24 789
Bepalingen in verband met de aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen per 1 januari 1996

24 877
Wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen 1997)

25 047
Invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997)

nr. 145b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 31 januari 1997

Deze Memorie van Antwoord geeft een reactie op de vele vragen die de leden van de verschillende fracties hebben gesteld en de opmerkingen die zij hebben gemaakt. Ik volg daarbij de indeling zoals die is aangebracht in het Voorlopig Verslag.

De leden van de VVD-fractie vragen of de nieuwe Organisatiewet niet teveel zaken en detail vastlegt. Tevens stellen deze leden de vraag hoeveel Algemene maatregelen van bestuur en koninklijke besluiten moeten worden getroffen en of deze ook alle voor 1 maart a.s. gereed zullen zijn.

Bij de vormgeving van dit wetsvoorstel heeft het kabinet zich beperkt tot het in de wet of nadere regelgeving opnemen van uitsluitend die onderwerpen waarvoor dat noodzakelijk is met het oog op het adequaat functioneren van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen. Bij het treffen van regelgeving met betrekking tot de hiervoor genoemde onderwerpen is het uitgangspunt gehanteerd dat vastlegging in regelgeving niet plaatsvindt, tenzij dit strikt noodzakelijk is. Bij het voorgaande moet bedacht worden dat er in de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen zeer grote sommen publiek geld omgaan en dat er dus sprake is van grote belangen.

Voor het adequaat functioneren van de OSV 1997 bestaat, met inachtneming van de hiervoor weergegeven uitgangspunten voor regelgeving, de noodzaak om 3 algemene maatregelen van bestuur te treffen. Het betreft algemene maatregelen van bestuur op basis van de artikelen 50, derde lid, 60 en 102, eerste lid. Daarnaast zal door middel van een verzamel-algemene maatregel van bestuur een groot aantal technische aanpassingen worden aangebracht in al bestaande algemene maatregelen van bestuur. De hiervoor genoemde algemene maatregelen van bestuur zullen naar verwachting gelijktijdig met het wetsvoorstel in werking kunnen treden.

Ondanks de terughoudendheid die het kabinet in acht neemt bij het treffen van regelgeving is het, met het oog op het adequaat functioneren van de OSV 1997, noodzakelijk ministeriële regelingen te treffen op basis van de volgende artikelen van de OSV 1997 artikel 5, 7, 13, 28, 30, 31, 33, 34, 35, 42, 47, 48, 48, 51, 67, 75, 80, 82, 84. Het betreft in totaal 19 ministeriële regelingen. Daarnaast zullen door middel van een verzamel ministeriële regeling een groot aantal technische aanpassingen worden aangebracht in al bestaande ministeriële regelingen, die gebaseerd zijn op de materiewetten (WW, ZW, AAW, WAO AOW enz.). Al deze ministeriële regelingen zullen naar verwachting gelijktijdig met het wetsvoorstel in werking kunnen treden.

De leden van de VVD-fractie merken op, dat het Ctsv heeft berekend, dat de afgelopen vijf jaar als gevolg van nieuwe wet- en regelgeving de uitvoeringskosten sociale zekerheid met 2,3 mld. zijn gestegen.

De berekeningen van het Ctsv zijn ook voor de Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer aanleiding geweest om mij daarover een aantal vragen te stellen. Ik sta op het punt om een brief aan deze commissie te sturen over de hoogte van de uitvoeringskosten. In deze brief zal ook de door deze leden gestelde vraag worden beantwoord. Ik zeg deze leden gaarne toe dat ik de brief aan de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer in afschrift aan de Eerste Kamer zal sturen en wel ruim voor de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie vragen vervolgens hoeveel de OSV 1997 extra gaat kosten.

In de memorie van toelichting staat aangegeven dat de introductie van de OSV 1997 grofweg kostenneutraal zal verlopen. Wel zou sprake kunnen zijn van beperkte aanpassingskosten. Op iets langere termijn is de verwachting dat een dalende tendens zal uitgaan op het niveau van de uitvoeringskosten onder invloed van de intensivering van de marktwerking.

De leden van de VVD-fractie vragen waarop het kabinet zijn mening baseert dat goed en effectief beleid zal leiden tot een daling van de uitkeringslasten die groter is dan de stijging van de uitvoeringskosten.

De verwachting is dat ten gevolge van de inspanningen op het terrein van reïntegratie en handhaving, het beroep op de diverse sociale zekerheidsregelingen kan dalen. Gezien de verhouding tussen de bespaarde uitkeringslasten en de additionele uitvoeringskosten zal per saldo een daling van de totale uitgaven resulteren.

De leden van de VVD-fractie vragen naar het verschil tussen de administratie-overeenkomst en een jaarovereenkomst en vragen waarom niet is gekozen voor één overeenkomst eventueel voor meerdere jaren, eventueel met het recht van tussentijdse opzegging.

Het belangrijkste verschil tussen de administratie- en de jaarovereenkomst is dat de administratie-overeenkomst in het algemeen het meerjarige raamwerk zal bevatten waarbinnen het handelen van de contractspartijen zich moet afspelen en dat de jaarovereenkomst, die zoals de naam al zegt de periode van één jaar omvat, de nadere precisering inhoudt van het in de administratie-overeenkomst opgenomen raamwerk. Een administratie-overeenkomst zal, naast de onderwerpen die in artikel 43 zijn genoemd, onder meer de volgende onderwerpen bevatten: een algemene beschrijving van de mandaatsverhouding tussen het Lisv en de uitvoeringsinstelling, de eisen aan kwaliteitsborging, de aansprakelijkheid van de uitvoeringsinstelling, het gegevensbeheer, de gronden en gevolgen van ontbinding en een regeling voor de geschillenbeslechting.

De jaarcontracten bevatten – binnen het kader van de administratie-overeenkomst – nadere concrete afspraken ten aanzien van producten, productspecificaties, prijs, risicoverdeling en verantwoordingsinformatie. De inhoud van de jaarplannen zal met name beïnvloed worden door het plan van werkzaamheden voor het komende jaar. Door middel van de jaarovereenkomst is het mogelijk om relatief snel in te spelen op zich wijzigende ontwikkelingen die aanpassing van de uitvoering van de sociale verzekeringen vereisen. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van de werkzaamheden zich wijzigen en dient de contractprijs daarop te worden afgestemd. De inhoud van de jaarovereenkomsten zal vanzelfsprekend ook tot uiting komen in de begroting van het Lisv.

Een ander belangrijk verschil tussen de administratie-overeenkomst en een jaarovereenkomst is dat de administratie-overeenkomst ter goedkeuring aan het Ctsv moet worden voorgelegd (artikel 43, tweede lid) en dat de jaarovereenkomst ter kennis van het Ctsv moet worden gebracht (artikel 43, derde lid). De reden voor dit onderscheid is dat de administratie-overeenkomst – in de meeste gevallen voor een aantal jaren – de belangrijkste kaders stelt waarbinnen de uitvoering van de werknemersverzekeringen voor een sector of sector-onderdeel zal moeten plaatsvinden en dat de jaarovereenkomst daarbinnen de noodzakelijke nadere concretisering aanbrengt.

Een belangrijke reden om te kiezen voor een systeem van administratie-overeenkomsten en jaarovereenkomsten is dat dit enerzijds de mogelijkheid biedt om voor een aantal jaren een overeenkomst op hoofdlijnen aan te gaan met behoud van de mogelijkheid van tussentijdse concretisering door middel van jaarovereenkomsten. Daarnaast sluit het in dit wetsvoorstel vastgelegde systeem aan bij de nu bestaande overeenkomsten tussen bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen.

De jaarovereenkomsten zullen in het algemeen betrekking hebben op het totale uitvoeringsproces en zijn dus niet, zoals deze leden veronderstellen, speciaal gericht op reïntegratie. Dit laat uiteraard onverlet dat reïntegratie, gezien de wettelijke taak van het Lisv op dit terrein, ongetwijfeld een belangrijke plaats in de jaarovereenkomst zal innemen.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarom het noodzakelijk is in de wet vast te leggen dat overleg met de Minister moet plaatsvinden alvorens de SVb, het Lisv en het Ctsv hun plannen van werkzaamheden vaststellen. Voorts vragen deze leden zich af waarom het Lisv en de SVb hun plannen van werkzaamheden rechtstreeks aan de Minister moeten aanbieden en waarom het niet de taak van het Ctsv is om deze plannen gecoördineerd door te sturen.

De reden om het overleg over de plannen van werkzaamheden van de SVb en het Lisv tussen de Minister en de hiervoor genoemde ZBO's wettelijk vast te leggen is de wens om tot een duidelijke taakafbakening tussen Minister en toezichthouder te komen; zonder wettelijke vastlegging zouden hier mogelijk misverstanden over kunnen ontstaan. Overigens is in het wetsvoorstel ook vastgelegd dat overleg plaats moet vinden tussen de Minister en het Ctsv alvorens het Ctsv het plan van werkzaamheden definitief vaststelt.

Het in de wet vastleggen van de verplichting tot overleg tussen de Minister en de SVb, het Lisv en het Ctsv over de plannen van werkzaamheden, gekoppeld aan de verplichting van de Minister om de plannen van werkzaamheden ter kennis te brengen van beide kamers de Staten-Generaal, leidt ertoe dat gegarandeerd is dat het parlement tijdig geïnformeerd wordt over de beleidsvoornemens van de hiervoor genoemde ZBO's, alsmede over de opvattingen van de Minister daaromtrent. Indien daar aanleiding toe bestaat kunnen uiteraard vragen aan het kabinet worden voorgelegd dan wel kan er via wetgeving worden ingegrepen.

De reden dat overleg met zowel de SVb, het Lisv als het Ctsv plaatsvindt over hun respectievelijke plannen van werkzaamheden is dat het drie ZBO's betreft met elk hun eigen specifieke verantwoordelijkheid. De door deze leden gesuggereerde mogelijkheid om de plannen van werkzaamheden gecoördineerd door het Ctsv naar de Minister te laten sturen heeft voor het kabinet een aantal doorslaggevende nadelen. Deze zijn dat de taak van het Ctsv verder wordt uitgebreid dan het nu in de wet vastgelegde toezicht op de recht- en doelmatige uitvoering van de sociale verzekeringswetten. Als gevolg van deze taakuitbreiding zou op z'n minst de indruk kunnen ontstaan dat de taak van het Ctsv ook betrekking zou kunnen hebben op beleidsmatige aangelegenheden die verder strekken dan het garanderen van de recht- en doelmatige uitvoering van de sociale verzekeringswetten. Een ander belangrijk nadeel is dat de coördinerende taak van het Ctsv ook elementen van preventief toezicht inhoudt. Dit is in strijd is met het uitgangspunt van zowel het kabinet als de commissie Van Zijl dat het toezicht zo veel mogelijk repressief moet plaatsvinden.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de in de conceptwetteksten van de stelselherziening 1987 of bij amendement ingevoerde verschuiving van bevoegdheden van de Minister naar de voormalige SVr in het Ctsv worden gehandhaafd, dan wel worden teruggedraaid. Indien dit laatste het geval is vragen de leden van deze fractie naar de reden hiervoor.

Tijdens de parlementaire behandeling van de stelselherziening 1987 is door mijn ambtsvoorganger een discussie toegezegd over de herverdeling van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners. In vervolg op deze toezegging is over dit onderwerp een nota met uitgangspunten voor een herverdeling van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners op het terrein van de sociale verzekeringen aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 1987–1988, 20 508, nr. 2). De discussie over deze nota (Handelingen II, 1987–1988, 85-4573 tot en met 4598) heeft uiteindelijk geleid tot een aantal wijzigingen in de ZW die zijn opgenomen in het wetsvoorstel terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (TAV) (Kamerstukken II, 1990–1991, 22 228, Stb. 1992, 82). De belangrijkste wijziging die op dat moment in de ZW, als gevolg van de discussie over de herverdeling van bevoegdheden, is aangebracht, is dat er op een aantal punten een globalere wettelijke omschrijving is aangebracht waardoor voor de uitvoeringsorganen meer ruimte ontstond om nadere invulling te geven aan de wet. Het betreft globalere regelingen op het terrein van de uitbetaling van ziekengeld aan derden en een globalere regeling op het punt van de samenloop van ziekengeld met ouderdomspensioen. In beide gevallen was toen voorzien in nadere regelgeving door de SVr. In beide gevallen is de bevoegdheid tot regelgeving in het kader van de invoering van de Osv 1995 overgegaan van de SVr naar het Tica.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de SVb niet verplicht wordt een overeenkomst met een uitvoeringsinstelling te sluiten. Als voordeel zien deze leden – zo kan uit de vraag worden opgemaakt – dat in dat geval er geen risico zou bestaan dat de sociale partners in het bestuur van de SVb invloed zouden kunnen uitoefenen op de gevalsbehandeling, bijvoorbeeld bij de kinderbijslag.

Het kabinet is van mening dat er geen aanleiding is te denken dat een dergelijk risico zou bestaan. De SVb is zeer wel in staat gebleken een apparaat te organiseren dat de volksverzekeringen verantwoord kan uitvoeren. Het bestuur van de SVb is tripartiete samengesteld en staat onder leiding van een onafhankelijk voorzitter. Gezien de wijze waarop de SVb, zowel bestuurlijk als voor wat betreft de uitvoering functioneert, zie ik op dit moment geen redenen daarin wijzigingen aan te brengen. Anders dan bij de werknemersverzekeringen is er geen direct belang voor sociale partners bij de uitvoering van de volksverzekeringen. Om redenen van efficiency ligt het bovendien niet voor de hand een goed werkend apparaat op te heffen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom geen onderscheid is gemaakt tussen fondsbeheer en (de verantwoordelijkheid voor de) gevalsbehandeling. Voorts vragen deze leden waarom de volksverzekeringen niet onder het Lisv zijn gebracht en waarom het beheer en de administratie van alle sociale fondsen niet zijn ondergebracht bij de SVb.

Vanaf de inwerkingtreding van de op dit moment geldende Osv is zowel de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de volksverzekeringen, als het beheer van de met de uitvoering van de volksverzekeringen samenhangende fondsen, ondergebracht bij de SVb. Voor wat betreft de werknemersverzekeringen is op basis van de huidige Osv zowel de coördinatie en afstemming van uitvoering van de werknemersverzekeringen, als het beheer van de met de uitvoering van deze wetten samenhangende fondsen, ondergebracht bij het Tica. In de praktijk werkt deze constructie tot volle tevredenheid. Bij het opstellen van dit wetsvoorstel bestond er dan ook geen reden om tot ingrijpende wijzigingen met betrekking tot het fondsbeheer te komen. Het feit dat het Lisv op basis van dit wetsvoorstel in afwijking van het Tica ook volledig verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen is voor het kabinet geen reden om het fondsbeheer elders onder te brengen. Door de in dit wetsvoorstel opgenomen bepalingen met betrekking tot het fondsbeheer en door het toezicht van het Ctsv is het verantwoord om de verantwoordelijkheid voor het fondsbeheer onder te brengen bij de instantie die ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de uit deze fondsen gefinancierde wetten.

Er is voor het kabinet dus geen reden om de uitvoering van de volksverzekeringen bij de SVb weg te halen en onder te brengen bij het Lisv. De uitvoering van de volksverzekeringen vindt op een adequate wijze plaats.

De leden van de VVD-fractie vragen of het oorspronkelijke voornemen om zowel de reïntegratie als de gevalsbehandeling regionaal uit te voeren in het wetsvoorstel is afgezwakt en zo ja, waarom dat is gebeurd.

Het voornemen om het zwaartepunt bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen in de regio te leggen, wordt bij de aanvaarding van dit wetsvoorstel voor een zeer belangrijk deel gerealiseerd. Zo is in het wetsvoorstel opgenomen dat iedere uitvoeringsinstelling in de regio voldoende bereikbaar moet zijn, dat het bestuur van iedere uitvoeringsinstelling in iedere regio ten minste één persoon de bevoegdheid geeft om namens dit bestuur beslissingen te nemen ter uitvoering van de reïntegratietaak en is aan het Lisv, en via het Lisv ook aan de uitvoeringsinstellingen, de taak opgedragen om met het oog op de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces samen te werken met gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten, verband houdende met de taken van het Lisv. Deze samenwerking zal voor een zeer belangrijk deel in de regio tot stand moeten komen. De samenwerking in de regio zal, met name op het punt van de reïntegratie-activiteiten, een belangrijke impuls krijgen door besluitvorming over het binnenkort te verwachten eindadvies van de Regiegroep SWI. Het kabinetsstandpunt terzake zal u zo spoedig mogelijk worden toegezonden. Van een afzwakking in dit wetsvoorstel van het voornemen om het zwaartepunt van de gevalsbehandeling en dan met name dat van de reïntegratie-activiteiten in de regio te leggen, is zeker geen sprake.

De leden van de VVD-fractie vragen of een eventuele inning van de premies voor de werknemersverzekeringen en het geïntegreerde middelenbeheer de positie van de overheid versterkt, terwijl de premies nog steeds door het bedrijfsleven worden opgebracht. Zij vragen zich of in hoeverre nog het uitgangspunt geldt: wie betaalt bepaalt.

