23 580
Nieuwe regelen ter bescherming van natuur en landschap (Natuurbeschermingswet 19..)

nr. 105a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ1

Vastgesteld 3 maart 1998

Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de CDA-fractie onderschreven het belang van een goede wettelijke regeling van de natuurbescherming. Zij toonden zich verheugd dat de opstelling van het natuurbeleidsplan, de aanwijzing van beschermde natuurmonumenten, de aanwijzing van beschermde landschapsgezichten en de ruimtelijke voorziening op basis van internationale verplichtingen op deze wijze een wettelijke basis hebben gekregen. Deze leden zeiden in grote lijnen met dit wetsvoorstel in te stemmen. Zij wilden echter nog wel de volgende vragen stellen en opmerkingen maken.

De leden van de CDA-fractie waren benieuwd of de wat trage aanwijzing van beschermde natuurmonumenten en gebieden ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud mede is ingegeven door financiële overwegingen. Zij zouden gaarne nader inzicht verkrijgen in de ontwikkeling van kosten met betrekking tot aankoop en met betrekking tot schadevergoeding. Dit laatste voor zover dat op nationaal niveau redelijkerwijze verstrekt kan worden. Tevens vroegen de leden van de CDA-fractie of de ontwikkelingen op de grondmarkt van de laatste jaren van invloed zijn op het financiële beslag dat ter zake nodig is.

Kan, voor zover mogelijk, een prognose worden gegeven, van de kosten in de eerstkomende jaren, zowel wat betreft verwerving, schadevergoeding, als subsidies.

De leden hier aan het woord waren bijzonder geïnteresseerd in hoeverre hun voorkeur voor agrarisch en particulier natuurbeheer in de praktijk kan doorwerken bij de implementatie van dit wetsvoorstel en in hoeverre in de afgelopen jaren substantiële verschuivingen hebben plaatsgevonden bij natuur- en landschapsbescherming zoals die aan de orde komt in dit wetsvoorstel, en zouden daarbij ook financiële gegevens verstrekt kunnen worden.

De leden van de CDA-fractie hadden kennis genomen van de intensieve gedachtewisseling in de Tweede Kamer ter zake van het achterblijven van de aanwijzing van gebieden op grond van internationale verplichtingen en met name verplichtingen in EU-verband. Zij onderschreven de wenselijkheid van deze versnelling en van uitvoering van verplichtingen.

De leden van de CDA-fractie zeiden een voorstander te zijn van grote provinciale bevoegdheden op dit terrein. Zij waren van mening dat provincies, daar waar dat aan de orde was, o.a. in het Waddengebied, die taak tot op dit moment goed hebben vervuld. Evaluaties in die zin spreken duidelijke taal. Zij toonden zich dan ook verbaasd dat naast de grote bevoegdheden die de rijksoverheid voor zich reserveert zoals de aanwijzingsbeschikking op hoofdlijnen, regelgeving ten aanzien van de inhoud van vergunningen en aanwijzingsbevoegdheden in individuele gevallen, toch nog bij amvb de minister een eigen vergunningenbeleid kan voeren.

De minister heeft zijn standpunt verdedigd met de stelling dat met het oog op «de agenda voor de komende eeuw en voor het begin van de volgende eeuw....wij niet meer met een decentralisatieconcept kunnen blijven werken dat eind jaren tachtig begin jaren negentig is ontwikkeld, juist niet vanwege het belang dat beschermd moet worden ...dit is een andere visie dan een aantal jaren geleden betreffende dergelijke vraagstukken werd gekoesterd». Deze leden waren bijzonder geïnteresseerd in een nadere toelichting van de minister over het niet meer valide zijn van het decentralisatieconcept van enkele jaren geleden en ook ter zake van de consequenties die dit dan in algemene zin zou hebben voor de verhouding tussen rijk en lagere overheden. Met name ter zake het gebrek aan toekomstgerichtheid van dat concept zou zij onderbouwing zeer op prijs stellen. Heeft verder bij het opnemen van de amvb-constructie in artikel 16, zevende lid, een rol gespeeld de uitspraak van de Raad van State d.d. 3 augustus 1995, op grond waarvan de minister heeft besloten bij aanvragen voor vergunningen voor visserij-activiteiten ook uitdrukkelijk een beslissing te nemen ter zake van een ontheffing van artikel 16 van de Natuurbeschermingswet?

