nr. 19b
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 12 februari 1998
Mede namens de minister van Binnenlandse Zaken ben ik verheugd over de
voortvarende behandeling van dit wetsontwerp. Wij hopen dan ook dat de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel niet te lang op zich zal hoeven te laten wachten.
De leden van de CDA-fractie vragen naar de redenen waarom de regering
er niet voor heeft gekozen om de specifieke regels van de EG-richtlijn in
te passen in de eveneens specifieke nationale milieurechtelijke wetgeving.
Voor die optie heeft de regering indertijd niet gekozen, omdat het merendeel
van de artikelen uit de EG-richtlijn zonder problemen aansloot bij een combinatie
van reeds bestaande artikelen uit de Wet openbaarheid van bestuur, de Wet
milieubeheer en de Wet milieugevaarlijke stoffen. Op dit punt zij verwezen
naar de implementatietabel in de memorie van toelichting (kamerstukken II,
1995/96, 24 613, nr. 3, blz. 1–2).
Daarmee werd en wordt voldaan aan het grootste gedeelte van de uit de
richtlijn voortvloeiende implementatieverplichtingen. Dit is bevestigd door
de brief van de Europese Commissie van 20 oktober 1992.
Volgens de Europese Commissie zijn evenwel de uitzonderingsgronden vervat
in artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob niet in overeenstemming
met artikel 3 van de EG-richtlijn, hetgeen de reden tot het onderhavige wetsvoorstel
vormt.
De door de CDA-fractie gesuggereerde oplossing zou bovendien afbreuk doen
aan het uitgangspunt van de Wet openbaarheid van bestuur als algemene administratieve
wet. Het voordeel van een algemene wet is onder meer dat herhalingen in de
wetgeving worden voorkomen, waardoor een grotere doorzichtigheid in de wetgeving
wordt bereikt.
Indien alleen zou worden geïmplementeerd door middel van aanpassing
van de specifieke milieuwetgeving dan zou daarin tevens een duplicering moeten
worden opgenomen van de in de tabel aangegeven Wob-artikelen. Gekozen is voor
een wijze van implementatie die zo dicht mogelijk aansloot bij de reeds bestaande
nationale wetgeving.
In het tweede cluster van vragen van de CDA-fractie staat centraal de
verhouding tussen de Wet openbaarheid van bestuur en de specifieke milieuhygiënische
wetgeving. De verhouding hiertussen is in de ogen van de regering die van
een algemene tot een specifieke wet (wetten). Voorzover de ter
inzage regelingen als beschreven in de artikelen 13.6, 19.1 en 19.3 worden
gevolgd, zijn de in die artikelen beschreven openbaarheidsvoorschriften van
toepassing.
De bestaande verhouding tussen de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet
milieubeheer, alsmede de Wet milieugevaarlijke stoffen verandert niet.
Immers ook onder het huidig wettelijke regime kan Wob-informatie milieu-informatie
omvatten. Dit betekent dat ook thans al verschillende rechters zich uitspreken
over openbaarheid van milieu-informatie.
Voor wat betreft het door de CDA-fractie aangehaalde interpretatieprobleem
menen de ondergetekenden dat dit vergelijkbaar is met een identiek vraagstuk
onder de huidige wetgeving, dat zijn beantwoording heeft gekregen in de jurisprudentie
(verg. bijvoorbeeld Vz. Afd. rechtspraak RvS 24 juni 1993, AB 1994, 19 inzake
de verhouding tussen de Wob en de bijzondere terinzageregelingen in (destijds)
de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne). Zodra ten aanzien van informatie
een bijzondere openbaarmakingsregeling geldt, is die regeling bepalend voor
de openbaarheid van de betrokken informatie. In het andere geval geldt alleen
de Wob. Het is in ons rechtsbestel overigens zeker niet uitzonderlijk dat
verschillende rechters over gelijksoortige materie oordelen.
De algemeen gestelde eis van artikel 3 Wob dat de verzochte informatie
betrekking moet hebben op een bestuurlijke aangelegenheid geldt eveneens voor
milieu-informatie. Dit vereiste is in overeenstemming met de EG-richtlijn,
omdat daarin ook wordt uitgegaan van informatie die in een bestuurlijke context
relevant is. Het begrip bestuurlijke informatie heeft in de Wet openbaarheid
van bestuur betrekking op het bestuur in al zijn facetten. Het is een zeer
ruim begrip. De toestand van een aantal componenten van het milieu, genoemd
in de richtlijn is zozeer verweven met het milieubeleid dat de gegevens daarover
zonder meer van bestuurlijke aard zijn. Wij zien dan ook niet dat artikel
3 van de Wob op dit punt tot een tegenstrijdig resultaat zal leiden van hetgeen
met de richtlijn beoogd wordt.
Naar onze mening is er sprake van een misverstand waar de CDA-fractie
in de Nota naar toegankelijkheid van overheidsinformatie leest, dat elektronische
bestandsgegevens nooit onder de Wob kunnen vallen. In die nota wordt een onderscheid
aangebracht tussen bestandsgegevens als zodanig en de bestandsgegevens, die
gebruikt worden in het kader van een bestuurlijke aangelegenheid. Terzake
stelt de nota: «Dit vereiste brengt mee dat informatie die bestuursorganen
met behulp van hun bestanden maken in het kader van het voorbereiden of uitvoeren
van hun beleid, in beginsel als openbare informatie kan worden opgevraagd.
Dit geldt echter niet voor de basisgegevens uit de bestanden die als zodanig
(nog) niet concreet gebruikt worden bij het uitvoeren van bestuurlijke taken».
Het toe te voegen derde lid van artikel 10 van de Wob beoogt de uitzonderingsgrond
in artikel 10, tweede lid, onder b te beperken. Artikel 3, tweede lid, eerste
aandachtstreepje, van de richtlijn strekt tot een ruimere openbaarheid waar
het milieu-informatie betreft, dan de geldende Wob. Daarom wordt in het nieuwe
derde lid van artikel 10 van de Wob voorgesteld de mogelijkheid tot het weigeren
van informatie, omdat zulks niet opweegt tegen de economische en financiële
belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel
1a, onder c en d, van de Wob bedoelde bestuursorganen te beperken tot informatie
over handelingen met een vertrouwelijk karakter. Met de voorgestelde tekst
wordt, zoals de CDA-fractie veronderstelt, gedoeld op handelingen van overheidsinstanties.
Binnen de door de Wet openbaarheid van bestuur gehanteerde terminologie komt dit neer op het begrip «bestuursorgaan». Bij
gelegenheid van een volgende wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur
zal een zodanige verduidelijking voorgesteld worden.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal