nr. 196a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS1
Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende
opmerkingen en vragen.
De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis
genomen van de plannen van het kabinet terzake van de bestrijding van achterstanden
in het onderwijs.
Over dit onderwerp zijn in de afgelopen 10 jaar regelmatig wetten aangenomen.
Daarom vroegen deze leden wat de meerwaarde van het voorliggende wetsvoorstel
is ten opzichte van eerdere wetten zoals het onderwijsvoorrangsbeleid, het
onderwijsvoorrangsgebiedenbeleid, de G19 etc. Komt het onderhavige wetsvoorstel
naast dan wel in de plaats van eerdere wetgeving ter zake? Kan de bewindsvrouwe
een overzicht verschaffen van alle wetten en maatregelen die thans van toepassing
zijn op kinderen met onderwijsachterstanden, inclusief de daarvoor beschikbare
financiële middelen?
Is de indruk juist dat het bij dit wetsvoorstel gaat om een herverkaveling
van reeds bestaande uitkeringen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden?
Zijn er personeelsproblemen of uitbreiding van het aantal wachtgelders
te verwachten door de herschikking van werkzaamheden en middelen?
Uit artikel VII, tweede lid, onderdeel d. en e. blijkt dat een aantal
formatierekeneenheden van scholen na na 31 juli 1997 zullen toevallen aan
de gemeente als onderdeel van de specifieke uitkering. Betekent dit dat scholen
bij gewenste voortzetting van thans bestaand werk, daarvoor in de toekomst
middelen zullen moeten aanvragen bij de gemeente?
De leden van de fractie van D66 zeiden positief te staan tegenover
de doelstellingen van het onderhavige wetsvoorstel al zagen zij de uitvoering
toch met enige zorg tegemoet. Veel zal ook afhangen van de bij- en nascholingsbudgetten
voor leerkrachten. Tot nog toe waren het vooral de leerprocessen waarop de
aandacht van de leerkrachten gericht was bij achterstanden. Thans echter gaat
het om het hele hulpverleningsnetwerk rond de school waarin de leerkrachten
minder thuis zijn. Ook eist verwijzing een aparte vaardigheid juist bij hulp
op maat.
Hoe wordt nu die vaardigheid in de huidige opleiding geïntegreerd
en hoe is de nascholing voor de huidige leerkrachten? Is daar geld voor? Ook
vroegen deze leden zich af hoe de staatssecretaris aankijkt tegen de verlengde
schooldag. Dit gaat immers temeer knellen nu straks verplicht onderwijs voor
allochtone leerlingen in eigen taal en cultuur schooltijd in beslag gaat nemen.
Met veel belangstelling hadden de leden van de fracties van GPV,
SGP en RPF kennis genomen van het wetsvoorstel dat de rol
van de gemeenten in het onderwijsachterstandenbeleid sterk vergroot.
Na de behandeling in de Tweede Kamer hadden deze leden er behoefte aan
nog enkele vragen te stellen.
Het wetsvoorstel geeft de gemeentebesturen de bevoegdheid zich bezig te
houden met de wijze waarop scholen hun onderwijs inrichten. Zoals de Raad
van State stelt is dit de eerste keer dat zo'n verticale decentralisatie van
onderwijsbeleid gestalte krijgt.
Deze vorm van decentralisatie is door de regering uitvoerig gemotiveerd.
Ook tijdens de Tweede-Kamerbehandeling van het wetsvoorstel is zorgvuldig
bezien onder welke voorwaarden de rijksoverheid onderwijsbeleid aan gemeenten
kan delegeren, getuige bij voorbeeld de amendementen die de eigen verantwoordelijkheid
van het bevoegd gezag van scholen nog onderstrepen (stuk nrs. 28 en 30), en
ook de houding van de staatssecretaris ten opzichte van deze amendementen.
De uitkomst van het wetgevingsproces tot nu toe is een wetsvoorstel dat
gemeenten bevoegd maakt te bepalen hoe scholen bepaalde middelen moeten inzetten,
zij het dat over het plan dat de inzet van die middelen regelt, met de scholen
serieus overleg is gevoerd en de gemeente zich niet bemoeit met de wijze waarop
die inzet van middelen operationaliseert.
In de memorie van toelichting (stuk nr. 3) heeft de regering haar uitgangspunten
uiteengezet voor een goede overheveling van bevoegdheden naar de gemeenten.
Graag zouden de leden hier aan het woord vernemen hoe de regering het voorliggende
wetsvoorstel nu beoordeelt in het licht van deze uitgangspunten. Daarbij zijn
we in het bijzonder geïnteresseerd in de wijze waarop naar het oordeel
van de regering de bevoegdheden van de gemeenten «inhoudelijk en procedureel
zoveel mogelijk naar de hoofdzaak in de wettelijke regeling (zijn) vastgelegd»
(memorie van toelichting blz. 9).
De keerzijde van de bovenstaande vraag is de vraag naar de wijze waarop
de rijksoverheid in het kader van het voorliggende wetsvoorstel haar eigen
verantwoordelijkheid voor het onderwijs kan waarmaken. Concreet zouden deze
leden willen vragen of de regering zich voorstelt via het landelijk beleidskader
(artikel 110a) inhoudelijk sturing te geven aan het onderwijsachterstandenbeleid.
Goed onderwijsachterstandenbeleid is niet gemakkelijk gebleken. Uit onderzoek
is duidelijk geworden dat effectiviteit niet gemakkelijk is te bereiken. Voor
een doelmatige inzet van middelen is tenminste deskundigheid en ervaring nodig.
Hoe groot acht de regering het risico dat de door dit wetsvoorstel veroorzaakte
veranderingen zullen leiden tot aantasting van de deskundigheid die nu beschikbaar
is voor onderwijsvoorrangsbeleid?
Bij het onderwijsvoorrangsbeleid is, net als bij andere zaken waar de
gemeenten rechtstreekse verantwoordelijkheden hebben ten opzichte van de scholen
in hun gemeente, een goed samenspel tussen gemeenten en onderwijsveld noodzakelijk.
Dit is voor de gemeenten een opgave, maar zeker ook voor de scholen die behalve
met de gemeente ook op een nieuwe manier met elkaar moeten samenwerken.
Zou het geen goede zaak zijn als de staatssecretaris de scholen met informatie
of zelfs advies zou helpen een goede configuratie te vormen, samen met elkaar
en met de gemeente?
De voorzitter van de commissie,
Jaarsma
De griffier van de commissie,
Hordijk