De argumentatie voor de amvb-constructie in artikel 16, zevende lid, in de vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 23 580, nr. 26) wijkt nogal af van de argumentatie in de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II, 23 580, nr. 9). Is hier sprake van voortschrijdend inzicht?

Moet bij deze amvb-constructie worden gedacht aan een afzonderlijke amvb voor daarvoor in aanmerking komende gebieden of aan één amvb waarin bedoelde activiteiten van nationaal belang worden aangegeven? Kan het voorkomen dat de uitvoeringsbevoegdheid zoals die nu reeds voor vele natuurmonumenten gedecentraliseerd is naar de provincies voor bepaalde handelingen worden teruggedraaid naar een rijksbevoegdheid?

Wat is de toegevoegde waarde van de amvb-constructie naast de wettelijke mogelijkheden om algemene regels te stellen voor bepaalde categorieën van gevallen en naast de wettelijke mogelijkheid om in individuele gevallen nog een directe aanwijzing te geven over de inhoud van vergunningen?

Resulteert de amvb-constructie niet in een versnippering van bevoegdheden over twee bestuurslagen waardoor een doorzichtige uitvoering van deze wet ernstig bemoeilijkt wordt? Dit mede gezien de keuze in de eerste nota van wijziging (Kamerstukken II, 23 580, nr. 7) om het eerste voorstel van wet sterk te veranderen door een knip aan te brengen tussen de aanwijzingsbevoegdheid en de uitvoeringsbevoegdheid.

Indien gebruik wordt gemaakt van de in artikel 16, zevende lid, genoemde mogelijkheid tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, is dan sprake van bijzondere activiteiten van nationaal belang. Om welke activiteiten gaat het dan?

Indien dergelijke activiteiten bestaan – als voorbeeld is in de stukken genoemd de gaswinning in de Waddenzee – laat dit dan onverlet dat afgezien van deze activiteiten de volledige uitvoering van de wet bij de provincies berust? Is het derhalve de bedoeling om ook in de Waddenzee de uitvoering van de wet – net als in de rest van Nederland – over te laten aan de provincies, wellicht met uitzondering van een enkel bijzonder geval van nationaal belang?

Waarom is afgezien van de bestaande mogelijkheid (artikel 17 huidige Natuurbeschermingswet) om binnen natuurmonumenten op publiekrechtelijke basis gebieden af te sluiten?

Het lijkt er op dat ingevolge de systematiek van artikel 16 de doorwerking van de Habitat-richtlijn niet geldt voor de externe werking van de Natuurbeschermingswet, als bedoeld in het vierde lid. Is het niet zo dat een koppeling tussen externe werking Habitat-richtlijn en externe werking Natuurbeschermingswet uit praktisch oogpunt bijzonder gewenst is?

De leden van de PvdA-fractie onderschreven van harte het streven te komen tot efficiënte en effectieve maatregelen ter bescherming van natuur en landschap. Naar het oordeel van deze leden past daarbij ook nadrukkelijk verdergaande decentralisatie van taken en bevoegdheden naar de provincies. Zij konden zich ook voorstellen dat de minister bij amvb een eigen vergunningenbeleid wil voeren als het gaat om grootschalige infrastructurele activiteiten, die van groot economisch belang zijn voor Nederland.

