Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1997-199824219 nr. 158a

24 219
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de verlengingsprocedure van voorlopige hechtenis en de termijn van de uitspraak van het schriftelijk vonnis van de alleenrechtsprekende rechter

nr. 158a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 2 februari 1998

Het voorbereidend onderzoek gaf de leden van de fracties van CDA en PvdA aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de CDA-fractie wilden de onderstaande vragen aan de minister voorleggen met betrekking tot artikel 66a.

Waarom is de mogelijkheid van dit artikel beperkt tot de nog niet in vrijheid gestelde verdachte? Is de behoefte tot herstel van het verzuim om tijdig de verlenging van de voorlopige hechtenis te vorderen niet even groot in het geval dat de verdachte wel reeds in vrijheid is gesteld?

Werkt het bevel van artikel 66a terug? Zo neen, is dan de conclusie juist dat de gedetineerde verdachte één of zelfs meer dagen van zijn vrijheid is beroofd, zonder dat daaraan een geldig bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt? Wordt hierdoor niet een dubieuze uitbreiding gegeven aan de, overigens in het Wetboek van Strafvordering zeer nauwkeurig omschreven, mogelijkheid om een verdachte van zijn vrijheid te beroven? Is hier geen strijd met de Grondwet, en met artikel 5 EVRM?

Heeft de verdachte die, met toepassing van artikel 66a, wordt vastgehouden, recht op schadevergoeding terzake van die dag of dagen, waarin aan zijn detentie geen geldig bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt?

Waarom is geen termijn gesteld aan de mogelijkheid van artikel 66a?

Een waakzame advocaat zal zijn cliënt nauwkeurig op de hoogte stellen van dag, en eventueel uur, waarop de voorlopige hechtenis expireert. De verdachte moet dan in vrijheid worden gesteld. Indien de gedetineerde verdachte geen (waakzame) advocaat heeft, zal hij, onwetend van de expiratie van de voorlopige hechtenis, vast blijven zitten, waarop op hem artikel 66a kan worden toegepast. Waardoor wordt dit verschil in behandeling gerechtvaardigd?

De volgorde van de afdelingen C en D had de leden van de CDA-fractie bevreemd. Het had voor de hand gelegen om eerst artikel 66 (afd. D) te behandelen en daarna artikel 66a (afd. C)

De leden behorend tot de PvdA-fractie stelden dat zij met instemming van het wetsvoorstel zoals het door de Tweede Kamer is aanvaard hebben kennis genomen.

Het is inderdaad wenselijk dat de voorlopige hechtenis periodiek door de rechter wordt getoetst. Voorlopige hechtenis is, zoals de praktijk laat zien voor degene die deze moet ondergaan van diep insnijdende betekenis. Juist voor degene, die (nog) niet door de rechter veroordeeld is, is het wezenlijk dat periodiek een rechter beslist of er nog voldoende gronden zijn voor verlenging van de preventieve hechtenis. Evenzo vonden deze leden het juist dat niet getornd wordt aan de maximale termijn van 90 dagen. De argumenten om de commissie Moons hier niet te volgen zijn volgens deze leden overtuigend. Evenzo konden zij instemmen met vereenvoudiging/aanpassing van de termijnen in hoger beroep.

Op zich achtten zij het verstandig de maximale termijn in hoger beroep te stellen op 180 dagen. De schriftelijke en plenaire behandeling in de Tweede Kamer is zo intens geweest dat zij konden volstaan met een drietal opmerkingen.

In de eerste plaats merkten de leden hier aan het woord op dat de behandeling van dit, weliswaar zeer belangrijke, maar toch zeker niet zeer ingewikkelde wetsvoorstel toch vrij lang heeft geduurd tot nu toe. Het voorstel is ingediend op 15 juni 1995. Het verslag kwam ruim drie maanden later, nl. op 27 september 1995.

De nota naar aanleiding van het verslag kwam op 12 februari 1996. De bij brief van 5 februari 1996 aangekondigde wijziging met betrekking tot de mogelijkheid van reparatie van vormverzuim kwam pas 16 oktober 1996. Kennelijk duurt het voorleggen van de voorstellen op dit onderdeel van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het openbaar ministerie en de advisering vervolgens door de Raad van State ruim 8 maanden. Het nader verslag kwam vrij snel: 12 december 1996. Ongeveer een half jaar later komt dan de nota naar aanleiding van het nader verslag op 5 juni 1997. De Tweede Kamer vond kennelijk pas tijd in november 1997. Deze leden vroegen de minister de procedure nog eens te becommentariëren.

De tweede opmerking van de leden van de PvdA-fractie had betrekking op het realiteitsgehalte van de maximale termijnen. Terecht constateerde de Tweede Kamer in de motie Dittrich c.s. (stuk nr. 17) dat er achterstanden zijn op de strafgriffies in het uitwerken van het proces-verbaal van de strafzitting en het gewezen vonnis en dat de inzendtermijn van deze stukken ruimschoots de afgesproken termijn overschrijdt (voor gedetineerden en niet gedetineerden drie respectievelijk zes maanden). Deze leden merkten op dat in de hele schriftelijke voorbereiding en de plenaire behandeling en met name in voornoemde motie wordt gezegd dat de overschrijding van die termijnen – met alle gevolgen van dien – niet acceptabel is en dat dit snel moet veranderen.

De minister heeft vervolgens alle beleidsmaatregelen genoemd.

Dit bracht deze leden tot de vraag hoe de situatie zich heeft ontwikkeld. Wat is nu de afhandelingstermijn van rechtbankzaken en wat is nu de inzendtermijn strafzaken naar gerechtshof, voor gedetineerden en niet gedetineerden? Tot welke conclusies heeft het nader overleg van de minister met de rechterlijke macht over de overschrijding van wettelijke termijnen geleid?

De derde en laatste opmerking van de leden van de PvdA-fractie had betrekking op de reparatie van vormfouten. De essentie van het voorstel (artikel 66a) is volgens deze leden weergegeven in het eerste en vierde lid. De tekst van deze leden roept de volgende vragen op ter nadere verduidelijking.

Hoe lang kan «ten spoedigste» wel niet duren (eerste lid)?

Zodra bemerkt wordt dat er sprake is van termijnverzuim, dient de officier van justitie in zeer ernstige gevallen een vordering tot gevangenneming in. Als de advocaat niet op het verlopen van de termijn wijst kan het evenwel vrij lang duren voordat de officier van justitie de vormfout ontdekt. Vast staat dat na het expireren van de termijn geen rechtstitel meer is voor vrijheidsbeneming. Op grond waarvan meent de minister dat met terugwerkende kracht alsnog een rechtstitel geschapen wordt voor het in hechtenis zijn van een verdachte? Hoe is de situatie als de hechtenis geschorst is: is verdachte dan inderdaad nog niet in vrijheid gesteld? Wat nu als verdachte gedurende die periode de benen neemt? De maximale termijnen voor vrijheidsbeneming in eerste aanleg (100 dagen) en tweede aanleg (180 dagen) blijven gelden.

Op grond waarvan komt de minister tot de, op zich voor verdachte juiste, conclusie dat de tijd dat verdachte ten onrechte, namelijk zonder titel van zijn vrijheid is beroofd meetelt voor die 100 resp. 180 dagen? Is dat alleen de billijkheid of zijn er meer argumenten?

Tot slot vroegen de leden van de PvdA-fractie hoe en in welk tijdschema de minister de motie-Dittrich en Kalsbeek-Jasperse (stuk nr. 18) uitvoert over de inventarisatie waarin de strafmaxima – te beginnen bij het wetboek van strafrecht – zijn opgenomen en het doen van voorstellen met betrekking tot een eventuele herijking van deze strafmaxima.

De voorzitter van de commissie,

Heijne Makkreel

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Heijne Makkreel (VVD) (voorzitter), Talsma (VVD), Glasz (CDA), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Holdijk (SGP), Vrisekoop (D66), Pitstra (GL), Le Poole (PvdA), Meeter (PvdA), De Wit (SP), Hirsch Ballin (CDA) en De Haze Winkelman (VVD).