24 776
Overgangs- en invoeringsrecht voor de totstandkoming van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen)

nr. 94d
NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 4 april 1997

Blijkens het nader voorlopig verslag leven bij de Kamer nog een aantal vragen met betrekking tot een tweetal onderdelen van het wetsvoorstel. Ik moge deze vragen als volgt beantwoorden.

Artikel XXXV (wijziging van de Werkloosheidswet)

De leden van de CDA-fractie vragen of er een inschatting is te maken van de gevolgen van de verschuiving van de wachtgeldpremie naar de werkgever voor de verschillende sectoren. De leden van de PvdA-fractie vragen of in algemene zin kan worden aangegeven welk deel van de WW-uitkeringen ten laste komt van het AWf. Voorts vragen deze leden of – althans bij benadering – aangegeven kan worden hoe de verdeling tussen sectoren divergeert. Deze leden achten het waarschijnlijk dat een deel van de sectoren, die «getroffen» worden door de volledige toerekening van de wachtgeldpremie samenvalt met de sectoren die eveneens getroffen worden door de effecten van de premiedifferentiatie WAO. In hoeverre kan hier een negatief werkloosheidseffect optreden, zo vragen deze leden. Zij informeren of de macrorationaliteit ook is gewogen voor effecten voor afzonderlijke sectoren.

De verschuiving van de wachtgeldpremie naar de werkgever maakt onderdeel uit van het pakket maatregelen om de invoering van Pemba inkomens- en loonkostenneutraal te laten geschieden.

Het volledig ten laste van werkgevers laten komen van de wachtgeldpremie WW vindt plaats onder gelijktijdige aanpassing van de verdeling van de AWf-premie. Zonder deze laatste aanpassing zou het volledig voor rekening van de werkgever brengen van de wachtgeldpremie een lastenstijging voor werkgevers betekenen. Immers, tot dusver komt de wachtgeldpremie voor de helft voor rekening van de werknemer. Vandaar dat ter compensatie een corresponderende verlaging van het werkgeversdeel in de uniforme landelijke AWf-premie plaatsvindt. Complement van deze laatste mutatie is een verhoging van het werknemersdeel in de AWf-premie. Het gevolg van deze maatregelen is dat op macroniveau (in de memorie van antwoord is abusievelijk gemeld dat dit op micro-niveau zou zijn) werkgevers en werknemers ieder voor de helft blijven bijdragen aan de premielasten WW. Op micro- en mesoniveau is dat anders. Werkgevers in sectoren met een hoge wachtgeldpremie zien hun lasten stijgen. Immers, deze werkgevers gaan de volledige hoge wachtgeldpremie betalen, waartegen de vermindering van het werkgeversaandeel in de landelijke uniforme AWf-premie niet geheel opweegt. Werknemers in deze sectoren gaan er op overeenkomstige wijze op vooruit. In sectoren met een lage wachtgeldpremie doet zich het omgekeerde voor.

Voor 1997 wordt geraamd dat van de totale WW-uitkeringen ca 18% ten laste komt van de wachtgeldfondsen. Voor de verdeling tussen sectoren (voorheen bedrijfsverenigingen) zijn geen recentere gegevens dan die over 1995 beschikbaar. In dat jaar bedroeg de wachtgeldperiode echter nog 8 weken (in 1996 is deze periode verlengd naar 13 weken) en bedroegen de wachtgeldlasten ca 13% van de totale WW-lasten. Niettemin kunnen deze gegevens indicatief zijn voor de verdeling tussen sectoren. In de volgende tabel is het aandeel van de wachtgeldlasten in de totale WW-lasten per bedrijfsvereniging weergegeven.

Bedrijfsvereniging 
TAB29%
Bouw29%
Hout12%
Grafische9%
Metaalind.6%
Metaalnijv.13%
Bakkers11%
Samenwerking14%
Detam11%
Habivi5%
Koopvaardij10%
Vervoer11%
Horeca17%
Gezondheid11%
Overheid20%
Banken12%
NAB15%
NIB7%
Totaal13%

Sectoren met een relatief hoog wachtgeldaandeel hebben tevens een relatief hoge wachtgeldpremie. In deze sectoren zal als gevolg van de «wachtgeldschuif» derhalve sprake zijn van een lastenverhogend effect voor werkgevers. In sectoren met een relatief laag wachtgeldaandeel is daarentegen sprake van een lastenverlichting.

Overigens zijn deze effecten bewust beoogd. Met deze «wachtgeldschuif» wordt immers tevens uitvoering gegeven aan het in het regeeraccoord vermelde voornemen om de wachtgeldperiode voor rekening van werkgevers te brengen. Achtergrond bij dit voornemen was de wens van het kabinet werkgevers in sterkere mate dan voorheen te confronteren met de kosten van het uitstoten van werknemers richting WW.