De hier aan het woord zijnde leden begrepen echter niet waarom het Waddengebied/de Waddenzee hierbij wordt betrokken. «De Wadden» zijn weliswaar – naar zij aannamen ook naar het oordeel van de minister – volgens (inter)nationale maatstaven een uniek en niet vervangbaar natuurgebied, maar de noordelijke provincies gezamenlijk hebben aangetoond de taken en bevoegdheden terzake uitstekend te kunnen vervullen. Dat blijkt toch ook uit de gehouden evaluatie. Wil de minister zijn visie in deze nog eens duidelijk verwoorden? En kan daarbij ook worden ingegaan op de functie van de zgn. «voorhangprocedure»? Indien in de discussie blijkt dat de Tweede Kamer in meerderheid een andere opvatting heeft dan de minister, volgt hij dan het oordeel van de Tweede Kamer?

Tot slot zouden de leden van de PvdA-fractie graag van de minister horen welke activiteiten hij gaat ondernemen om de internationale samenwerking te versterken om het natuurgebied «De Wadden» nog verder te beschermen.

De leden van de fractie van D66 hadden met belangstelling van het onderhavige wetsvoorstel kennis genomen. Zij vroegen de minister zijn reactie te geven op het schrijven van de Vogelbescherming1 over het wetsvoorstel. Zij zagen vooral graag een reactie tegemoet op de aansporing dat de minister zal moeten aangeven welke natuurwetenschappelijke, ruimtelijke, beleidsmatige en juridisch bestuurlijke criteria voor onder de Natuurbeschermingswet aan te wijzen gebieden zullen worden gehanteerd en voorts welke prioriteiten bij de aanwijzing van gebieden worden aangehouden.

Ook de leden van de fractie van GroenLinks vroegen de minister zijn reactie te geven op de genoemde brief van de Vogelbescherming; met name een reactie op het gestelde inzake het belang van instrumentarium (criteria), gebrekkige toepassing van het instrument van aanwijzing en de implementatie van EG-richtlijnen werd door hen zeer op prijs gesteld.

De leden van de fracties van RPF, SGP en GPV hadden met belangstelling van het wetsvoorstel kennis genomen. Zij wilden weten waarom het voorliggende wetsvoorstel niet is geïntegreerd in de Flora- en faunawet.

Zullen er zich vanwege de twee verschillende systematieken geen moeilijkheden, wrijvingen en spanningen in de praktijk van de uitvoering gaan voordoen?

Deze leden wilden weten welke visie de inhoud van de natuurbescherming bepaalt. Wat is de natuur? Hoe en waartoe wordt de natuur beschermd?

Hoeveel en welke natuurgebieden worden in de toekomst onder deze wet gebracht?

Is er sprake van harmonisering van het nationale natuurbeschermingsbeleid met het europese beleid? Zo nee, waarin komen de verschillen voor een hoe kan in de toekomst harmonisering worden bereikt?

De heer Bierman verwees voor zijn algemene opmerkingen naar zijn inbreng bij het voorstel voor een Flora- en faunawet (Kamerstukken II, 23 147). Hij was van mening dat in artikel 8 eigenlijk nog een extra bepaling zou moeten worden opgenomen. De minister zou er op moeten toezien dat de ruimtelijke doorwerking plaats vindt in streek- en bestemmingsplannen van de in het natuurbeleidsplan aangeduide en nader begrensde gebiedscategorieën, om zodoende planologische bescherming te garanderen. Op deze manier wordt de ecologische hoofdstructuur versterkt, die op lokaal niveau momenteel steeds verder wordt aangevreten.

Ook voor de Natuurbeschermingswet geldt de kritiek dat de rijksverplichtingen voortvloeiende uit de internationale verdragen onvoldoende zijn uitgewerkt. Wat zijn de voornemens van de minister terzake?

De voorzitter van de commissie,

Braks

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Pit (PvdA), Holdijk (SGP), Zijlstra (PvdA), Braks (CDA) (voorzitter), Van Gennip (CDA), Pitstra (GL), Luimstra-Albeda (CDA), Lodewijks (VVD), Varekamp (VVD), Van Heukelum (VVD), Hessing (D66)

XNoot
1

Deze brief is ter kennis gebracht van de minister en ter inzage gelegd op het Centraal Informatie Punt onder nr.: 119806.1

Naar boven