Zowel bij een eventuele inning van de premies voor de werknemersverzekeringen door de belastingdienst als bij het geïntegreerde middelenbeheer geldt dat hier alleen de uitvoeringstechnische aspecten aan de orde zijn. Overigens is inning van de premies werknemersverzekeringen door de belastingdienst momenteel niet aan de orde. Op dit punt is een onderzoek in voorbereiding naar de doelmatigheid van het eventueel overdragen van deze taak naar de belastingdienst. Voor het geïntegreerd middelenbeheer is gekozen uit doelmatigheidsoverwegingen. De positie van de fondsbeheerder (Lisv, SVb, ZFr) wordt hierbij als zodanig niet beïnvloed. Ook de positie van de overheid wordt mijns inziens door deze uitvoeringstechnische operaties dan ook niet versterkt.

Een visie op het uitgangspunt: «wie betaalt bepaalt», is aan de orde als de verantwoordelijkheid van één der betrokken partijen zou wijzigen. Omdat ik van mening ben dat de verantwoordelijkheidsverdeling ten aanzien van de (beleids-)beslissingen geen verandering ondergaat door beide genoemde projecten, is derhalve dit uitgangspunt ook niet in het geding.

De leden van de VVD-fractie vragen of het juist is dat het GAK en Arbeidsvoorziening een akkoord hebben gesloten waardoor het GAK gedeeltelijk arbeidsgeschikten kan blijven bemiddelen. Als dat het geval is, is dat akkoord dan niet in strijd met het voorliggende wetsvoorstel?

Het bericht dat de leden van de VVD-fractie hebben opgevangen, is onjuist. Omdat de verantwoordelijkheid voor de bemiddeling (in de brede zin des woords, dat wil zeggen arbeidstoeleiding en plaatsing) voorlopig bij de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen blijft liggen, zou het afsluiten van een dergelijk contract door het GAK ook niet zinvol zijn. Wel is het zo dat Arbeidsvoorziening, GAK en USZO op dit moment bezig zijn een vorm van samenwerking specifiek gericht op deze groep te ontwikkelen. Aanleiding daartoe vormt het feit dat vanaf 1 januari 1997 arbeidsgehandicapte personen ook onder de basisdienstverlening van Arbeidsvoorziening vallen, alsmede het voornemen tot overdracht van de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten – in de brede zin des woords – naar Arbeidsvoorziening.

De leden van de VVD-fractie vragen of ik het met hen eens ben dat het de primaire taak van de uitvoeringsinstellingen is om de uitkeringen op tijd en correct te verzorgen en dat het de primaire taak van de Arbeidsbemiddelingsorganisatie is om te bemiddelen naar de arbeidsmarkt. Tevens willen zij weten of ik niet bevreesd ben voor een vermenging van verantwoordelijkheden.

Het Lisv is verantwoordelijk voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen. De uitvoering van deze werknemersverzekeringen moet het Lisv opdragen aan uitvoeringsinstellingen. Een belangrijk onderdeel van de taak van het Lisv en daarmee van de uitvoeringsinstellingen is uiteraard om er voor te zorgen dat de uitkeringen op tijd en correct worden verstrekt. Dit is immers een belangrijk onderdeel van de rechtmatige uitvoering van de werknemersverzekeringen. Zeker niet minder belangrijk is echter de wettelijke opdracht van het Lisv en daarmee dus ook indirect van de uitvoeringsinstellingen, om te bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen op grond van de wetten waarvoor het Lisv de uitvoeringsverantwoordelijkheid draagt, worden ingeschakeld in het arbeidsproces. De taak van de uitvoeringsinstellingen omvat dus meer dan het uitsluitend op tijd en correct verzorgen van de uitkeringen. Dit komt ook tot uiting in de samenwerkingsverplichting van het Lisv en daarmee van de uitvoeringsinstellingen met gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie c.a. Deze verplichting tot samenwerken geldt ook voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie waardoor ook de taak van deze organisatie breder is dan het uitsluitend bemiddelen naar de arbeidsmarkt. Voor een vermenging van verantwoordelijkheden ben ik op dit moment niet bevreesd. De overdracht van de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten naar Arbeidsvoorziening zal uiteraard zo worden vormgegeven dat taken en verantwoordelijkheden helder komen te liggen.

De leden van de VVD-fractie wilden voorts nog weten wat de betekenis is van de artikelen 67 en 68 tegen de achtergrond van het geïntegreerd middelenbeheer.

Het geïntegreerd middelenbeheer zal in de wet worden vastgelegd. Hiertoe zal een afzonderlijke wetsvoorstel aan het parlement worden aangeboden. Het wetsvoorstel zal leiden tot wijziging van de OSV 1997. Met name de artikelen 67 en 68 OSV 1997 zullen aanzienlijk worden gewijzigd. Tot de inwerkingtreding van het nieuwe wetsvoorstel blijven de genoemde artikelen echter van kracht.

De leden van de VVD-fractie vragen of de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Lisv en de sectorraden wel goed is doordacht. Zij vragen dit met het oog op het feit dat de sectorraden naar hun oordeel materieel als opdrachtgevers van de uitvoeringsinstellingen zullen kunnen fungeren waarbij het Lisv hooguit de formele verantwoordelijkheid draagt. De leden van de fracties van GroenLinks, de SP, het GPV, de SGP en de RPF stellen een vergelijkbare vraag. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen in dit verband naar de verantwoordelijkheid van het Lisv.

In de memorie van toelichting is uitgebreid op de opdrachtverlening door het Lisv, daartoe geadviseerd door de sectorraden, aan de uitvoeringsinstellingen ingegaan. Kernpunt is dat gegarandeerd moet zijn dat het Lisv onder alle omstandigheden zijn wettelijke verantwoordelijkheid moet kunnen waarmaken. Dit is onder andere gegarandeerd door de regels die het Lisv stelt met betrekking tot de inhoud van de overeenkomsten tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen, door het feit dat het Lisv de mogelijkheid heeft om op basis van argumenten van het advies van de sectorraad af te wijken, ook als de ontwerp-overeenkomst voldoet aan de daarvoor gestelde regels, en doordat het Lisv verantwoordelijk is voor de controle of de uitvoeringsinstelling de gesloten overeenkomst op een correcte wijze uitvoert.

Het voorgaande laat onverlet dat het in de praktijk zo kan zijn dat, ondanks de formele en materiële verantwoordelijkheid van het Lisv, de sectorraad de precieze inhoud van de overeenkomst tussen het Lisv en de uitvoeringsinstelling bepaalt en wellicht ook de monitoring van de uitvoering van de overeenkomst voor een belangrijk deel voor zijn rekening neemt. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat één en ander plaatsvindt binnen de door het Lisv gestelde kaders. Het Lisv zal dit ook moeten toetsen.

Op basis van de hiervoor geschetste verantwoordelijkheidsverdeling is gegarandeerd dat, overeenkomstig hetgeen door het kabinet is beoogd, het Lisv onder alle omstandigheden niet alleen formeel, maar ook materieel verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen.

De leden van de VVD-fractie stellen de vraag of het Ctsv een ZBO is. Zij stellen deze vraag omdat ik daarover naar de mening van deze leden in de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer tegenstrijdige uitspraken heb gedaan.

Ik dank deze leden voor de oplettende wijze waarop zij mijn optreden in de Tweede Kamer hebben gevolgd en mij attent maken op een verspreking mijnerzijds. Vanzelfsprekend kan er geen misverstand over bestaan dat het Ctsv een ZBO is.

De leden van de CDA-fractie vragen om nog eens concreet de meerwaarde aan te geven van invoering per 1 maart a.s. en om dat af te wegen tegen de door deze fractie aangegeven knelpunten.

Deze leden vragen daarbij tevens aan te geven of intussen meer zicht is ontstaan in de gewenste oplossingen, zodat zij zich een oordeel kunnen vormen over de beoogde eindsituatie. Daarbij merken deze leden ook op het te betreuren dat nog geen duidelijkheid bestaat over de vormgeving van het opdrachtgever/opdrachtnemer model en de wijze waarop de scheiding tussen publiek en privaat verzekerd zal moeten worden.

Op basis van de hierna volgende argumenten hecht het kabinet aan inwerkingtreding van de OSV 1997 per 1 maart a.s.:

– in de Osv 1995 is, na amendering door de Tweede Kamer, de bestaansduur van het Tica beperkt tot een periode van twee jaar;

– het belang om voor alle betrokkenen bij de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen op de kortst mogelijke termijn een existentieel belang te creëren bij een op activering gerichte uitvoering;

– het feit dat het vanuit bestuurlijk oogpunt bezien niet wenselijk is dat de bedrijfsverenigingen nog langer functioneren in de wetenschap dat de wettelijke taak uiteindelijk zal verdwijnen;

– het belang dat de meer op de regio toegesneden uitvoering van de sociale verzekeringen op zo kort mogelijke termijn wordt gerealiseerd;

– het belang dat de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen de kans krijgt zich in haar definitieve organisatorische setting voor te bereiden op het aflopen van de bestaande contracten tussen de uitvoeringsinstellingen en (nu) de bedrijfsverenigingen en (vanaf 1 maart 1997) het Lisv. Met name het ontstaan van sectorraden en het vormen van sectoronderdelen in verband met het mogelijk sluiten van een uitvoeringscontract op dat niveau, zal de nodige tijd vergen.

De hiervoor genoemde argumenten zijn evenzovele argumenten tegen een latere invoeringsdatum dan 1 maart a.s.

Een bezwaar dat deze leden tegen de inwerkingtreding per 1 maart a.s. hebben, is dat de wetgever «bij lange na nog niet klaar is voor inwerkingtreding». Het kabinet is dat met deze leden niet eens. Uit de beantwoording – elders in de memorie van antwoord – van een vraag van de leden van de fractie van de VVD blijkt dat het zeer wel mogelijk is de voor inwerkingtreding van deze wet noodzakelijke lagere regelgeving tijdig gereed te hebben.

Deze leden zijn van mening dat inwerkingtreding van het wetsvoorstel niet verantwoord is als niet van meet af aan duidelijkheid bestaat over de gewenste eindsituatie als het gaat om de meer op de regio toegesneden uitvoering. Ik teken daarbij het volgende aan.

Op basis van het wetsvoorstel is volstrekt helder dat het zwaartepunt van de uitvoering van de werknemersverzekeringen verlegd moet worden van het sectorale naar het regionale niveau. Dit wetsvoorstel geeft daar de belangrijkste kaders voor aan. Het uitgangspunt is helder. Bij de nadere concretisering van dit uitgangspunt zal, voorzover die nog niet in dit wetsvoorstel is opgenomen, binnenkort een belangrijke stap vooruit kunnen worden gezet nadat het kabinet een standpunt heeft bepaald over het eindadvies van de Regiegroep SWI. Het kabinet acht het van groot belang dat ook los van SWI de regionale uitvoering van de werknemersverzekeringen op de kortst mogelijke termijn maximaal wordt gestimuleerd. Het is immers zo dat de regionalisering van de uitvoering een proces zal zijn dat de nodige tijd vergt. Met dit proces kan niet snel genoeg worden begonnen. Het gevaar dat nu stappen worden gezet die de regionalisering van de uitvoering van de werknemersverzekeringen in de toekomst zullen gaan belemmeren, acht het kabinet groter naarmate de inwerkingtreding van het wetsvoorstel langer wordt uitgesteld. Immers in dat geval blijf langer onduidelijkheid bestaan over de vraag of het zwaartepunt van de uitvoering wel daadwerkelijk zal moeten worden verlegd van de sectorale naar de regionale invalshoek.

Een ander knelpunt dat deze leden zien is dat nog zeer wezenlijke beslissingen moeten worden genomen met betrekking tot:

– de uiteindelijke vormgeving van het opdrachtgever/opdrachtnemermodel;

– de wijze waarop de scheiding tussen publiek en privaat verzekerd zal moeten worden;

– de ontwikkeling rond de sectorraden;

– de concrete invulling van de marktwerking en de positie van nieuwe toetreders.

Voor wat de betreft de vormgeving van het opdrachtgever/opdrachtnemermodel en de vraag hoe scheiding tussen publiek en privaat vanaf 2000 zal moeten worden gegarandeerd, is het inderdaad zo dat op dit punt nog wezenlijke beslissingen zullen moeten worden genomen. Het feit dat deze beslissingen nog niet zijn genomen staat echter geenszins de inwerkingtreding van de wetsvoorstel in de weg. Immers tot het jaar 2000 zal er sprake zijn van een overgangssituatie. De nu geldende overeenkomsten met betrekking tot de uitvoering van de werknemersverzekeringen gelden nog tot 2000. Tot aan 2000 zal er nog geen sprake zijn van werkelijke marktwerking in die zin dat het nog niet mogelijk is om van uitvoeringsinstelling te veranderen. Uiteraard zullen de uitvoeringsinstellingen de periode tot 2000 wel benutten om zich voor te bereiden op de periode daarna. De uitvoeringsinstellingen zijn zich als het ware aan het warmlopen en aan het kwalificeren voor de onder nadere condities vorm te geven marktwerking vanaf het jaar 2000. De voordelen daarvan zijn op onderdelen als klantgerichtheid en efficiency reeds zichtbaar. Deze voordelen zullen, naar het kabinet verwacht, in de periode tot aan 2000 nog toenemen.

Voorzover uitvoeringsinstellingen en eventuele nieuwe toetreders tot de sociale verzekeringsmarkt, in hun voorbereiding op de markt vanaf het jaar 2000 worden gehinderd door het feit dat op dit moment nog niet duidelijk kan worden aangegeven hoe deze markt er op dat moment precies zal uitzien, geldt dit nadeel voor allen in gelijke mate. Daardoor treedt er derhalve geen verstoring van de onderlinge concurrentie op.

De onderhandelingen over nieuwe overeenkomsten zullen in de loop van 1998 beginnen. Op dat moment zal duidelijk moeten zijn hoe het opdrachtgever/opdrachtnemermodel er vanaf 2000 precies uit zal zien en zal ook helder moeten zijn hoe de scheiding tussen publiek en privaat vanaf 2000 vorm zal worden gegeven. Meer helderheid dan ik in de nota naar aanleiding van het verslag heb gegeven (Kamerstukken 1996–1997, 24 877, nr. 6) kan ik daarover op dit moment niet geven. Dit houdt in dat het kabinet in de loop van 1998 zijn standpunt zal bepalen over de uiteindelijke vormgeving van het opdrachtgever/opdrachtnemermodel en over de wijze waarop de scheiding tussen publiek en privaat in dat model verzekerd moet worden.

Duidelijk is dat de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel en het feit dat de beoogde invoeringsdatum van dit wetsvoorstel 1 maart a.s. is, voor sociale partners in de sectoren aanleiding is geweest om de discussie over het al dan niet oprichten van sectorraden te starten en in een aantal gevallen reeds af te ronden. Op dit moment zijn reeds in een aantal gevallen adviesaanvragen omtrent de representativiteit van werkgevers- en werknemersorganisaties voor een bepaalde sector aan de SER voorgelegd. Het betreft adviesaanvragen voor de sectorenVisserij, Bakkerijen, Horecacatering dat wil zeggen de contractcatering, Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke belangen, de havenclassificeerders, d.w.z. scheepsonderhoud- en classificeerdersbedrijven en overig goederenvervoer te land en in de lucht, besloten busvervoer, taxi- en ambulancevervoer, openbaar vervoer en overig personenvervoer te land en in de lucht (voor deze sectoren bestaat de wens om één sectorraad te vormen). Voor een aantal andere sectoren zal dit zeer binnenkort gebeuren. Het betreft de volgende sectoren: de uitleenbedrijven, de grafische industrie, de bewakingsondernemeningen en de groothandel 1. Bij deze laatste sector gaat het om een nieuw gevormde risicogroep binnen de bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen.

Naar verwachting van het kabinet zal ook het feit dat het Tica helderheid heeft verstrekt over de financiering van de sectorraden in de toekomst, een belangrijke stimulans zijn om de besluitvorming omtrent het al dan niet vormen van sectorraden, af te ronden. Bij het voorgaande moet bedacht worden dat een definitieve regeling met betrekking tot de financiering van de sectorraden door het Lisv getroffen zal moeten worden. Ondanks dat het kabinet de vorming van sectorraden toejuicht omdat dit kan bijdragen aan het tot stand komen van concurrentie en een effectiever, een meer op de wensen van cliënten (werkgevers en werknemers) toegesneden uitvoering van de werknemersverzekeringen, hecht het kabinet er ook aan te benadrukken dat de vorming van sectorraden geen voorwaarde is voor de werking van het in het wetsvoorstel vastgelegde systeem, omdat dit niet afhankelijk is van de advisering door sectorraden.

De positie van nieuwe toetreders tot de sociale verzekeringsmarkt is dat voor hen dezelfde voorwaarden zullen gelden als voor de uitvoeringsinstellingen die reeds op dit moment op deze markt functioneren. Ook aan hen zal het Lisv verplicht offerte moeten vragen voor de uitvoering van de sociale verzekeringswetten voor de onderscheiden sectoren. Uiteraard gelden voor toetreders op deze markt ook de specifieke nadelen, maar wellicht ook voordelen die inherent zijn aan het zetten van de eerste schreden op welke markt dan ook. Het ligt niet op de weg van het kabinet om, anders dan door het aan iedereen stellen van gelijke voorwaarden voor het functioneren op de sociale verzekeringsmarkt, de toetreding tot deze markt zelf daadwerkelijk te bevorderen. Nieuwe toetreders tot de sociale verzekeringsmarkt zullen terzake hun eigen afweging moeten maken.

Het kabinet is er op basis van het voorgaande van overtuigd dat het op zo kort mogelijke termijn in werking treden van dit wetsvoorstel bijdraagt aan de verwezenlijking van de in dit wetsvoorstel opgenomen doelstellingen en dat deze daardoor zeker niet in de waagschaal worden gesteld. Daarbij komt dat mij geen signalen bereikt hebben die aan invoering per 1 maart a.s. in de weg staan, anders dan die bij de discussie daaromtrent in de Tweede Kamer aan de orde zijn geweest.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de samenwerkingsafspraken tussen de SVb en de arbeidsvoorzieningsorganisatie moeten luiden, en wat de kansen op de arbeidsmarkt voor de betrokken groep nabestaanden zijn.

Hoever de afspraken zich feitelijk dienen uit te strekken, is één van de punten waarover nadere besluitvorming plaats dient te hebben. Het ligt om allerlei redenen voor de hand de samenwerking te beginnen met die groepen nabestaanden waarvan met zekerheid gesteld kan worden dat zij hun uitkeringsrecht op afzienbare termijn zullen verliezen (omdat hun jongste kind 18 jaar wordt of omdat zij niet meer arbeidsongeschikt zijn). Deze nabestaanden komen zonder meer in aanmerking voor de basisdienstverlening van de Arbeidsvoorziening. Het belang van de samenwerking ligt er primair in dat de nabestaanden gestimuleerd worden zich zo vroeg mogelijk de consequenties te realiseren van het beëindigen van hun uitkeringsrecht, en zich te oriënteren op de arbeidsmarkt. Het kabinet is ervan overtuigd dat dit primaire doel door de SVb en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gerealiseerd zal worden. Het ligt voor de hand dat een meer gedetailleerde uitwerking ook meer tijd zal vergen. Wat precies de kansen op de arbeidsmarkt zijn voor deze groep, hangt af van hun opleiding en ervaring. Uiteraard kan de Arbeidsvoorziening hierin een belangrijke faciliërende rol spelen.

In verband met de mogelijkheid tot het verrichten van andere taken door de SVb vragen de leden van de CDA-fractie of alle aan publieke regelingen gelieerde regelingen zouden mogen worden uitgevoerd.

Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, zal bij het toetsingskader andere taken voor de SVb hetzelfde uitgangspunt worden gehanteerd als bij het toetsingskader voor de uitvoeringsinstellingen. Het gaat dan inderdaad om regelingen die nauw verwant zijn met de uitvoering van de wettelijke taken. Er is echter een belangrijke randvoorwaarde gesteld in de zin dat concurrentievervalsing moet worden voorkomen. In het toetsingskader andere taken voor de uitvoeringsinstellingen is daarom bepaald dat regelingen die een verzekering inhouden voor het risico van loondoorbetaling bij ziekte, niet door de uitvoeringsinstellingen mogen worden uitgevoerd. Dezelfde randvoorwaarde zal gelden bij het toetsingskader voor de SVb. Dit heeft tot gevolg dat zeker niet alle aan de wettelijke regelingen gelieerde werkzaamheden door de SVb mogen worden verricht.

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is aan de orde gekomen in hoeverre marktwerking bij de SVb mogelijk zou zijn. De leden van de CDA-fractie hebben zich verwonderd over de discussie en vragen zich af of een nog goedkopere uitvoering dan nu het geval is, mogelijk is.

In de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat niet bij voorbaat gezegd kan worden dat elementen van marktwerking in de uitvoering van de volksverzekeringen onmogelijk zouden zijn. Alvorens een dergelijke uitspraak te kunnen doen, zal dat nader bekeken moeten worden. Ik heb voorts toegezegd mijn bevindingen aan de Kamer toe te zenden. Deze notitie zal echter nog niet beschikbaar kunnen zijn op het vermoedelijke moment van de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel. Ik wil benadrukken dat de discussie over eventuele marktwerking bij de uitvoering van de volksverzekering zeker geen rol speelt bij de discussie over dit wetsvoorstel.

Verder wil ik herhalen wat ik al in de Tweede Kamer heb gezegd, namelijk dat de achterliggende gedachte niet is dat getwijfeld wordt aan het goed functioneren van de SVb. De vraag is wel in hoeverre elementen van marktwerking, waarvan het kabinet meent dat deze bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen kunnen leiden tot efficiencyverbetering, ook aan de orde kunnen zijn bij de uitvoering van de volksverzekeringen.

De leden van de fractie van het CDA vragen in hoeverre het Lisv de verantwoordelijkheid zal kunnen waarmaken als het gaat om de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden.

Met de leden van de CDA-fractie is het kabinet van mening dat één van de belangrijkste opdrachten van het Lisv in de komende jaren zal zijn om de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden op een zo effectief mogelijke wijze vorm te geven. Het is de taak van de wetgever om het Lisv daarbij te voorzien van zo goed mogelijke instrumenten. Een voorstel voor de Wet op de reïntegratie, waaraan het kabinet op dit moment werkt, moet leiden tot een aanzienlijke verbetering van het instrumentarium dat het Lisv (en de uitvoeringsinstellingen) ter beschikking staat. De beoogde inwerkingtreding van de Pemba-voorstellen zal voor de werkgever een forse stimulans zijn om zich optimaal in te spannen voor de reïntegratie van een werknemer die aangewezen dreigt te raken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten slotte zal de vormgeving van de samenwerking in regio tussen de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten leiden tot een verbetering van de uitvoering van het reïntegratiebeleid. Kortom, in de komende periode zal een forse stimulans worden gegeven aan de mogelijkheden om de reïntegratie van werknemers die arbeidsongeschikt of werkloos zijn of dreigen te worden, daadwerkelijk te realiseren.

Vastgesteld moet echter ook worden dat een essentiële voorwaarde voor de mogelijkheid van reïntegratie is dat er voldoende ruimte op de arbeidsmarkt is. Het kabinetsbeleid zal ook daarop gericht blijven. Zonder voldoende ruimte op de arbeidsmarkt zijn er – ook met een goed instrumentarium – onvoldoende mogelijkheden om tot een succesvol reïntegratiebeleid te komen.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de verplichte samenwerking rond SWI zich verdraagt met de beoogde marktwerking. Ook de leden van de fracties van GroenLinks, het GPV, de SGP en de RPF vragen naar de verhouding tussen concurrentie en samenwerking. De leden van de GroenLinks-fractie stellen in dit verband de vraag of de 1-loketgedachte volledig is losgelaten.

Zowel samenwerking als marktwerking zijn geen doel op zich, maar slechts middelen om andere doelen, zoals een rechtmatige en doelmatige uitvoering, een optimaal reïntegratie-beleid enz. te bereiken. De middelen waarmee deze doelstellingen bereikt worden, zijn op zichzelf ondergeschikt aan de te bereiken doelen. In dit wetsvoorstel zijn beide middelen opgenomen om de beoogde doelstellingen te bereiken. De uitdaging voor de komende periode is om de aanwending van beide middelen zodanig vorm te geven dat zij elkaar niet tegenwerken, maar gecombineerd kunnen worden en zo mogelijk elkaar versterken. Belangrijke afwegingen hieromtrent zullen moeten plaatsvinden bij de discussie over SWI en de vormgeving van het opdrachtgever/opdrachtnemermodel. Het is voor het kabinet nu niet mogelijk om op de dan te maken afwegingen vooruit te lopen. Bij het voorgaande moet bedacht worden dat uitvoeringsinstellingen concurreren om opdrachten van het Lisv en niet om uitkeringsgerechtigden. Binnen de wettelijke kaders bepaalt het Lisv hoe er moet worden samengewerkt. Deze regels zullen voor alle uitvoeringsinstellingen hetzelfde zijn.

In het kader van de discussie over SWI zal ook de 1-loketgedachte of eventuele alternatieven daarvoor aan de orde komen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de Regiegroep SWI inmiddels al heeft geadviseerd en of er ook al zicht is op de juridische consequenties van de samenwerking tussen instellingen met een verschillende juridische structuur.

Onlangs heb ik u het concept-advies van de Regiegroep toegestuurd. Dit concept-advies wordt in februari besproken in de drie besturen, te weten het Tica, het CBA en de VNG. Begin maart zal de Regiegroep het definitieve advies aanbieden.

Vooralsnog lijkt het feit dat de betrokken instellingen een verschillende juridische structuur hebben, niet aan een verdere ontwikkeling van de samenwerking in de weg te staan. Zonodig zal aan dit onderwerp in het kabinetsstandpunt, dat kort na het beschikbaar komen van het definitieve advies zal worden uitgebracht, aandacht worden besteed.

De leden van de CDA-fractie vinden het vreemd dat bij overlap van taken aan de inzet van de diverse financiële middelen in het kader van het SWI-traject aandacht zal moeten worden besteed en vragen aan welke specifieke maatregelen gedacht moet worden.

In de veranderingsopdracht van de Regiegroep was gevraagd om aandacht te besteden aan de invoering van financiële prikkels in het verkeer tussen de partijen. Uit het prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt het grootste deel van de bemiddelingsactiviteiten bekostigd. Daarnaast kunnen de sociale diensten en de bedrijfsverenigingenactiviteiten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie inkopen. De vraag was of dit problemen voor de samenwerking mee zou brengen.

De Regiegroep is van mening dat het goed mogelijk is samenwerking en opdrachtverlening met elkaar te verzoenen, zelfs te versterken. Samenwerking en opdrachtverlening heeft als doel een efficiënte en effectieve allocatie van schaarse publieke middelen. Door coördinatie en afstemming kan een maximaal rendement worden bereikt. Daarvoor moet wel duidelijk zijn wie welke instrumenten en budgetten tot zijn beschikking heeft en wat de daarop gebaseerde verwachtingspatronen zijn. In het concept-advies doet de Regiegroep een aantal aanbevelingen over de middelencoördinatie.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris nog eens in kan gaan op de samenhang tussen SWI en OSV 1997, SWI en de ontwikkeling bij Arbvo, waaronder de redelijk exclusieve samenwerking met Start en Vedior/A.S.B. en de problemen rond de ABW.

In het Regeerakkoord is afgesproken dat ten behoeve van de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt de samenwerking tussen de uitkeringsorganen (bedrijfsverenigingen en straks Lisv en de sociale diensten) en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verbeterd dient te worden. Daartoe heeft de Regiegroep de opdracht gekregen om te adviseren over de vormgeving van de samenwerking. Daarnaast zijn in de drie wetten (Arbeidsvoorzieningswet 1996, ABW en de OSV 1997) bepalingen opgenomen om de samenwerking te verbeteren. Zo heeft het Lisv expliciet de opdracht gekregen om uitkeringsgerechtigden te reïntegreren. Verder is in alle drie de wetten de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur een aantal aspecten van de samenwerking dwingend voor te schrijven. Het kabinet zal na het verschijnen van het definitieve advies van de Regiegroep een besluit nemen over de aspecten die dwingend worden voorgeschreven.

De uitkomsten van het SWI-traject zullen dus op basis van onder andere de OSV 1997 worden geïmplementeerd.

De samenwerking van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met Start en Vedior/ASB kan gezien worden als een instrument om meer werklozen aan (tijdelijk) werk te helpen en is daarmee ook een instrument dat door de drie samenwerkingspartners gebruikt kan worden.

Ik neem aan dat met de vraag over de samenhang tussen SWI en de problemen rond de ABW gedoeld wordt op de eventuele invoeringsproblemen van de SWI-aanbevelingen bij de gemeenten.

De Regiegroep vraagt in zijn concept-advies ook aandacht voor het implementatietraject. De Regiegroep heeft geconstateerd dat alle betrokken partijen recentelijk te maken hebben gehad met majeure veranderingen, zowel in wetgeving als in financiering. Dit blijkt zijn effect gehad te hebben op de daadwerkelijke uitvoering van de samenwerkingsplannen. Die loopt behoorlijk achter bij de gemaakte plannen.

De Regiegroep adviseert dan ook om voor het implementatietraject de nodige tijd te nemen en stelt voor als streefdatum voor de voltooiing van het implementatieproces het jaar 2000 te nemen.

In het kabinetsstandpunt zal aan dit aspect aandacht worden besteed.

De leden van de CDA-fractie verzoeken onmiddellijk te worden geïnformeerd zodra het Lisv de criteria voor de erkenning van sectorraden vaststelt.

Het kabinet is graag bereid om de criteria voor erkenning van de sectorraden, die het Lisv – naar het kabinet aanneemt – in één van haar eerste vergaderingen zal vaststellen, aan de Staten-Generaal toe te sturen. Het kabinet gaat er daarbij overigens vanuit dat deze criteria in zullen aansluiten bij de in artikel 56 OSV 1997 opgenomen criteria.

De leden van de CDA-fractie vragen of het Lisv wel voldoende is toegerust om de rol van opdrachtgever op zich te nemen, of zullen de sectorraden dat moeten doen?

Het Tica en de bedrijfsverenigingen zijn zich op dit moment intensief aan het voorbereiden op de gewijzigde verhoudingen die bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen ontstaan. Onderdeel daarvan is het feit dat het Lisv de rol van opdrachtgever van de bedrijfsverenigingen overneemt. In de projectgroep Implementatie OSV 1997, waarin, naast vertegenwoordigers van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ook het Tica, de bedrijfsverenigingen, de uitvoeringsinstellingen en het Ctsv vertegenwoordigd zijn, is expliciet de vraag aan de orde geweest of het Lisv tijdig klaar is om de wettelijke taak, waaronder die van opdrachtgever, adequaat te vervullen. In de projectgroep is deze vraag door de vertegenwoordiger van het Tica, die primair belast is met de voorbereidende werkzaamheden voor het Lisv, bevestigend beantwoord. Uiteraard is bij de verdere vormgeving van het apparaat van het Lisv, als het om de opdrachtverlening gaat, van belang in welke mate sectorraden tot stand zullen komen en welke concrete afspraken op het punt van de met de opdrachtverlening samenhangende werkzaamheden tussen de onderscheiden sectorraden en het Lisv gemaakt zullen worden.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het feit dat het Lisv de concurrentie tussen de uitvoeringsinstellingen moet bevorderen, niet tot spanningen zal leiden tussen het Lisv en het Ctsv.

Het kabinet deelt de vrees van deze leden niet. De bevordering van concurrentie tussen de uitvoeringsinstellingen is een wettelijke taak van het Lisv en de uitvoering daarvan zal niet tot spanningen met het Ctsv kunnen leiden, mits het Lisv deze taak op een recht- en doelmatige wijze uitoefent.

De leden van de fractie van het CDA vragen of ik wil en kan voorkomen dat de geïntegreerde, individuele gevalsbehandeling onder druk komt te staan als gevolg van de marktwerking.

Marktwerking is een middel om te komen tot een uitvoeringsorganisatie die beter en efficiënter functioneert. Daarvan is uiteraard uitsluitend sprake als voldaan wordt aan de voorwaarden die gesteld moeten worden aan een recht- en doelmatige uitvoering van de sociale verzekeringswetten. De marktwerking is niet gericht op het realiseren van een zo goedkoop mogelijke uitvoering, maar op een optimale prijs/kwaliteitsverhouding. Onderdeel van de kwaliteit die de uitvoeringsinstellingen ten minste zullen moeten leveren, is een recht- en doelmatige uitvoering van de werknemersverzekeringen. Het Ctsv ziet daarop toe en zal het Lisv daar als verantwoordelijke partij zonodig op aanspreken. Op basis van het voorgaande is – ook in een systeem van marktwerking – de kwaliteit van de gevalsbehandeling voldoende gegarandeerd.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het wel mogelijk is dat nieuwe toetreders tot de sociale verzekeringsmarkt toetreden op basis van de eisen die aan de erkenning van een uitvoeringsinstelling gesteld zullen worden.

Het kabinet gaat ervan uit dat deze leden doelen op de situatie waarin naast formele erkenningscriteria, die op dit moment al gelden, ook kwalitatieve eisen zullen worden gesteld aan de organisatie die wil toetreden tot de sociale verzekeringsmarkt. Dit zal gebeuren door middel van enigerlei vorm van certificering. Deze certificering zal naar het oordeel van het kabinet ook mogelijk moeten zijn in het geval dat een nieuwe toetreder tot de markt door middel van bijvoorbeeld een uitgewerkt ondernemingsplan in voldoende mate aannemelijk kan maken daadwerkelijk een organisatie te kunnen inrichten waarin de voorwaarden gecreëerd zijn voor een recht- en doelmatige uitvoering van de werknemersverzekeringen. Met deze leden is het kabinet van mening dat het stellen van kwalitatieve eisen aan de erkenning niet tot gevolg mag hebben dat in de praktijk sprake zal zijn van een gesloten markt.

De fractieleden van het CDA vragen of het met dit wetsvoorstel beoogde beleid ten dele is mislukt als er, ondanks dat er sprake is van een open markt, geen of slechts een beperkt aantal nieuwe toetreders tot de markt toetreedt. Deze leden vragen zich voorts af of de veronderstelling juist is dat met de invoering van dit wetsvoorstel de marktwerking in feite ten grave wordt gedragen.

De leden van de PvdA en van de SP-fractie vragen hoe reëel het is dat nieuwe toetreders tot de markt zullen toetreden.

De leden van de fracties het GPV, de SGP en de RPF stellen de vraag of het reëel is om te veronderstellen dat blijvend zodanige concurrentie zal ontstaan dat de doelmatigheid wordt bevorderd.

De vraag of er marktwerking zal ontstaan is niet uitsluitend afhankelijk van het feit of er nieuwe toetreders op de sociale verzekeringsmarkt zullen verschijnen. Het ontstaan van marktwerking is mede afhankelijk van een aantal andere factoren zoals bijvoorbeeld:

– hoe ontwikkelt het Lisv zich in de rol van opdrachtgever;

– in welke mate ontstaan er sectorraden;

– wat is de rol van de sectorraden in de praktijk;

– in welke mate bestaat er daadwerkelijk behoefte aan sectorspecifieke uitvoering van de werknemersverzekeringen;

– in welke mate komen er binnen de sectoren sectoronderdelen tot stand met als doel dat voor die sectoronderdelen speciale uitvoeringsovereenkomsten tussen het Lisv en uitvoeringsinstellingen tot stand komen;

– welke ondergrens zal het Lisv hanteren voor het vormen van sectoronderdelen;

– op welke wijze vult het Lisv de wettelijke taak in om de concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen te bevorderen.

– in welke mate wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om van uitvoeringsinstelling te veranderen.

Op basis van het voorgaande kan zeker niet worden gesteld dat marktwerking als middel niet zal werken als er geen nieuwe toetreders op de sociale verzekeringsmarkt verschijnen. Naar de opvatting van het kabinet kan marktwerking de beoogde effecten ook hebben als het aantal deelnemers op de sociale verzekeringsmarkt beperkt blijft tot de nu functionerende uitvoeringsinstellingen. Het kabinet is dan ook van mening dat al helemaal niet gesteld kan worden dat de marktwerking met dit wetsvoorstel ten grave wordt gedragen; in tegendeel, de marktwerking als middel om tot een betere en meer efficiënte uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt door dit wetsvoorstel bevorderd. Met als gevolg dat de doelmatigheid van de uitvoering blijvend wordt bevorderd.

Het kabinet acht het zeker niet uitgesloten dat er nieuwe toetreders op de markt zullen komen. Uiteraard is het zo dat deze nieuwe toetreders niet de kennis en ervaring hebben op het terrein van de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Naast een nadeel kan het als voordeel hebben dat zij zonder last van het verleden met geheel nieuwe inzichten een uitvoeringsorganisatie kunnen opzetten. Het kabinet realiseert zich wel dat bij de overweging om al dan niet tot de sociale verzekeringsmarkt toe te treden, de uiteindelijke vormgeving van het opdrachtgever/opdrachtnemermodel, alsmede de wijze waarop de scheiding tussen publiek en privaat gegarandeerd zal moeten worden, van invloed zullen zijn. Het kabinet zal derhalve bij de vormgeving van de nadere voorstellen met dit aspect nadrukkelijk rekening houden.

De leden van de fractie van het CDA vragen om concreet aan te geven dat het voorgestane toezichtsmodel voor alle betrokkenen helder en bruikbaar is.

De helderheid en bruikbaarheid van het toezichtsmodel kan het best geschetst worden door in het kort aan te geven wat de rol van alle betrokkenen is binnen het toezichtsmodel.

Kern van het toezichtsmodel is dat de taak van het Ctsv nadrukkelijk beperkt is tot het houden van toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de sociale verzekeringswetten door het Lisv, de SVb en de uitvoeringsinstellingen. De bevoegdheden van het Ctsv kunnen en mogen uitsluitend in dat kader worden gebruikt. Het Ctsv treedt nadrukkelijk niet in de beleidsvrijheid die door de regelgever is toegekend aan het Lisv en de SVb anders dan door te toetsen aan de normen die voortvloeien uit de recht- en doelmatige uitvoering van de sociale verzekeringswetten. Het uitgangspunt is dat het toezicht dat het Ctsv uitoefent, repressief is. Preventief toezicht vindt uitsluitend plaats als dat niet te vermijden is.

Het Lisv, de SVb, de uitvoeringsinstellingen en de sectorraden verstrekken aan het Ctsv kosteloos alle gegevens en inlichtingen die het Ctsv nodig acht voor de uitoefening van zijn taak. Het Ctsv heeft ten opzichte van de hiervoor genoemde instellingen ook het recht op inzage in alle gegevens die hij noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn taak.

Het Lisv, de SVb en de uitvoeringsinstellingen verstrekken naast de jaarrekening en het jaarverslag jaarlijks aan het Ctsv een verklaring omtrent de rechtmatigheid van de uitgaven en ontvangsten van het afgelopen jaar en een rapportage over de doelmatigheid van de uitvoering.

De Minister houdt toezicht op het Ctsv en kan het Ctsv desgewenst een aanwijzing van algemene aard geven betreffende de uitoefening van zijn taken. Het Ctsv verstrekt jaarlijks aan de Minister, naast de jaarrekeningen en de jaarverslagen van het Lisv, de SVb en de uitvoeringsinstellingen, een verklaring omtrent de uitgaven en ontvangsten van het afgelopen jaar verbijzonderd naar wet en een verklaring over de doelmatigheid van de uitvoering. Ook de jaarrekening, het jaarverslag, de verklaring omtrent de rechtmatigheid van uitgaven en ontvangsten en de verklaring over de doelmatigheid van de uitvoering door het Ctsv zelf, stelt het Ctsv beschikbaar aan de Minister. De Minister verstrekt de hiervoor genoemde, van het Ctsv ontvangen informatie – voorzien van zijn oordeel – aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

De Minister kan de aanwijzingsbevoegdheid ten opzichte van het Ctsv gebruiken als het Ctsv zelf niet recht- en of doelmatig functioneert, of geen of in onvoldoende mate toezicht houdt op de rechtmatige en of doelmatige uitvoering door het Lisv en de SVb.

De algemene aanwijzingsbevoegdheid van de Minister kan niet gebruikt worden om via het Ctsv invloed uit te oefenen op de wijze waarop het Lisv en de SVb de aan hen toegekende discretionaire bevoegdheden gebruiken, tenzij deze discretionaire bevoegdheid wordt gebruikt op een wijze die niet in overeenstemming is met de recht- en doelmatige uitvoering van de sociale verzekeringswetten. De Minister kan wel invloed uitoefenen op de wijze waarop het Lisv en de SVb de aan hen toegekende discretionaire bevoegdheden gebruiken door het voeren van overleg over bijvoorbeeld de plannen van werkzaamheden. De Minister kan ook invloed uitoefenen door het aanpassen van de wet- en regelgeving.

De beide Kamers der Staten-Generaal kunnen zich, aan de hand van de van de Minister ontvangen informatie omtrent de uitvoering van sociale verzekeringen, een oordeel vormen over deze uitvoering en daar desgewenst over in overleg treden met de Minister.

De leden van de fractie van het CDA zijn van mening dat het nu blijven werken met een scheiding van publiek-privaat binnen de holding betekent dat het model om de scheiding tussen publiek en privaat tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te leggen, niet meer haalbaar zou zijn.

In tegenstelling tot de leden van de CDA-fractie ben ik van oordeel dat het terrein van de uitvoeringsorganisatie op een aantal fronten nog in ontwikkeling is. Dit maakt het niet mogelijk nu al uitspraken te doen over de beoogde eindsituatie. Zo is in ieder geval de nadere uitwerking van SWI van belang bij de uiteindelijke vormgeving. Verder moet bedacht worden dat een aantal processen in de uitvoering, zoals de scheiding tussen beleid en uitvoering, het onderhandelen over prijzen en producten, de scheiding tussen publiek en privaat binnen de holding, nog maar kort in gang zijn gezet. De ervaringen die hiermee in de komende tijd zullen worden opgedaan, zullen betrokken worden bij de definitieve besluitvorming. Ik ben van mening dat de huidige (overgangs)situatie geen onomkeerbare situatie is, die een eventuele beslissing om de scheiding tussen publiek en privaat op het niveau van de opdrachtgever en opdrachtnemer te leggen, op voorhand al onmogelijk maakt.

De leden van de CDA-fractie geven aan met het kabinet van mening te verschillen over de vraag of de scheiding tussen publiek en privaat voldoende gewaarborgd is en dat de uitwerking ervan niet duidelijk is. Zij verwijzen naar de besluitvorming van het Ctsv ten aanzien van de premieheffing bij het SFB.

Over dit laatste onderwerp wil ik het volgende opmerken. In november 1995 is het toetsingskader andere taken vastgesteld. Met het oog op de scheiding tussen publiek en privaat kende dit kader slechts beperkt de mogelijkheid tot het verrichten van andere taken. De toenmalige staatssecretaris heeft de betrokken partijen uitgenodigd aan te geven op welke onderdelen het toetsingskader grote problemen zou geven. Één van die onderwerpen betrof de gecombineerde premieheffing. Het splitsen ervan zou leiden tot een aanzienlijke financiële en administratieve lastenverzwaring voor de bedrijfstak. Met de brief van 25 juni 1996 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1995/96 24 215 nr. 11) is aangegeven dat het toetsingskader aangepast zal worden in die zin dat in ieder geval tot het jaar 2000 de gecombineerde premieheffing binnen de uitvoeringsinstelling is toegestaan. Verder is in deze brief gesteld dat de kerntaken van de uitvoeringsinstelling (waaronder premieheffing) in beginsel niet uitbesteed kunnen worden. Omdat de gecombineerde premieheffing in eerste instantie niet door de uitvoeringsinstelling mocht gebeuren, heeft het Ctsv aan het SFB kenbaar gemaakt in beginsel te kunnen instemmen met uitbesteding, echter onder de voorwaarde dat, wanneer de minister overgaat tot een ruimer beleid ten aanzien van het verrichten van andere taken door de uitvoeringsinstelling, de uitbesteding teruggedraaid dient te worden. Nu dat beleid inderdaad is verruimd, is het logisch gevolg dat het Ctsv het SFB geen toestemming heeft gegeven tot uitbesteding.

De leden van de fractie van het CDA vragen te reageren op de negende en tiende aanbeveling van het interim-bestuur van het Ctsv.

Het kabinet komt gaarne tegemoet aan dit verzoek van deze leden. De negende aanbeveling van het Ctsv om een gezaghebbende buitenstaander uniformering van begrippen en procedures in de materiewetten te laten realiseren ten behoeve van de regionale samenwerking en een doelmatige uitvoering, spreekt het kabinet op dit moment niet aan. De Regiegroep SWI werkt op dit moment aan een advies over de regionale samenwerking tussen de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten. In het kader van dit advies zullen onder andere aanbevelingen worden gedaan over de uniformering van procedures. Het nu inschakelen van een gezaghebbende buitenstaander naast de Regiegroep SWI om tot een uniformering van begrippen en procedures te komen met het oog op de regionale samenwerking, is naar het oordeel van het kabinet contraproductief.

De aanbeveling van het interim-bestuur voorzover het de doelmatigheid betreft, spreekt het kabinet ook niet aan, omdat het kabinet voornemens is de komende periode zelf te inventariseren welke mogelijkheden bestaan om normen te stellen waaraan een efficiënte uitvoering moet voldoen.

De tiende aanbeveling van het Ctsv om het toezicht op de uitvoering van de ABW en eventueel de Arbeidsvoorzieningswet over te hevelen naar het Ctsv, gaat naar het oordeel van het kabinet het bestek van dit wetsvoorstel te buiten en is op dit moment derhalve niet opportuun. Uiteraard zal in het kader van toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen, de ABW en de Arbeidsvoorzieningswet de nodige afstemming tussen de bestaande toezichthouders moeten plaatsvinden.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom gekozen is voor een constructie waarbij de uitvoeringsinstelling deel uit mag maken van een holding.

Het kabinet heeft, alvorens de wens van de toenmalige uitvoeringsorganisaties om een holding op te richten te honoreren, uitdrukkelijk de voor- en nadelen van de holding-constructie afgewogen. In de brief van 15 juni 1995 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (kamerstukken II, 1994/95, 24 215 nr. 2) en in de toelichting op het wetsvoorstel ontvlechting (Kamerstukken II, 1995/96 24 789 nr. 3) is het kabinet nader ingegaan op de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld.

Onder andere was van belang dat de holding een oplossing kan bieden voor het probleem van overtollig personeel waarmee de uitvoeringsinstellingen kampen. Daarnaast speelde een rol dat alle op 1 januari 1995 tijdelijk erkende uitvoeringsinstellingen onderdeel uitmaakten van een conglomeraat van organisaties, die werkzaamheden verrichtten in de sfeer van collectieve regelingen (zoals vut- en pensioenregelingen), arbodienstverlening etc. De ontvlechting van de bedrijfsverenigingen van de uitvoeringsinstellingen kon alleen snel en op basis van consensus gerealiseerd worden als onder strikte voorwaarden werd toegestaan dat de uitvoeringsinstellingen onderdeel van een holding mochten blijven uitmaken.

Deze leden zijn voorts van mening dat de scheiding tussen de A- en de B-poot onvoldoende garanties biedt, mede omdat geen nadere omschrijving is gegeven van de activiteiten die in de B-poot mogen worden verricht. Waarom, zo vragen zij, is niet gekozen voor het model zoals vastgelegd in het Besluit Beheer Sociale Huursector.

Hoewel in de erkenningscriteria geen limitatieve opsomming van de activiteiten is gegeven, is er wel degelijk een beperking aangebracht. Immers, alleen activiteiten die verwant zijn aan (sociale) verzekeringen zijn toegestaan. Hierbij kan gedacht wordt aan arbodiensten, uitvoering van vut- en pensioenfondsen en overige cao-regelingen, assurantiebemiddeling, administratieve dienstverlening voor derden, bijv. een gemeente etc. Ik ben overigens van mening dat de scheiding tussen de publieke en private middelen en taken niet zozeer bepaald wordt door de aard van de activiteiten in het private deel van de holding, als wel door de organisatorische en juridische voorzieningen die zijn getroffen om te waarborgen dat de administraties en geldstromen van de publieke taken gescheiden zijn van de private taken. In dat opzicht is het kabinet van oordeel dat de erkenningscriteria, het toetsingskader andere taken en het beleid inzake uitbesteding voldoende waarborgen bieden.

Voorts is het zo dat een uitvoeringsinstelling wel onderdeel kan zijn van een holding, maar de uitvoeringsinstelling zelf heeft op grond van de erkenningscriteria uitdrukkelijk niet tot het doel het deelnemen of investeren in andere vennootschappen, het deelnemen aan joint-ventures of het garant staan of zekerheid stellen ten behoeve van derden. In dat opzicht bestaat dus een verschil met de door deze leden aangehaalde corporaties die op grond van het Besluit Beheer Sociale Huursector wel mogen deelnemen in andere rechtspersonen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of een uitvoeringsinstelling een winstoogmerk kan hebben. En zo nee, wat is dan de incentive voor concurrentie tussen de uitvoeringsinstellingen.

Het uitgangspunt bij dit wetsvoorstel is dat de uitvoeringsinstellingen worden geprikkeld zo efficiënt mogelijk te werken om de marktpositie ten opzichte van de concurrenten te behouden of te verstevigen. Het belang van de uitvoeringsinstellingen ligt in het voortbestaan van hun organisatie. De concurrentieprikkels worden geconcretiseerd via de contractonderhandelingen tussen het Lisv enerzijds en de uitvoeringsinstellingen anderzijds. Deze onderhandelingen leiden uiteindelijk tot overeenkomsten waarin afspraken worden neergelegd over de door de uitvoeringsinstellingen uit te voeren taken tegen de uitonderhandelde prijzen. Het is niet uitgesloten dat een uitvoeringsinstelling erin slaagt om goedkoper te werken en op deze manier batig saldo te realiseren. Dit batig saldo kan worden aangewend voor de vorming van reserves binnen de uitvoeringsinstelling om risico's op te vangen die de bedrijfsvoering meebrengt.

Tevens vragen deze leden of het Lisv kan voorkomen dat er prijsafspraken tussen de uitvoeringsinstellingen worden gemaakt.

In dit verband is het van belang dat zowel bij de opdrachtgever (het Lisv), als bij de toezichthouder (het Ctsv) inzicht in de kostprijzen ontstaat. Omdat pas vanaf 1996 de uitvoeringskosten op basis van een product- en prijsbegroting worden vergoed, ontbreekt in de eerste jaren het volledige inzicht in de prijsopbouw. Daarom is voor deze periode gekozen voor een systeem van budgettering waarbij nacalculatie-elementen nog een rol spelen, om de controle van het Lisv en het Ctsv op de feitelijke uitgaven zo groot mogelijk te doen zijn. Na deze periode wil het kabinet zo snel mogelijk toe naar een situatie van vrije prijsvorming.

Gezien de inspanningen die op dit terrein door zowel het Tica als het Ctsv worden verricht, ben ik ervan overtuigd dat dit inzicht sterk zal verbeteren. Zeker voor de verdere introductie van de marktwerking (nieuwe contracten per 1 januari 2000) zal het Lisv in staat zijn om een bewuste keuze te maken uit de offertes die de verschillende uitvoeringsinstellingen per sector/onderdeel zullen aanbieden.

Het Lisv zal het Ctsv informeren over de inhoud van de conceptovereenkomsten. Het Ctsv kan zich vervolgens een beeld vormen van de totale uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstellingen. Indien het Ctsv tot het oordeel komt dat de totale omvang van de uitvoeringskosten in strijd is met die eisen van doelmatigheid, zal het Ctsv de minister en het Lisv in kennis te stellen van zijn oordeel. Het Lisv zal de onderhandelingen met de uitvoeringsinstellingen moeten heropenen – al dan niet na een aanwijzing door het Ctsv – om de uitvoeringskosten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Het Ctsv heeft inmiddels een eerste onderzoek gehouden naar de stand van zaken van de kostprijsmethodieken die de uitvoeringsinstellingen hanteren. Uit deze eerste rapportage blijkt dat de uitvoeringsinstellingen een aanvang hebben gemaakt met het opzetten en implementeren van outputgerichte kostprijsmethodieken.

Bij de contractafspraken zie ik niet het, door de leden van de PvdA-fractie genoemde, gevaar van mogelijke belangenverstrengeling, waarbij de sectorraden private belangen (via de B-poot van de holding) voorrang zouden verlenen boven publieke belangen. Hierbij is vooral van belang dat het Lisv de formele opdrachtgever is en het advies van de sectorraad niet hoeft over te nemen. Daarnaast zal ook bij de sectorraad een optimale uitvoering van de werknemersverzekeringen prevaleren.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat binnen de holdings verschillende producten worden ontwikkeld. Zij vragen zich of dit niet concurrentieverstorend werkt. Zij vrezen dat ondanks de formele scheiding tussen publieke en private taken in de praktijk de één-pakket-functie de onderhandelingen over de publieke taken zal vertroebelen. De leden van de GPV-, de SGP- en de RPF-fractie veronderstellen dat de neiging zal bestaan om wettelijke taken en andere diensten zoveel mogelijk door één organisatie te laten uitvoeren. Bestaat er zo geen risico van ongewenste vermenging tussen publieke en private activiteiten, zo vragen deze leden.

Voorop staat dat voor het Lisv – als opdrachtgever van de uitvoeringsinstellingen – niet de producten die de B-poot te bieden heeft van belang zijn, maar de prijs en kwaliteit van de producten en dienstverlening die de uitvoeringsinstelling biedt. Als een bepaalde uitvoeringsinstelling een te hoge prijs vraagt voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen ten behoeve van een bepaalde sector, dan zal het Lisv voor die sector geen contract afsluiten met de betreffende uitvoeringsinstelling.

Daarnaast is het zo dat alle uitvoeringsinstellingen en de holding waarvan zij deel uitmaken, aan dezelfde regels zijn gebonden. Ze moeten immers allen voldoen aan de erkenningscriteria. Hierin is onder andere bepaald welke soort van activiteiten binnen het private deel van de holding mag worden verricht, te weten activiteiten die verwant zijn met de (sociale) verzekeringen. Binnen dit kader zijn de holdings vrij producten en diensten te ontwikkelen en aan te bieden. Hetzelfde geldt voor eventuele nieuwe toetreders op de markt. Op dit moment is het zo dat binnen de holdings voor een belangrijk deel gelijksoortige diensten worden aangeboden; zoals arbodiensten, administratie en uitvoering van cao-regelingen etc. Een overstap naar een andere uitvoeringsinstelling voor een bepaalde sector kan dus in veel gevallen ook betekenen dat sociale partners of werkgevers binnen die sector – als zij dat wensen – producten in die B-poot kunnen kopen.

In de erkenningscriteria zijn regels gesteld die een voldoende juridische en organisatorische scheiding tussen de publieke en private onderdelen van de holding waarborgen.

Op grond van het toetsingskader andere taken mogen de uitvoeringsinstelling tot het jaar 2000 ook de premieheffing en inning voor bedrijfstakeigenregelingen verzorgen. De leden van de PvdA-fractie vragen of hier geen sprake is van ongewenste verstrengeling. Als deze leden bedoelen dat hierdoor vermenging van publieke en private middelen ontstaat, dan wil ik er op wijzen dat de uitvoeringsinstelling alleen andere taken mag verrichten onder voorwaarde dat de publieke en private geldstromen bij die uitvoeringsinstelling gescheiden zijn en dat ten behoeve van de verschillende opdrachtgevers gescheiden administraties worden gevoerd. Uit een oogpunt van concurrentie werkt dit toetsingskader niet belemmerend omdat iedere erkende uitvoeringsinstelling naast de publieke taken dezelfde andere taken mag verrichten.

Zoals aangekondigd in de brief van 25 juni 1996 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1995/96 24 215, nr. 11) zal in 1998 een definitief besluit worden genomen over het wel of niet toestaan van de premieheffing en -inning ten behoeve van de bedrijfstakeigenregelingen. Ten behoeve van de besluitvorming zal onderzocht worden of in de praktijk is gebleken dat deze gecombineerde heffing leidt tot aantasting van de uitgangspunten van een strikte scheiding tussen publiek en privaat en eerlijke concurrentie.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de verrekening plaatsvindt van de aan de uitvoering van de bovenwettelijke regelingen verbonden uitvoeringskosten.

Indien gezamenlijk activiteiten worden verricht ten bate van zowel de wettelijke als de bovenwettelijke regelingen, worden de totale kosten naar rato ten laste gebracht van de publieke sector (de desbetreffende SV-wetten: uitvoeringskosten uitvoeringsinstelling) en de private sector (kosten aangesloten werkgevers) via vooraf vastgestelde verdeelsleutels.

De achterliggende gedachte bij het toestaan van andere taken is dat bepaalde regelingen dermate nauw verbonden zijn met de uitvoering van de wettelijke taken dat een splitsing ervan tot onevenredig hoge kosten leidt, zowel voor werknemers als voor werkgevers. Dit geldt in ieder geval voor de regelingen die een aanvulling zijn op de werknemersverzekeringen, zoals bijvoorbeeld de herverzekering van het WAO-gat. Bij regelingen die geen aanvullend karakter hebben, is deze samenhang, zeker voor wat betreft de uitkeringskant, veel minder aanwezig. Als voornaamste toetssteen in die gevallen is gekeken in hoeverre uitvoering van de regelingen door de uitvoeringsinstellingen leidt tot concurrentie-vervalsing. Het kabinet is van oordeel dat bij een regeling tot herverzekering van de loondoorbetalingskosten bij ziekte het geval is. Om die reden zijn dergelijke regelingen uitdrukkelijk uitgesloten.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken om een reactie op het feit dat het Lisv, indien een sectorraad voor een bepaalde sector ontbreekt, de taken van deze sectorraad zelf zou moeten vervullen. Deze leden spreken in dit verband over een publiek orgaan (het Lisv) dat private taken uitvoert.

Het Lisv is een ZBO dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Dit wetsvoorstel biedt aan sociale partners in sectoren de mogelijkheid tot het oprichten van sectorraden. Indien sociale partners hiertoe besluiten en de sectorraad als zodanig wordt erkend door het Lisv, stelt Lisv de sectorraad in de gelegenheid om over een aantal onderwerpen advies aan het Lisv uit te brengen (artikel 58 OSV 1997). In het geval dat er voor een bepaalde sector geen sectorraad is erkend, bestaat er voor het Lisv niet de verplichting om over de in artikel 58 OSV 1997 genoemde onderwerpen advies te vragen. Het Lisv kan in dat geval direct zelfstandig tot een oordeel komen. Er is in dat geval geen sprake van het verrichten van de taken van de sectorraad door het Lisv. De taken van de ontbrekende sectorraad, namelijk het adviseren van het Lisv, worden eenvoudigweg niet vervuld. Ook is er in dat geval dus geen sprake van het vervullen van private taken door een publiek orgaan. Het kabinet hecht eraan om bij het voorgaande aan te tekenen dat, ingeval een sectorraad het Lisv adviseert op basis van artikel 58 OSV 1997, er sprake is van advisering in het kader van de publieke uitvoering van werknemersverzekeringen door een privaat orgaan.

De PvdA-fractie heeft gevraagd of het moratorium tot het jaar 2000 zich verdraagt met het mededingingsrecht.

De bedrijfsverenigingen hebben contracten gesloten met de rechtspersonen die op dat moment als uitvoeringsinstellingen waren erkend. Er waren op dat moment geen andere erkende uitvoeringsinstellingen waarmee contracten konden worden gesloten. Van strijd met het mededingingsrecht is dan ook geen sprake.

De contracten hebben een looptijd tot het jaar 2000. Het Lisv zal als rechtsopvolger van de bedrijfsverenigingen tot het jaar 2000 aan deze contracten gebonden zijn. Nu niet gesteld kan worden dat de bedrijfsverenigingen hebben gehandeld in strijd met het mededingingsrecht, kan evenmin gesteld worden dat het Lisv, dat krachtens de wet rechtsopvolger van de bedrijfsverenigingen zal worden, bij de naleving van deze contracten zal handelen in strijd met het mededingingsrecht.

De leden van de fractie van de PvdA verwachten dat de sociale verzekeringsmarkt vanaf het jaar 2000 al grotendeels verdeeld zal zijn en dat er derhalve geen ruimte op de markt zal bestaan voor nieuwe toetreders.

Ook het lid van de fractie van de SP veronderstelt dat de markt die vanaf het jaar 2000 tot stand zal komen, op dat moment al grotendeels zal zijn verdeeld doordat conglomeraten van bedrijven de kennis van de bestaande uitvoeringsinstellingen zullen inpalmen om op die manier het aandeel in de vrije markt veilig te stellen. Deze leden verzoeken om een reactie op deze veronderstelling.

Het kabinet stelt vast dat de nu lopende overeenkomsten omtrent de uitvoering van de werknemersverzekeringen aan het einde van 1999 aflopen. Onderhandelingen over de overeenkomsten met betrekking tot de uitvoering van de werknemersverzekeringen zullen in de loop van 1998 starten. Deze onderhandelingen zullen betrekking hebben op de uitvoering van de werknemersverzekeringen voor het totale bedrijfs- en beroepsleven. Het Lisv zal daarbij verplicht zijn een offerte te vragen aan elke op basis van artikel 59 erkende rechtspersoon. Het Lisv heeft daarnaast nog de wettelijke taak om de concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen te bevorderen. Het voorgaande betekent dat er in 2000 zeker geen sprake behoeft te zijn van een al grotendeels verdeelde markt. Dit is ook het geval indien de ontwikkeling zich voordoet die het lid van de fractie van de SP beschrijft. Ook dan zullen er voor sectoren mogelijkheden zijn om van uitvoeringsinstelling te veranderen en zullen ook de al bestaande uitvoeringsinstellingen zich derhalve moeten kwalificeren om hun marktaandeel te behouden of uit te breiden.

Zoals hiervoor al gezegd is de doorslaggevende reden voor het Lisv om over te gaan tot het afsluiten van een contract met een bepaalde uitvoeringsinstellingen voor een sector, de prijs en de kwaliteit die de uitvoeringsinstelling aanbiedt voor de uitvoering van de publieke taken. Los van de producten die in het private deel van de holding worden aangeboden, zullen de uitvoeringsinstellingen inspanningen moeten leveren om zo efficiënt en zo goedkoop mogelijk te werken. Ik deel derhalve niet de opvatting van de leden van de PvdA-fractie dat in het kader van de uitvoering van de publieke taken de concurrentie veeleer op basis van de B-poten zal ontstaan.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke mogelijkheden bestaan om de concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen te bevorderen, anders dan de al genoemde openbare aanbesteding. Deze leden vragen in dit verband ook welke maatregelen het kabinet in gedachten heeft als er onvoldoende concurrentie tot stand komt.

Allereerst hecht het kabinet eraan te stellen dat het de taak van het Lisv is om de concurrentie tussen de uitvoeringsinstellingen te bevorderen. Het is dus het Lisv dat terzake met beleid dient te komen. Het kabinet ziet dit beleid met vertrouwen tegemoet. Immers de concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen kan bevorderd worden door bijvoorbeeld ruim baan te geven aan sector- of regiospecifieke uitvoering van de werknemersverzekeringen waardoor er voor de uitvoeringsinstellingen mogelijkheden ontstaan om zich van andere uitvoeringsinstellingen te onderscheiden. Ook kan de concurrentie bevorderd worden doordat het Lisv sectorraden stimuleert om uitvoeringsinstellingen uit te nodigen om met voorstellen te komen voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen in een bepaalde sector. Ook dit biedt de uitvoeringsinstellingen extra mogelijkheden om zich te onderscheiden. Uiteraard kan het Lisv dit ook zelf doen in het geval er voor een bepaalde sector geen sectorraad bestaat. Het Lisv heeft ook de mogelijkheid om sectoronderdelen te vormen waardoor de mogelijkheid ontstaat een specifiek op dit sectoronderdeel gerichte uitvoeringsovereenkomst met een uitvoeringsinstelling te sluiten. Dit heeft tot gevolg dat de sociale verzekeringsmarkt flexibeler wordt.

Het kabinet gaat er van uit dat het Lisv de concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen ook zal bevorderen door er zeer scherp op toe te zien dat geen monopolie, prijsafspraken enz. ontstaan en indien dit onverhoopt wel dreigt dit met het oog op het toezicht op de mededinging zal signaleren bij de Minister van Economische Zaken.

Het kabinet gaat ervan uit dat op basis van de in deze wet vastgelegde bepalingen in voldoende mate concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen tot stand zal kunnen komen. In het geval in de toekomst onverhoopt mocht blijken dat dit niet het geval is, zal het kabinet zich nader moeten beraden.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de mogelijkheid om zonder toestemming van de betrokkenen gegevens te verstrekken aan de uitvoerders van pensioenregelingen een vervaging van de scheiding tussen publiek en privaat betekent. Tevens willen zij weten of de private instanties die geen deel uitmaken van een holding waar ook een uitvoeringsinstelling in opgenomen is, onder dezelfde condities gegevens kan krijgen als een zusteronderneming van een uitvoeringsinstelling.

In het wetsvoorstel OSV 1997 was in eerste instantie bepaald dat de gegevensverstrekking aan uitvoerders van pensioen- en vut-regelingen uitsluitend geoorloofd zou zijn, indien de betrokken personen daarvoor toestemming hadden verleend. Dit was een aanscherping van de voorwaarden voor de gegevensverstrekking aan deze private instanties. Hierbij was er echter onvoldoende rekening mee gehouden dat deze aanscherping de nodige invoeringsproblemen voor de uitvoeringsinstellingen en pensioenuitvoerders met zich mee zou brengen en bovendien een verzwaring van de administratieve lastendruk van werkgevers zou veroorzaken. Met het oog op deze ongewenste effecten, heeft het kabinet in de derde nota van wijziging weer aansluiting gezocht bij de regeling zoals die in huidige Osv bestaat. Een belangrijke overweging hierbij was dat de gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van pensioen en vut-regelingen in het belang is van werkgevers en werknemers en nog nooit op bezwaren is gestuit.

Deze bevoegdheid van de uitvoeringsinstellingen om gegevens te verstrekken aan private instanties heeft naar de mening van het kabinet geen consequenties voor de scheiding tussen publiek en privaat binnen de holdings. Zoals bekend zijn er maatregelen getroffen om deze scheiding te garanderen. De onderhavige gegevensbepaling doet daar op geen enkele wijze afbreuk aan. Ongeacht de voorwaarden waaronder de gegevens aan derden mogen worden verstrekt, zullen de uitvoeringsinstellingen de regels omtrent de scheiding van publieke en private activiteiten in acht moeten nemen.

