het extra bedrag van 50 miljoen voor moeilijk plaatsbare
werklozen geoormerkt voor nieuwkomers? Deze leden vroegen zich af, hoe dit
in de praktijk werkt, aangezien nieuwkomers door de arbeidsvoorziening niet
speciaal geregistreerd (kunnen) worden. Is dit bedrag niet hard nodig ook
voor andere moeilijk plaatsbare werklozen?
Zou de sluitende aanpak voor nieuwkomers, waarvan overigens ook deze leden
zeiden voorstander te zijn, niet het meest gediend zijn bij bemiddeling door
speciaal op hen ingestelde instellingen, zoals b.v. Stichting Emplooi in Flevoland.
Zij zouden zich kunnen voorstellen, dat nieuwkomers na voltooiing van het
inburgeringsproject eerst een traject van b.v. een jaar bij een dergelijke
instelling doorlopen, alvorens voor bemiddeling door de arbeidsvoorziening
in aanmerking te komen. Voor dergelijke speciaal op allochtonen ingestelde
organisaties zou enige extra financiering nodig en nuttig zijn, zo meenden
deze leden.
Hoe staat de regering tegenover deze suggestie?
Reeds medio vorig jaar is door de Tweede Kamer aangedrongen op een notitie
inzake «oudkomers». Deze laat lang op zich wachten. Waarom is
dit zo? Wanneer wordt verwacht dat deze gereed is?
Vervolgens wilden de leden van de PvdA-fractie nog enkele punten, waarop
eerst na het uitbrengen van het voorlopig verslag hun aandacht is gevestigd,
aan de orde stellen:
Is de specifieke bemiddeling nodig voor hoger opgeleide vluchtelingen
ook gewaarborgd? Wil de regering ingaan op de problematiek die aan de orde
is gesteld door UAF in het schrijven van 12 januari 19981 ? Is het hierin gestelde juist? Zo ja, is de regering voornemens hier
iets aan te doen en zo ja, wat?
Wil de regering reageren op de verschillende punten die aan de orde gesteld
zijn in de brief van Vluchtelingen Werk van 28 november 19972 ? Is het juist, dat vvtvers, die een vluchtelingenstatus krijgen niet
voor inburgering in aanmerking komen?
Naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van State is het wetsvoorstel
aangepast om consistentie met artikel 14 van de Algemene bijstandswet (Abw)
te bereiken. Het streven naar consistentie tussen diverse wetten is lovenswaardig.
De vraag is echter of deze wel gediend wordt door het schrappen van de cautieplicht
die oorspronkelijk was opgenomen in artikel 19 van het wetsvoorstel. In verschillende
andere wettelijke bepalingen, waarin administratieve boeten worden geregeld,
is wel een cautieplicht opgenomen. In deze context is met name van belang
artikel 14b van de Abw in het hoofdstuk over administratieve boeten. Het verschil
tussen artikel 14 en artikel 14b van de Abw heeft te maken, zo vermoedden
de leden van de PvdA-fractie met het verschil tussen straffen en maatregelen
in het sanctierecht. Het opnemen van een cautiebepaling is kennelijk in overeenstemming
met het kabinetsstandpunt inzake bestuurlijke boeten. Wil de regering nog
eens nader bezien of het laten vervallen van de cautieplicht systematisch
wel juist is?
Hoe consistent is het standpunt van de regering met betrekking tot de
hoogte van de boete? Enerzijds wordt in het tweede lid van artikel 18 bepaald,
dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden,
waarin de nieuwkomer verkeert en de mate van verwijtbaarheid. Anderzijds wordt
gesteld, dat een nieuwkomer, die geen bijstand geniet een boete zal worden
opgelegd die van dezelfde hoogte is als het bedrag dat hem aan bijstand zou
worden geweigerd, indien hij bijstandsgerechtigd zou zijn. Dit lijkt erop,
alsof een vast bedrag zal gelden. Dat is toch niet in overeenstemming met
artikel 18, tweede lid? Bovendien doet de voorgestelde vaste boete toch niet
noodzakelijkerwijs recht aan het standpunt, dat gelijke behandeling moet plaats
hebben van mensen die al dan niet een bijstandsuitkering krijgen. Veeleer
ligt het voor de hand een vergelijkbaar percentage van het inkomen als boetenorm
vast te stellen, dat dus kan variëren al naar gelang de draagkracht van
een betrokkene. Wil de regering haar standpunt nog eens nader bezien?
In artikel 19 van het wetsvoorstel is bepaald, dat het college van burgemeester
en wethouders op verzoek van de nieuwkomer zal zorgdragen voor een kennisgeving
in begrijpelijke taal en voor een tolk. Hoe moet de betrokkene weten, dat
hij een dergelijk verzoek kan doen? Ligt het niet voor de hand, dat zulks
hem wordt meegedeeld door het college van burgemeester en wethouders? Ligt
het niet op de weg van het college van burgemeester en wethouders om op eigen
initiatief ervoor te zorgen, dat kennisgevingen en mondelinge procedures in
een begrijpelijke taal plaats vinden, ook als betrokkene daar niet uitdrukkelijk
om verzoekt?
De leden van de PvdA-fractie hadden voorts vernomen, dat in vele gemeenten,
de uitvoering van de Wet boeten en maatregelen in de sociale zekerheid op
grote problemen is gestuit. Is er reden om te denken, dat dat voor
deze wet anders ligt? Zo ja, waarom? Is over de uitvoerbaarheid van de handhavingsbepalingen
overlegd met de VNG? Wat is het standpunt van de VNG?
De voorzitter van de commissie,
Grewel
De griffier van de commissie,
Hordijk