Erkend wordt dat in sectoren waar de «wachtgeldschuif » leidt tot lastenverzwaring werkgevers tevens geconfronteerd kunnen worden met hogere arbeidsongeschiktheidslasten als gevolg van premiedifferentiatie. Lagere arbeidsongeschiktheidslasten behoren echter ook tot de mogelijkheden. Inherent aan Pemba is immers dat de premielasten van een onderneming worden bepaald door het arbeidsongeschiktheidsrisico van de individuele onderneming. Ondernemingen kunnen hun arbeidsongeschiktheidsrisico individueel beïnvloeden en daarmee de lasten beteugelen. Het beeld dat bepaalde sectoren als het ware dubbel «getroffen» worden doet naar mijn oordeel te weinig recht aan de dynamiek die Pemba in dit opzicht creëert.

De lastenverzwaring als gevolg van de «wachtgeldschuif» is echter niet individueel te beïnvloeden. In sectoren waar die schuif leidt tot lastenverzwaring kan als gevolg daarvan een negatief werkgelegenheidseffect optreden. In sectoren waar daarentegen sprake is van lastenverlichting wordt de werkgelegenheid gestimuleerd. Omdat de «wachtgeldschuif» macro gezien neutraal uitwerkt in termen van lastenverzwaring/lastenverlichting zal het macro werkgelegenheidseffect van de schuif eveneens neutraal uitpakken, waarschijnlijk (licht) positief, vanwege de prikkel die sectoren ondervinden om op sectoraal niveau de wachtgeldlasten te beheersen.

Bij de beoordeling van de macrorationaliteit van Pemba zijn aldus tevens de effecten voor de afzonderlijke sectoren meegewogen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wie, na het vervallen van de publieke taak voor de bedrijfsverenigingen tot uitvoering van de werknemersverzekeringen, de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in wachtgeldfondsen bepaalt en wie daarin eventueel wijzigingen kan aanbrengen.

Op grond van artikel 51 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 stelt de Minister de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren vast. Bij de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is in de WW de bepaling opgenomen dat de administratie van middelen voor elk wachtgeldfonds afzonderlijk per sector plaatsvindt. Per sector is er een wachtgeldfonds. Het is derhalve de Minister die de indeling in wachtgeldfondsen bepaalt.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is verder bevoegd om binnen een wachtgeldfonds risicogroepen in te stellen. Indien het Lisv hiertoe overgaat worden de lasten van de wachtgelduitkeringen binnen een risicogroep op het niveau van die risicogroep verevend.

Artikel XLII (wijziging Wet op de ondernemingsraden)

De leden van de PvdA-fractie stellen een aantal vragen bij de voorgestelde wijziging van artikel 27, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden. Zij missen een toelichting of argumentatie bij dit onderdeel. Zij vragen of het schrappen van het instemmingsrecht van de OR inzake invaliditeitspensioen iets te maken heeft met Pemba en, zo nee, waarom het instemmingsrecht terloops wordt beperkt. Voorts vragen zij wat het gevolg is van het schrappen van het instemmingsrecht voor lopende toezeggingen. Ten slotte vragen zij of het kabinet bereid is tot heroverweging van het wijzigingsvoorstel, indien het wijzigingsvoorstel onbedoelde of onvoorziene effecten zou hebben.

Terecht signaleren deze leden dat de voorgestelde wijziging van artikel 27, eerste lid, van de WOR neerkomt op een inperking van het instemmingsrecht. In het wijzigingsvoorstel wordt immers bepaald dat het instemmingsrecht van de OR betrekking heeft op een ouderdoms- of nabestaandenpensioenverzekering en niet, zoals nu nog het geval is, op een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering. Het ruimere begrip pensioenverzekering kan ook invaliditeitspensioenen omvatten, voor zover deze worden afgesloten bij een private verzekeraar (bijv. zg. aanvullende WAO-gat-verzekeringen).

Dit wijzigingsvoorstel stamt uit een eerder Pemba-voorstel, waarin nog sprake was van opting out. Daarin was bepaald dat de OR adviesrecht zou krijgen terzake van «de vaststelling van een regeling met betrekking tot een door een verzekeringsmaatschappij uitgevoerde invaliditeitspensioenverzekering». In samenhang daarmee werd in dat eerdere ontwerp bepaald dat het instemmingsrecht beperkt zou worden tot een ouderdoms- of nabestaandenpensioenverzekering. In het aangepaste Pemba-wetsvoorstel, waarbij opting out werd losgelaten en eigenrisicodragen werd geïntroduceerd, is wel de formulering van het adviesrecht in overeenstemming gebracht met de gewijzigde opzet van het wetsvoorstel, maar is abusievelijk nagelaten het tweede wijzigingsvoorstel inzake het instemmingsrecht te wijzigen. Het is inderdaad in het kader van dit wetsvoorstel niet de bedoeling om wijzigingen aan te brengen in de reikwijdte van het instemmingsrecht van de OR. Daartoe bestaat ook geen aanleiding, omdat het invaliditeitspensioen geen relatie heeft met de voorliggende voorstellen inzake premiedifferentiatie en marktwerking. Ik ben dan ook graag bereid om het wijzigingsvoorstel met betrekking tot artikel 27, eerste lid, WOR te laten vervallen. Dit zal worden opgenomen in het kader van de voorgenomen Aanpassingswet Pemba.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Naar boven