Indien er sprake is van gegevenverstrekking moeten zusteronderneming in de B-poot van de holding evenzeer als een «derde» worden aangemerkt en onder dezelfde condities behandeld worden, als de overige instanties die belast zijn met de uitvoering van pensioen- en vut-regelingen. Het spreekt uiteraard voor zich dat een uitvoeringsinstelling op geen enkele manier onderscheid mag maken tussen pensioenuitvoerders binnen de holding of uitvoerders die meer op afstand staan. Op dit moment ontbreekt de juiste informatie om te beoordelen of de uitvoeringsinstellingen zich aan dit gelijkheidsbeginsel houden. Onlangs is het Ctsv gestart met een onderzoek naar de manier waarop de uitvoeringsinstellingen omgaan met de wettelijke bepalingen omtrent het gebruik en beheer van gegevens. Indien de resultaten van dit onderzoek, die in de loop van 1997 beschikbaar zullen zijn, daartoe aanleiding geven, zal het Ctsv corrigerend optreden. Zo nodig zal bekeken worden in hoeverre nadere regelgeving op dit punt noodzakelijk is.

De leden van de PvdA-fractie vragen of gegarandeerd is dat de uitvoeringsinstellingen de gegevens niet ten onrechte gebruiken ten behoeve van de private activiteiten? Welke sanctie staat er op een overtreding?

In het wetsvoorstel OSV 1997 is een zogeheten doelbindingsbepaling opgenomen. Deze schrijft voor dat de gegevens uitsluitend gebruikt mogen worden voor het doel waarvoor zij zijn verkregen, tenzij bij of krachtens de wet een ander gebruik is voorgeschreven of toegestaan. Deze doelbinding gaat verder dan de reeds bestaande geheimhoudingsplicht die uitsluitend betrekking heeft op het verstrekken van gegevens. Naar de mening van het kabinet garandeert de doelbindingsbepaling een rechtmatig gebruik van de gegevens.

Op de schending van de geheimhoudingsplicht en doelbindingsbepaling staat geen zelfstandige sanctie. Indien een uitvoeringsinstelling gegevens misbruikt, kunnen het Lisv en het Ctsv de gebruikelijk middelen inzetten om een uitvoeringsinstelling tot de orde te roepen. In het uiterste geval kan de erkenning van een uitvoeringsinstelling worden ingetrokken.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat er met de gegevens gebeurt in de situatie dat een holding besluit de activiteiten in de uitvoeringsinstelling te beëindigen, die daarmee haar erkenning verliest. Is een uitvoeringsinstelling die de erkenning kwijt raakt, nog wel gebonden aan de wettelijk bepalingen?

In de eerste plaats wil ik benadrukken dat de gegevens waarover de uitvoeringsinstellingen beschikken, door werkgevers en werknemers zijn verstrekt ten behoeve van de publieke taken. Zoals gezegd kunnen deze gegevens zonder wettelijke basis of zonder toestemming van de betrokkene, nooit voor andere doeleinden worden gebruikt. Dat geldt zowel in de situatie dat de uitvoeringsinstelling erkend is als in de situatie dat de erkenning wordt ingetrokken.

Wat gebeurt er nu indien de erkenning van een uitvoeringsinstelling wordt ingetrokken? Op grond van artikel 41 van dit wetsvoorstel kan het Lisv de werkzaamheden alleen laten verrichten door een erkende uitvoeringsinstelling. Op het moment dat de erkenning van een uitvoeringsinstelling wordt ingetrokken wordt de administratie-overeenkomst ontbonden. Het Lisv zal vervolgens een overeenkomst met een andere uitvoeringsinstelling afsluiten. In de huidige administratie-overeenkomsten – die tot 1 januari 2000 door het Lisv worden voortgezet – is met betrekking tot het gegevensbeheer een door het Tica opgestelde bepaling opgenomen. Bepaald is dat bij beëindiging van de administratie-overeenkomst de uitvoeringsinstelling de gegevens die zij ten behoeve van de opdrachtgever registreert (i.c. ten behoeve van het Lisv voor een bepaalde sector/sectoronderdeel) onverwijld en kosteloos aan de opdrachtgever of een door de opdrachtgever aan te duiden uitvoeringsinstelling in leesbare vorm ter beschikking stelt en op een op dat moment gangbare gegevensdrager overdraagt. Eventuele veiligheidskopieën mogen na beëindiging niet worden gebruikt anders dan op verzoek van de opdrachtgever.

Met deze bepaling is de facto geregeld dat de gegevens waarover een uitvoeringsinstelling beschikt, onder alle omstandigheden in publieke handen blijven. Het kan niet zo zijn dat een uitvoeringsinstelling wier erkenning wordt ingetrokken, vrijelijk kan beschikken over de gegevens. Het is het Lisv die bepaalt wat er met de gegevens gebeurt. Het Lisv zal ervoor zorgen dat de gegevens overgedragen worden aan een uitvoeringsinstelling, die de administratie-opdracht overneemt. Met andere woorden: het «winkelen» in het publieke domein door private ondernemingen is niet mogelijk omdat de gegevens altijd binnen het publieke domein blijven.

De dossiers van uitkeringsgerechtigden ten aanzien van wie nog een overeenkomst met Arbeidsvoorziening loopt, maken onderdeel uit van administratie-opdracht van het Lisv aan de uitvoeringsinstelling. Deze overeenkomsten zullen dus samen met alle werkzaamheden in het kader van de uitvoering van de werknemersverzekeringen worden overgedragen aan de nieuwe uitvoeringsinstelling.

Voor wat betreft de bovenwettelijke aanvullingsregelingen is dit afhankelijk van de overeenkomst die de opdrachtgevers van deze regelingen afsluiten. Iedere erkende uitvoeringsinstelling kan – wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van het toetsingskader andere taken – van de minister toestemming krijgen voor het uitvoeren van deze regelingen. Gelet op de nauwe samenhang die bestaat tussen de bovenwettelijke aanvullingsregelingen en de werknemersverzekeringen, ligt het voor de hand dat de opdrachtgever van die regelingen zal bewerkstelligen dat, bij overgang van de publieke taken naar een andere uitvoeringsinstelling, met deze uitvoeringsinstelling ook een contract wordt afgesloten voor de uitvoering van de bovenwettelijke aanvullingsregelingen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke uitvoeringsinstelling de kosten van de overdracht betaalt die het gevolg zijn van de verandering van uitvoeringsinstelling.

Voor het aflopen van nu lopende contracten zijn in het kader van de ontvlechting speciale afspraken gemaakt over de door deze leden aangeduide kosten. Deze afspraken worden wettelijk verankerd in de IOSV 1997. Deze speciale regeling houdt in dat de kosten die verband houden met de beëindiging van een contract, zoals de kosten verband houdend met de afvloeiing van personeel, ten laste kunnen worden gebracht van de sociale fondsen.

Voor de kosten die verband houden met het aflopen van contracten op een later moment, zullen geen speciale wettelijke voorzieningen worden getroffen. Hoewel dit vanzelfsprekend primair een zaak is die de partijen die betrokken zijn bij de overeenkomst, zelf moeten regelen, ligt het volgende naar het oordeel van het kabinet voor de hand. In de prijs die voor het leveren van het product uitvoering van de werknemersverzekeringen voor een sector of sectoronderdeel tussen opdrachtgever en opdrachtnemer wordt afgesproken, zal rekening moeten worden gehouden met het risico en de daarmee verband houdende kosten dat een overeenkomst na de overeengekomen periode niet wordt verlengd. Uiteraard hangt de mate waarin het voor de opdrachtnemer mogelijk is zijn kostprijs met een bepaalde opslag te verhogen, mede af van de concurrentie die op de markt plaatsvindt. Het is ook denkbaar dat tussen opdrachtgever en opdrachtnemer overeenkomsten worden gesloten waarin een afspraak is opgenomen wie welke kosten draagt bij de beëindiging van de overeenkomst. Op het eerste gezicht acht het kabinet dit soort afspraken minder gewenst omdat het de flexibiliteit van de markt vermindert.

Overigens is het niet op voorhand duidelijk dat de beëindiging van overeenkomsten in alle gevallen gepaard zal gaan met hoge kosten. In het geval dat er sprake is van een dynamische markt zal het zeer wel zo kunnen zijn dat een uitvoeringsinstelling de ene overeenkomst verliest, maar dit weet te compenseren door een andere overeenkomst te verwerven. De vraag of deze dynamische markt ook daadwerkelijk zal ontstaan, is onder andere afhankelijk van de omvang van de sectoren en of sectoronderdelen waarvoor overeenkomsten tussen de opdrachtgever en opdrachtnemers zullen worden gesloten. Naarmate de omvang van de overeenkomsten beperkter is, zal het gemakkelijker zijn om van uitvoeringsinstelling te veranderen. Immers voor de uitvoeringsinstelling waarvoor de overeenkomst afloopt, zal het gemakkelijker zijn de daaraan verbonden gevolgen op te vangen. Dit geldt ook voor de uitvoeringsinstelling die een nieuwe overeenkomst verwerft.

De ontwikkelingen die zich op dit moment voordoen op het punt van de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven, gaan in de richting dat de omvang van de te vormen sectoren in de meeste gevallen aanmerkelijk beperkter zal zijn dan de nu bestaande bedrijfsverenigingen. Immers, het niveau van de risicogroep binnen een wachtgeldfonds is bepalend voor het vormen van sectoren. De stand van zaken op dit moment is dat er waarschijnlijk 55 sectoren zullen ontstaan. Uiteraard is het mogelijk, en met het oog op de marktwerking ook gewenst, dat er binnen de sectoren sectoronderdelen tot stand komen waarvoor aparte overeenkomsten tussen het Lisv en een uitvoeringsinstelling kunnen worden gesloten omtrent de uitvoering van de werknemersverzekeringen.

Het kabinet gaat ervan uit dat het in de toekomst met enige regelmaat zal voorkomen dat de uitvoering van de werknemersverzekeringen voor een bepaalde sector of sectoronderdeel overgaat van de ene naar een andere uitvoeringsinstelling. Daarbij gaat het kabinet er ook vanuit dat de kwaliteitsverbetering van de uitvoering en de besparingen op de uitvoeringskosten, die het gevolg zullen zijn van concurrentie in de uitvoering, ruimschoots zullen opwegen tegen de eventuele extra uitvoeringskosten die het gevolg zullen zijn van het veranderen van uitvoeringsinstelling.

Tot slot moet erop gewezen worden dat het Lisv tot taak heeft om zorg te dragen voor de standaardisatie van het berichtenverkeer en de gegevensbestanden van de uitvoeringsinstellingen. Daardoor zal er een situatie ontstaan waarin alle werkgevers en werknemers aan de uitvoeringsinstellingen een nagenoeg identieke set gegevens verstrekken. Naar de mening van het kabinet zal ook dit de overgang van de ene naar de andere uitvoeringsinstelling vereenvoudigen en de kosten daarvan temperen, zowel voor de uitvoeringsinstellingen als voor de werkgever.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de gekozen samenwerkingsconstructie wel voldoet aan de randvoorwaarden die deze samenwerking in de praktijk ook kunnen doen slagen. Zij misten in alle drie de wetten het besef dat het resultaat van reïntegratie-inspanningen in hoge mate afhankelijk is van de situatie op de regionale arbeidsmarkt en van sectorspecifieke inspanningsverplichtingen en methodes. Volgens de leden van de fractie is er derhalve sprake van een kwantitatief probleem (het aantal arbeidsplaatsen) en een kwalitatief probleem (intra- en intersectorale mogelijkheden).

In alle drie wetten wordt juist wel uitgegaan van het feit dat het resultaat van reïntegratie-inspanningen in hoge mate afhankelijk is van de situatie op de regionale arbeidsmarkt en van sectorspecifieke inspanningsverplichtingen.

De OSV 1997 gaat daar expliciet vanuit. Enerzijds wordt samenwerking in de regio voorgeschreven. Daarnaast is er bewust voor gekozen om de sociale partners in de gelegenheid te stellen ook op sectorniveau een adviserende rol te spelen richting het Lisv.

De verplichting tot samenwerking is door het kabinet niet ingezet als instrument om meer arbeidsplaatsen te creëren. Daartoe zijn andere instrumenten ingezet. Door middel van de samenwerking is het de bedoeling dat middelen en instrumenten die beschikbaar zijn bij de drie organisaties, effectiever en efficiënter worden gebruikt, zodat meer uitkeringsgerechtigden ondersteund kunnen worden bij hun reïntegratieproces.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe op landelijk niveau samenwerkingsafspraken kunnen worden gemaakt met betrekking tot reïntegratie van uitkeringsgerechtigden als de VNG geen bindende afspraken voor de afzonderlijke gemeenten kan maken.

Het is de vraag of voor de samenwerking in de regio wel landelijke afspraken gemaakt behoeven te worden. Het concept-advies van de Regiegroep gaat daar niet vanuit. Een aantal voorwaarden zal volgens de Regiegroep in de wet moeten worden vastgelegd en daarnaast zal per regio de samenwerking concreet moeten worden ingevuld, met convenanten, contracten, mandaatbeschikkingen etc. De individuele gemeenten zullen dan zelf contracten sluiten met de RBA's en uitvoeringsinstellingen die in die regio actief zijn.

In zijn kabinetsstandpunt op het advies van de Regiegroep zal het kabinet bepalen welke voorwaarden bij of krachtens wet worden opgelegd.

Volgens de leden van de PvdA-fractie wordt de samenwerking op regionaal niveau mogelijk nog gecompliceerder. Met name omdat de drie organisaties juridisch een andere organisatievorm hebben en dat er inkooprelaties zijn gecreëerd.

Met deze leden ben ik van mening dat de samenwerking op regionaal niveau een gecompliceerde zaak is. In het kader van de standpuntbepaling van het kabinet over SWI zal dit nog uitgebreid aan de orde komen. Naar mijn mening wordt de regionale samenwerking door dit wetsvoorstel echter eerder eenvoudiger dan gecompliceerder. Immers de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen gaat van de bedrijfsverenigingen over naar het Lisv. De aansturing van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen zal daardoor eenduidiger kunnen worden.

De leden van de PvdA-fractie stellen verder dat de reïntegratiepersonen van de uitvoeringsinstellingen een dubbele pet op hebben en vinden dit een ernstige weeffout in het wetsvoorstel, die naar hun mening eveneens illustreert dat de grens tussen privaat en publiek onvoldoende helder is getrokken.

Het is mij niet geheel helder waar deze leden op doelen. Zoals ik het zie verrichten de reïntegratiepersonen van de uitvoeringsinstellingen alleen publieke taken. De uitvoeringsinstelling verricht namelijk in opdracht van het Lisv een publieke taak. Het Lisv kan via de vast te stellen contracten vastleggen hoe de uitvoeringsinstelling moet opereren. De uitvoeringsinstelling heeft belang bij het goed uitvoeren van deze publieke taak. Voert zij deze niet goed uit, dan zal het Lisv, al dan niet op advies van de sectorraden, de met haar gesloten uitvoeringscontracten beëindigen. Wat dit betreft zijn het Lisv en de sectorraden derhalve haar klanten, die zij tevreden moet stellen.

Het inkopen van arbeidsbemiddeling bij Arbeidsvoorziening of (straks) WIW-faciliteiten (gemeenten) dient uitsluitend een publiek belang. De uitvoeringsinstellingen dienen namelijk in opdracht van het Lisv ervoor te zorgen dat de uitkeringsgerechtigden, die hulp nodig hebben om aan een baan geholpen te worden, zo goed mogelijk geholpen worden. Dat betekent dat zij bij Arbeidsvoorziening en de gemeenten respectievelijk bemiddelingsactiviteiten en additionele banen in kunnen kopen die hun uitkeringsgerechtigden meer kansen geven om te reïntegreren.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe het sectorspecifieke element in de uitvoering zal worden vertaald naar het regionale niveau.

Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat het zwaartepunt in de gevalsbehandeling in de regio ligt. Dit onder erkenning dat sectorspecifieke elementen in de uitvoering toegevoegde waarde kunnen hebben op bijvoorbeeld het terrein van de reïntegratie en de handhaving. Dit sectorspecifieke element krijgt echter een minder prominente plaats dan op dit moment.

De vormgeving van de sectorspecifieke elementen in de uitvoering, waaronder de advisering over overeenkomsten met een uitvoeringsinstelling voor de desbetreffende sector, is de belangrijkste reden om aan sociale partners de mogelijkheid te geven sectorraden op te richten en deze de taak te geven het Lisv te adviseren over sectorspecifieke elementen in de uitvoering. De wijze waarop in de uitvoering de vertaling van sectorspecifieke elementen naar de regio plaatsvindt, zal naar het kabinet aanneemt, onderdeel vormen van de onderhandelingen tussen een sectorraad en een uitvoeringsinstelling over een ontwerpovereenkomst. De mate waarin de uitvoeringsinstelling erin slaagt de sectorspecifieke elementen naar de regio te vertalen, zal naar het kabinet veronderstelt, een belangrijk element vormen in het advies van de sectorraad aan het Lisv omtrent het al dan niet sluiten van een overeenkomst met een uitvoeringsinstelling.

De leden van de fractie van de PvdA stellen dat na 1999 het model van gedwongen winkelnering bij Arbeidsvoorziening verdwijnt en dat het de uitvoeringsinstellingen dan vrij zal staan in hun B-poot ook een arbeidsbemiddelingsdivisie op te nemen.

Het kabinet heeft geen standpunt bepaald ten aanzien van de condities waaronder de publieke Arbeidsvoorziening op middellange termijn zal functioneren. In verband hiermee kan in dit kader evenmin worden ingegaan op de vraag of de holdings (en niet de uitvoeringsinstellingen) vanaf het jaar 2000 aandelen mogen houden in een arbeidsbemiddelingsdivisie. Dat zal besloten worden in 1998 als het kabinet zijn visie geeft op de inrichting van de uitvoeringsorganisatie vanaf 2000.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe ik het voorgestane takenpakket van de B-poot van het SFB beoordeel in het licht van meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt en de verruiming van het begrip passende arbeid (dat toch ook meer intersectoraal verkeer van te reïntegreren werknemers impliceert)?

Het aanbieden van verschillende producten en diensten in de B-poot staat los van het contract van het Lisv met de A-poot in de holding. De SFB-holding ziet blijkbaar een markt voor zijn ondernemingen in zijn B-poot; de praktijk zal uitwijzen of dat zo is.

Los daarvan sluit het Lisv voor de sector Bouw een contract met een uitvoeringsinstelling en maakt in dat contract afspraken over reïntegratie-activiteiten. Aangezien het Lisv gehouden is aan de bepalingen over passende arbeid, zullen in dat contract ook afspraken gemaakt moeten worden die daaraan recht doen. Het Lisv kan dus niet toestaan dat de uitvoeringsinstelling die het contract voor de sector Bouw uitvoert, alleen zaken doet met een sector-specifiek bemiddelingsbedrijf.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de RBA-regio's na de inwerkingtreding van de OSV 1997 maximaal te maken krijgen met vier gemachtigde reïntegratiepersonen vanwege de uitvoeringsinstellingen.

In de OSV 1997 is geregeld dat het bestuur van iedere uitvoeringsinstelling aan ten minste één persoon in iedere Lisv-regio of combinatie van regio's de bevoegdheid verleent om in naam van dit bestuur reïntegratiebeslissingen te nemen. Het is dus ook mogelijk om aan meerdere personen per Lisv-regio deze bevoegdheid te verlenen. Derhalve is het niet zo dat het voorliggende wetsvoorstel de situatie dat Arbeidsvoorziening per RBA-regio met meerdere functionarissen per uitvoeringsinstelling moet onderhandelen, per definitie beëindigt. Het is aan de uitvoeringsinstellingen en aan Arbeidsvoorziening om op dit punt een efficiënte samenwerking te ontwikkelen. Overigens kan onderhandelen met meer functionarissen van uitvoeringsinstellingen per RBA-regio ook juist wenselijk zijn. Zo kan ik mij voorstellen dat per arbeidsbureau of sub-regionaal samenwerkingsverband – bijvoorbeeld de door de Regiegroep SWI genoemde Centra voor Werk en Inkomen – een medewerker van iedere uitvoeringsinstelling met de medewerkers van Arbeidsvoorziening over de reïntegratie van hun door dat arbeidsbureau of dat samenwerkingsverband te bedienen cliënten overlegt.

De leden van de PvdA-fractie stellen dat het in het kader van SWI waarschijnlijk noodzakelijk zal zijn dat een aantal personeelsleden onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de samenwerkingspartners uit de drie kolommen zal worden aangestuurd. Daartoe, zo stellen deze leden, zal de formele werkgever de directe aansturing van dat personeel moeten mandateren aan bijvoorbeeld een namens de drie kolommen optredende coördinator. Deze leden stellen dat er bij de uitvoeringsinstellingen weerstand tegen deze constructie bestaat en vragen of in de overeenkomsten tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen terzake een aanwijzing zal worden opgenomen.

Deze leden gaan bij het stellen van deze vraag uit van een bepaalde vormgeving van de samenwerking in de regio. Het kabinet kan op deze vormgeving op dit moment nog niet ingaan, omdat daarvoor eerst een standpuntbepaling door het kabinet noodzakelijk is over het advies van de Regiegroep SWI. Het advies van de Regiegroep heb ik u onlangs toegezonden.

Het kabinet kan al wel aangeven dat de inhoud van de overeenkomsten uiteraard de randvoorwaarden moeten creëren voor de beoogde regionale samenwerking. De wet biedt daartoe de mogelijkheden aan het Lisv (artikel 44, tweede lid).

De leden van de fractie van D66 stellen een aantal vragen bij het langdurig naast elkaar voortbestaan van de SVb en het Lisv en vragen in dit verband of het verschil in premieheffing daarvoor de enige reden is.

Het naast elkaar bestaan van een aparte uitvoeringsorganisatie voor de uitvoering van de volksverzekeringen en voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen is in hoge mate historisch verklaarbaar en heeft zeker niet uitsluitend als reden het verschil in premieheffing.

Vanuit de optiek dat de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen een belangrijke bijdrage kan leveren aan een meer activerend stelsel is het noodzakelijk de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen ingrijpend te herzien. Bij de uitvoering van de volksverzekeringen is er geen reden om tot ingrijpende aanpassing van de uitvoeringsorganisatie te komen. Dit onder meer, omdat het aspect van de activerende werking van de uitvoeringsorganisatie, gezien het karakter van de volksverzekeringen, veel minder prominent aanwezig is dan bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Op basis van het voorgaande, en op grond van het feit dat de uitvoering van de werknemersverzekeringen en die van de volksverzekeringen fundamenteel van elkaar verschillen, ziet het kabinet geen aanleiding om te overwegen de SVb en het Lisv samen te voegen.

De leden van de D66-fractie vragen zich af of de SVb en het Lisv met dezelfde computerprogramma's werken en of uitwisseling en vergelijking van gegevens (en dus kosten) mogelijk zijn.

Bij de beantwoording van deze vraag moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de uitwisseling van gegevens in het kader van de primaire uitvoeringsproces en anderzijds de vergelijkbaarheid van de gegevens over (bijvoorbeeld) de uitvoeringskosten.

Zoals bekend neemt de SVb de feitelijke uitvoering van de AOW, ANW en AKW zelf ter hand, terwijl het Lisv deze uitvoering opdraagt aan de uitvoeringsinstellingen. De genoemde instanties gebruiken echter dezelfde computerprogramma's. Ook het uitvoeringsproces van de diverse regelingen die onder de verantwoordelijkheid van het Lisv worden uitgevoerd, wijkt sterk af van dat van de regelingen die door de SVb worden uitgevoerd.

Deze verschillen vormen echter geen belemmering voor de gegevensuitwisseling die ten behoeve van een rechtmatige en doelmatige uitvoering noodzakelijk is. Uitwisseling van gegevens tussen de SVb en uitvoeringsinstellingen is zeer goed mogelijk met behulp van de gemeenschappelijke verwijsindex (GVI) en gebeurt in de dagelijkse praktijk op grote schaal.

De verschillen in de gegevensbestanden en de uitvoeringsprocessen hebben wel invloed op de vergelijkbaarheid van de gegevens in het kader van de verantwoordings- en beleidsinformatievoorziening. Door de verschillen is het soms niet eenvoudig om de statistische informatie over de uitvoering van de volksverzekeringen door de SVb te vergelijken met de informatie over de werknemersverzekeringen door de het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Ook de vergelijking van uitvoeringskosten is dan slechts beperkt mogelijk.

De leden van de fractie van D66 vragen of het de bedoeling is dat een vertegenwoordiger van mijn ministerie de bestuursvergaderingen van het Lisv en de SVb zal bijwonen.

Ik kan deze leden meedelen dat het niet de bedoeling is dat een vertegenwoordiger van mijn ministerie de bestuursvergaderingen van het Lisv of de SVb zal bijwonen. Dit is in lijn met de tot op dit moment bestaande praktijk; ook nu worden de bestuursvergaderingen van het Tica, de bedrijfsverenigingen of de SVb niet door een vertegenwoordiger van mijn ministerie bijgewoond. Ik zal evenwel (de besluitvorming in het bestuur van) het Lisv en de SVb intensief volgen omdat deze besluitvorming van wezenlijke invloed kan zijn op het functioneren van het stelsel van sociale verzekeringen en om het jaarlijkse overleg over de plannen van werkzaamheden van het Lisv en de SVb op een adequate wijze te kunnen voeren.

De leden van de D66-fractie vragen zich af of de bestuurskosten van de sectorraden door de respectievelijke werkgevers- en werknemersorganisaties worden gedragen of uit premiegelden worden bekostigd.

De bestuurskosten van de sectorraden zullen deel uit gaan maken van de kostprijs, die de sectorraad in rekening brengt bij het Lisv in het kader van zijn uitvoerende taak. De kosten van de sectorraad zijn een deel van de uitvoeringskosten sociale verzekeringen en worden derhalve met name gefinancierd uit premiegelden.

De leden van de fractie van D66 vragen of het niet gewenst is dat het Lisv bij zijn regio-indeling identieke regio's aanhoudt als thans bij Arbeidsvoorziening gebeurt. Zij vragen tevens welke reden van afwijking acceptabel zal worden geacht.

Een indeling zoveel mogelijk conform de indeling van Arbeidsvoorziening is inderdaad gewenst. Dit is met zoveel woorden neergelegd in artikel 38, tweede lid, van het wetsvoorstel OSV 1997. Het is echter mogelijk dat het Lisv gegronde reden ziet om toch enigszins van de regio-indeling van Arbeidsvoorziening af te wijken. Allereerst kan dit het geval zijn indien de regio-indeling van Arbeidsvoorziening wordt gewijzigd. Een verplichting aan de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen de nieuwe indeling automatisch te volgen, kan dan problemen opleveren. Daarnaast kan ook direct al afwijking nodig zijn. Op dit moment is geen overzicht beschikbaar van gevallen waarin in de beginsituatie volgens het Tica – de rechtsvoorganger van het Lisv – afwijking nodig zal zijn, noch ook van gevallen waarin een eventueel volgens het Tica/Lisv nodig geachte afwijking door de Minister zal worden goedgekeurd. Een en ander zal naar het zich voordoet worden beoordeeld.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de overeenkomsten met de uitvoeringsinstellingen over 1997 al gesloten zijn; wie deze heeft gesloten en wat de invloed van het Lisv hier nog op is. In dit verband stellen deze leden de vraag of niet alles bij het oude blijft en of het Lisv zijn grote verantwoordelijkheid op deze wijze wel kan waarmaken.

De contracten met de uitvoeringsinstellingen voor het jaar 1997 zijn reeds afgesloten door de bedrijfsverenigingen. De bedrijfsverenigingen moesten dat ook doen omdat dat hun wettelijke opdracht was en omdat de continuïteit van de uitvoering van de werknemersverzekeringen moest worden gewaarborgd.

Van echte invloed van het Lisv op de inhoud van de voor 1997 afgesloten jaarovereenkomsten is op basis van het voorgaande dan ook geen sprake. Wel kan het Lisv uiteraard invloed uitoefenen op de wijze waarop deze overeenkomsten worden uitgevoerd. Het Lisv is immers in het kader van de mandaatsrelatie bevoegd tot het geven van instructies aan de uitvoeringsinstellingen. Voorts zal wijziging van de sv-wetgeving kunnen leiden tot aanpassingen van de jaarovereenkomsten. Het is vanzelfsprekend dat hierover tussen de betrokken instellingen nader overleg plaatsvindt. De jaarovereenkomsten voor het jaar 1998 zullen, bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op 1 maart a.s., uiteraard wel door het Lisv worden afgesloten. De feitelijke invloed van het Lisv zal daardoor aanmerkelijk toenemen. Het Lisv zal ook invloed kunnen uitoefenen door het uitvaardigen van instructies aan de uitvoeringsinstellingen. Bij het voorgaande moet nog bedacht worden dat de jaarovereenkomsten nog steeds zullen moeten passen binnen de kaders die worden gesteld door de tot het jaar 2000 lopende administratie-overeenkomsten. Deze administratie-overeenkomsten zijn nog door de bedrijfsverenigingen gesloten. Op basis van het voorgaande kan niet worden gesteld dat alles – ook bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel – bij het oude zal blijven. Erkend moet echter wel worden dat de feitelijke invloed van het Lisv tot aan het jaar 2000 op de overeenkomsten die zijn of worden gesloten met de uitvoeringsinstellingen, met het verloop van de tijd zal toenemen. Daarmee zullen de mogelijkheden van het Lisv om zijn feitelijke verantwoordelijkheden ook daadwerkelijk waar te maken, toenemen. Op basis van het voorgaande concludeer ik dat ook in die zin tot aan het jaar 2000 sprake is van een overgangssituatie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of dit wetsvoorstel op dit moment wel noodzakelijk is en of het niet beter is de organisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid in één keer te behandelen.

Dit wetsvoorstel is naar de mening van het kabinet op dit moment zeker noodzakelijk. Met dit wetsvoorstel wordt een aantal belangrijke knelpunten bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen, zoals deze onder andere bij de parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale verzekeringen aan het licht zijn gekomen, opgelost. Een totale reorganisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid – dus inclusief de uitvoering van de sociale voorzieningen – vergt naar de opvatting van het kabinet ten minste een aantal jaren. Nog afgezien van de vraag of zo'n allesomvattende reorganisatie wel wenselijk is, is het onverantwoord de noodzakelijke wijzigingen die door dit wetsvoorstel in met name de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen worden aangebracht, daarop te laten wachten.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of concurrentie tot grotere doelmatigheid zal leiden. Ook de leden van de fracties van de SGP, het GPV en de RPF vragen hiernaar.

Naar het oordeel van het kabinet zal concurrentie op de uitvoering van de werknemersverzekeringen tot grotere doelmatigheid leiden in die zin dat de concurrentie de uitvoeringsinstellingen zal dwingen om zich te onderscheiden van de andere uitvoeringsinstellingen door het bieden van een betere prijs/kwaliteitsverhouding. De doelmatigheid van de uitvoering zal daar zeker mee gediend zijn.

In het wetsvoorstel IOSV 1997 is neergelegd dat de verantwoordelijkheid voor de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten voorlopig bij het Lisv ligt. De leden van de fractie van GroenLinks hebben gevraagd welke instantie materieel verantwoordelijk zal zijn voor de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

Indien de leden van de fractie van GroenLinks bedoelen welke organen daadwerkelijk de bemiddeling ter hand zullen nemen, is het antwoord: de uitvoeringsinstellingen en in hun opdracht ook Arbeidsvoorziening en derden. Immers, het Lisv zal de uitvoering van de haar opgedragen bemiddelingstaak via contracten opleggen aan de uitvoeringsinstellingen. De uitvoeringsinstelling GAK zal de bemiddelingswerkzaamheden zelf verrichten. Zij heeft daartoe een afdeling Arbeidsintegratie (GAK AI). Overigens kan GAK AI deelproducten doorinkopen bij Arbeidsvoorziening of bij derden (bijvoorbeeld Start of AVO). De andere uitvoeringsinstellingen zullen diensten inkopen bij GAK AI, bij Arbeidsvoorziening of bij derden. De verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering binnen de verleende opdrachten ligt derhalve bij de uitvoeringsinstellingen respectievelijk bij Arbeidsvoorziening en de gecontracteerde derden.

Het lid van de fractie van de SP vraagt of het niet verwarrend is dat zowel de Minister als het Ctsv een aanwijzingsbevoegdheid heeft. Daarbij vraagt dit lid ook of de Minister het Ctsv een aanwijzing kan geven dat het de uitvoeringsinstellingen een aanwijzing moet geven. Het feit dat zowel de Minister als het Ctsv over een aanwijzingsbevoegdheid beschikt, is niet verwarrend omdat deze aanwijzingsbevoegdheden zich richten tot verschillende instanties. De aanwijzingsbevoegdheid van de Minister heeft betrekking op het Ctsv en de aanwijzingsbevoegdheid van het Ctsv heeft betrekking op de SVb en het Lisv.

De aanwijzingsbevoegdheid van de Minister ten opzichte van het Ctsv heeft betrekking op de wettelijke taak van het Ctsv. Deze taak is het houden van toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van wetten door de SVb, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Het adequaat uitoefenen van deze taak kan met zich brengen dat door het Ctsv een aanwijzing moet worden gegeven aan het Lisv en of de SVb (het geven van een aanwijzing aan een uitvoeringsinstelling is niet mogelijk). Indien het Ctsv daar niet toe overgaat, kan de Minister het Ctsv een aanwijzing geven om het betreffende toezicht adequaat uit te oefenen. In de praktijk kan dit dan tot gevolg hebben dat het Ctsv, als gevolg van de aanwijzing van de Minister, besluit aan het Lisv en of de SVb een aanwijzing te geven.

Het lid van de fractie van de SP vraagt of de democratische controle van het parlement er niet meer mee is gediend indien het toezicht van het Ctsv een signalerend karakter heeft. Dit omdat de verantwoordelijkheid van de Minister dan beter zichtbaar is.

De leden van de fracties van het GPV, de SGP en de RPF vragen of het wetsvoorstel niet op twee gedachten hinkt doordat het toezicht enerzijds onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt en er anderzijds gekozen is voor een sterke onafhankelijke positie van de toezichthouder.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het rapport van de commissie Van Zijl heeft het kabinet uitgebreid stilgestaan bij het toezichtsmodel. Na ampele afweging heeft het kabinet gekozen voor het nu in het wetsvoorstel opgenomen toezichtsmodel. Ook tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer is het toezichtsmodel uitgebreid aan de orde geweest.

Het kabinet kiest voor het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen door een ZBO (het Ctsv), gecombineerd met geëigende bevoegdheden van de Minister om zijn ministeriële verantwoordelijkheid te kunnen waarmaken. In het gekozen toezichtsmodel richt de ministeriële verantwoordelijkheid zich op het systeem van de uitvoering (als mede-wetgever), de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven en het aandeel van de uitvoering waar de Minister eigen bevoegdheden heeft gehouden. In het geval van toezicht is dit, naast andere bevoegdheden, bijvoorbeeld de algemene aanwijzingsbevoegdheid ten opzichte van het Ctsv. Door het opdragen van het toezicht aan een ZBO wordt formeel de ministeriële verantwoordelijkheid op een specifieke wijze vormgegeven. Doordat de Minister echter, ook voor de gang van zaken bij het toezicht op de sociale verzekeringen, politiek volledig voor het parlement aanspreekbaar blijft, kan het toezichtsbeleid ook volledig in het parlement aan de orde komen. Dit wordt nog versterkt door het feit dat het door het Ctsv vastgestelde plan van werkzaamheden door de Minister aan het parlement ter kennis wordt gebracht en het parlement uiteraard vrij staat om over het plan van werkzaamheden, alsmede over het overleg dat hierover is gevoerd tussen het Ctsv en de Minister, met de Minister van gedachten te wisselen.

Als gevolg van het feit dat het toezicht en de daarbij behorende bevoegdheden zijn overgedragen aan het Ctsv, zal de Minister echter niet in alle gevallen in directe zin de door het parlement gewenste maatregelen kunnen nemen. In het uiterste geval, als overleg met het Ctsv niet het gewenste resultaat blijkt te hebben en het geven van een aanwijzing in de concrete situatie niet mogelijk is, blijft er voor Minister en parlement altijd de mogelijkheid om tot aanpassing van wet- en regelgeving te komen. Daarnaast kan de Minister in het uiterste geval ook besluiten tot het schorsen, of het voordragen bij de Kroon voor ontslag van één of meer bestuursleden van het Ctsv.

Het kabinet heeft de gevolgen voor de ministeriële verantwoordelijkheid van de beperking van de bevoegdheden van de Minister afgewogen tegen het belang van onafhankelijke en objectieve oordeelsvorming door een toezichthouder die de vorm van een ZBO heeft alsmede tegen het feit dat een toezichthouder in de vorm van een ZBO bijdraagt aan checks en balances op het beleidsterrein van de sociale verzekeringen met zijn massale uitvoeringsprocessen en omvangrijke geldstromen.

Ten slotte is bij de beoordeling van het toezichtsmodel van belang dat het Ctsv verantwoording dient af te leggen over het gebruik van de bevoegdheden die het heeft verkregen. Door het systeem van rechtmatigheidsverklaringen en van de doelmatigheidsrapportage over de uitvoering van wetten door het Lisv, de SVb en de uitvoeringsinstellingen is de Minister in staat om over het functioneren van de uitvoering van de sociale verzekeringen als geheel jaarlijks verantwoording af te leggen aan het parlement. De eerste ervaringen met de rechtmatigheidsverklaringen leren dat de verantwoording aan kwaliteit heeft gewonnen ten opzichte van het verleden.

Het kabinet is van oordeel dat de ministeriële verantwoordelijkheid op basis van het wetsvoorstel voldoende tot uiting komt en dat er voor het parlement voldoende mogelijkheden zijn om controle uit te oefenen op de uitvoering van de sociale verzekeringen en om de Minister daarop aan te spreken.

In het gekozen toezichtsmodel is sprake van een balans tussen enerzijds de ministeriële verantwoordelijkheid en anderzijds de onafhankelijkheid van de toezichthouder. Binnen het gekozen systeem van toezicht zijn de goede elementen van beide toezichtssystemen verenigd en is, naar het oordeel van het kabinet, geen sprake van het hinken op twee gedachten.

Het lid van de SP-fractie vraagt of het kabinet van oordeel is dat ook bij grote ondernemingen als Achmea/GAK Nederland het toezicht door het Ctsv in voldoende mate mogelijk is.

Het kabinet is van mening dat ook indien de holdings gaan samenwerken met andere ondernemingen, het toezichtsmodel, zoals in dit wetsvoorstel is neergelegd, het Ctsv voldoende bevoegdheden biedt om toezicht te kunnen houden op de uitvoering van de sociale verzekeringen. Het toezicht van het Ctsv zal zich primair richten op de uitvoeringsinstelling. Voor zover de uitvoeringsinstelling toestemming heeft bepaalde taken uit te besteden aan een derde rechtspersoon, heeft het Ctsv op grond van dit wetsvoorstel ook toegang tot de administratie van die derde aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed.

Bij een eventuele samenwerking tussen een holding en een derde onderneming moet bedacht worden dat de uitvoeringsinstelling op grond van de erkenningscriteria niet zelf kan deelnemen of investeren in andere vennootschappen of deelnemen aan joint-ventures. De aandelen van de uitvoeringsinstelling kunnen slechts gehouden worden door een stichting zoals omschreven in de erkenningscriteria. Een en ander betekent dat een samenwerking tussen een holding en een andere onderneming geen gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de publieke taken en het toezicht daarop.

Het lid van de SP-fractie verzoekt om een reactie op de stelling dat de invloed van de sectorraden verregaand aan banden is gelegd omdat de sectorraden zich moeten houden aan de door het Lisv gestelde regels en omdat achteraf ook nog eens goedkeuring van het Ctsv is vereist.

Het kabinet veronderstelt dat het lid van de fractie van de SP doelt op de invloed van de sectorraden op administratie- en of jaarovereenkomst die wordt gesloten door het Lisv met een uitvoeringsinstelling. Het feit dat het Lisv regels stelt waaraan een ontwerp-overeenkomst dient te voldoen, is logisch omdat het Lisv zijn formele en materiële verantwoordelijkheid voor deze overeenkomsten moet kunnen waarmaken. Deze regels zijn ook noodzakelijk om een adequate advisering door de sectorraad mogelijk te maken. Immers, daarvoor is noodzakelijk dat de sectorraad vooraf de criteria kent waaraan het Lisv de ontwerp-overeenkomst zal toetsen.

De administratie-overeenkomst behoeft de goedkeuring van het Ctsv omdat deze de kaders stelt waarbinnen de uitvoering van de sociale verzekeringen voor een bepaalde sector of sectoronderdeel zich in de komende jaren zal afspelen. De administratie-overeenkomst is dus zeer belangrijk. De afzonderlijke jaarovereenkomst voor een bepaalde sector of sectoronderdeel behoeft geen goedkeuring van het Ctsv. Deze moet echter wel ter kennis van het Ctsv worden gebracht.

Op basis van het voorgaande is het kabinet van mening dat de invloed van de sectorraden op de inhoud van de administratie- en jaarovereenkomsten niet verder is teruggebracht dan noodzakelijk is gezien de verantwoordelijkheidsverdeling die in het wetsvoorstel is opgenomen.

De leden van de fracties van het GPV, de SGP en de RPF stellen de vraag waarom het noodzakelijk is dat het Ctsv rechtstreeks toezicht houdt op de uitvoeringsinstellingen. Immers, ook het Lisv zal als opdrachtgever van de uitvoeringsinstellingen de gang van zaken bij deze uitvoeringsinstellingen willen volgen.

Vastgesteld moet worden dat de verantwoordelijkheden van het Ctsv en het Lisv op basis waarvan zij de gang van zaken bij de uitvoeringsinstellingen volgen, fundamenteel verschillen. Het Ctsv moet toezicht uitoefenen op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de werknemersverzekeringen door de uitvoeringsinstellingen. Het Lisv moet erop toezien dat de uitvoeringsinstellingen de gesloten overeenkomsten overeenkomstig afspraak uitvoeren. Het feit dat dit op een rechtmatige en doelmatige wijze moet gebeuren is daar slechts – zij het een belangrijk – onderdeel van. Hierbij komt nog dat ook de positie van waaruit het toezicht of de controle plaatsvindt, fundamenteel verschilt. Het Ctsv is toezichthouder, het Lisv is opdrachtgever om wiens opdrachten de uitvoeringsinstellingen moeten concurreren.

Vanwege de verschillende verantwoordelijkheden van het Ctsv en het Lisv om de gang van zaken bij de uitvoeringsinstellingen te volgen, kan het volledige toezicht op de uitvoeringsinstellingen niet via het Lisv plaatsvinden en moet dit dus ook door het Ctsv plaatsvinden. Door middel van onder andere het inzage- en informatierecht heeft het Ctsv de mogelijkheid om toezicht uit te oefenen op de feitelijke gang van zaken bij de uitvoeringsinstellingen. Dit is vanuit toezichtsoptiek ook van belang omdat bij de uitvoeringsinstellingen het overgrote deel van de feitelijke uitvoering plaatsvindt.

Om te voorkomen dat het voorgaande tot gevolg heeft dat het Ctsv en het Lisv in hoge mate vergelijkbare controles bij de uitvoeringsinstellingen verrichten, ligt het, naar de mening van het kabinet voor de hand dat afspraken tot stand komen over één en ander tussen het Ctsv en het Lisv. Voorwaarde daarbij is uiteraard dat het onafhankelijke toezicht op de uitvoering van de werknemersverzekeringen gegarandeerd blijft.

Naar aanleiding van het wetsvoorstel 25 047 worden een aantal vragen gesteld.

De leden van de CDA-fractie vragen of het informatieprotocol dat tussen de verantwoordelijk Minister en het Ctsv zal worden afgesproken thans beschikbaar is. Op dit moment is er nog geen definitief informatieprotocol met het Ctsv is overeengekomen. De bedoeling van het informatieprotocol, dat ik in de toekomst liever als communicatie-protocol zou willen aanduiden, is om onderling afspraken te maken die een goede communicatie en informatie-uitwisseling garandeert en de eigen verantwoordelijkheden van de Minister en het Ctsv respecteert. Dit impliceert dat het communicatie-protocol een overeenkomst is waaraan zowel de Minister als de toezichthouder zich zal binden. Dit betekent ook dat deze afspraken gemaakt moeten worden met het nieuwe Ctsv-bestuur. Ik streef ernaar om deze afspraken op de kortst mogelijke termijn te maken.

De leden van de CDA-fractie vragen of ik bereid ben de aangekondigde nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling op het terrein van de bemiddeling ter zake van gedeeltelijk arbeidsgeschikten – zeker bij reïntegratie binnen het eigen bedrijf – nog eens op eigen merites te bezien, los van de gemaakte afspraken tot dusverre en met een reëel inzicht in wat werkelijk voor deze moeilijke categorie kan worden bereikt. Dit temeer nu de geplande datum van 1 januari 1997 al voorbij is, de bemiddeling voorlopig een taak van het Lisv blijft en de overgang geen sinecure is. Het gaat er immers om dat deze categorie zo snel mogelijk terugkeert naar de arbeidsmarkt.

De leden van de fracties van het GPV, de SGP en de RPF stellen een vraag die hiermee verband houdt. Zij constateren dat de reïntegratie van (gedeeltelijk) arbeidsgeschikten na de opheffing van de GMD tot de taken van de bedrijfsverenigingen is gaan behoren. De uitvoeringsinstellingen, die deze taak uitvoeren, zullen deze moeten overdragen aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Op langere termijn, zo vervolgen zij, zal Arbeidsvoorziening op dit terrein concurrentie kunnen krijgen, bijvoorbeeld van de uitvoeringsorganisaties die daaraan in het verleden ook hebben gewerkt. Deze slingerweg lijkt hen niet in het voordeel te zijn van degenen die op deze diensten zijn aangewezen en brengt ook extra kosten met zich. Zij vragen of deze indruk terecht is.

Het is naar mijn mening niet wenselijk de overgang van de bemiddeling van arbeidsgehandicapte personen los te zien van andere beleidsmatige ontwikkelingen op dit moment. Ik wijs daarbij met name op de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996, de voorliggende wetsvoorstellen, de in voorbereiding zijnde Wet op de reïntegratie en op de ontwikkelingen in het kader van SWI. Uiteraard zal de in 1994 genomen principe-beslissing tot overdracht worden bezien in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen. Bij al deze ontwikkelingen staat het streven naar een effectiever en efficiënter reïntegratiebeleid voorop, en de overdracht zal haar steentje daar voor de groep arbeidsgehandicapten toe moeten bijdragen. In de kabinetsreactie op het definitieve eindadvies van de Regiegroep SWI zal de werkwijze met betrekking tot de overdracht worden toegelicht, in het verlengde van hetgeen in de Arbowet is aangegeven. Aan de leden van de GPV-, SGP- en RPF-fractie kan ik met betrekking tot de vraag of Arbeidsvoorziening op langere termijn concurrentie zal kunnen krijgen van de uitvoeringsinstellingen, het volgende antwoorden. De Regiegroep SWI heeft een zogenaamd coöperatief model voorgesteld waarin de uitvoeringsinstellingen bemiddeling inkopen, en derhalve deze niet zelf mogen verrichten. Binnen het door de Regiegroep SWI voorgestelde model zal er gedurende de eerste drie jaar sprake zijn van gedwongen inkoop bij Arbvo. In het door de Regiegroep voorgestelde model zal derhalve geen concurrentie tussen de uitvoeringsinstellingen en Arbeidsvoorziening ontstaan. Het advies van de Regiegroep SWI zal voor het kabinet een belangrijke rol spelen bij de toekomstige inrichting van het arbeidstoeleidings- en uitkeringsproces.

Het kabinet heeft kennis genomen van het standpunt van de CDA-fractie over het experimenteerartikel. De door deze leden genoemde argumenten zullen worden betrokken bij de nota die volgens planning eind februari aan de Tweede Kamer zal worden gestuurd. Naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks zij hierbij opgemerkt dat het niet mogelijk is om deze nota voor de plenaire behandeling van de onderhavige wetsvoorstellen af te ronden.

De toelichting op de wijziging van de artikelen ter zake van de Veegwetbudgetten heeft de leden van de CDA-fractie verbaasd. De verdeling van het Veegwetbudget 1996 over de regio's heeft toch veel te lang geduurd, terwijl ook de onderhandelingen tussen het CBA en sommige bedrijfsverenigingen vaak uitermate lang hebben geduurd en soms zelfs niet tot overeenstemming hebben geleid? Door beide oorzaken heeft de regionale arbeidsvoorzieningsorganisatie in dit opzicht met gebonden handen gezeten. Wie had hier nu moeten ingrijpen?

De verdeling van het Veegwetbudget 1996 over de regio's heeft inderdaad lang geduurd, en hetzelfde geldt voor de totstandkoming van de contracten tussen de bedrijfsverenigingen en Arbeidsvoorziening. De reden daarvan is, dat in 1996 voor het eerst door de bedrijfsverenigingen voor de betreffende doelgroep moest worden ingekocht. Daarbij werd het door sommige bedrijfsverenigingen als belemmerend ervaren dat verplicht bij Arbeidsvoorziening moest worden ingekocht, terwijl aan de andere kant sommige RBA's moesten wennen aan het feit dat met betrekking tot de door hen geraamde inkomsten uit het Veegwetbudget ook over concrete prijzen en prestaties moest worden onderhandeld. Ten slotte kostte de vertaling van landelijke budgetten van de bedrijfsverenigingen naar concrete contracten – soms gedecentraliseerd naar het regionale niveau – de nodige tijd. Gedurende 1996 is zowel aan het CBA als aan het Tica een aantal malen aandacht gevraagd voor de voortgang van de aanbesteding van het Veegwetbudget 1996. Aan het eind van het jaar was deze dan ook verbeterd. Daarnaast is ingegrepen door in het wetsvoorstel IOSV 1997 te bepalen dat een eventueel restant van het Veegwetbudget 1996 wordt overgeheveld naar 1997, terwijl in dat wetsvoorstel bovendien een stringentere aanbestedingssystematiek is neergelegd. Overigens wijs ik erop dat het in de IOSV 1997 neergelegde artikel 26 in de Noodwet OSV vervangen is door een nieuw artikel. Het feit dat de OSV 1997 niet met ingang van 1 januari 1997 in werking kon treden, noopte hiertoe.

Ten slotte merk ik op dat het Tica inmiddels een Veegwetbesluit 1997 heeft opgesteld, waarin, in afwachting van de binnenkort te wijzigen organisatie van de werknemersverzekeringen, voorlopig 60% van dat budget over de bedrijfsverenigingen wordt verdeeld. Ik heb het Tica-besluit daartoe onlangs goedgekeurd.

In een na 1 maart te treffen besluit zal het Lisv het restant van het Veegwetbudget 1997 (alsmede het eventuele restant over 1996) verdelen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Naar boven