nr. 95d
NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD
Blijkens het nader voorlopig verslag leven bij de Kamer nog een drietal
vragen. Ik moge deze als volgt beantwoorden.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de staatssecretaris zich
kan voorstellen, dat er in stede van de beoogde «herkenbare» solidariteit
sprake is van een onherkenbare solidariteit nu de uitwerking van WAZ met zich
zal kunnen meebrengen, dat in een aantal gevallen geen sprake zal zijn van
een uitkering op minimum-niveau.
Terecht merken de leden van de CDA-fractie op dat de WAZ met zich kan
brengen dat in een aantal gevallen geen sprake zal zijn van een uitkering
op minimum-niveau. Deze leden doelen hiermee op de effecten van het inkomensdervingsbeginsel
dat aan de WAZ ten grondslag ligt. Daaruit mag naar mijn oordeel echter niet
de conclusie worden getrokken dat als gevolg van dit onderdeel van de voorstellen
sprake zou zijn van onherkenbare solidariteit.
In de memorie van antwoord heb ik aangegeven wanneer naar mijn oordeel
sprake is van herkenbare solidariteit. Als wezenlijke elementen heb ik daarbij,
in de context van de WAZ, genoemd dat de lasten zoveel mogelijk worden toegerekend
aan degenen die ze veroorzaken, en dat sprake is van een betaalbare premie
en van handhaving van de sociale bescherming voor degenen die nu verzekerd
zijn. Daarvan uitgaande moet in het oog worden gehouden dat de WAZ het karakter
heeft van een inkomensdervingsregeling. Dit betekent dat geen grondslag voor
het uitkeringsrecht aanwezig is wanneer geen inkomen is genoten. Daarmee wordt
de notie van solidariteit niet doorbroken, maar wel begrensd. Ik roep in herinnering
dat dit element van de voorstellen niet nieuw is. Ook in het kader van de
AAW bestond immers het voornemen om het inkomensdervingsbeginsel te versterken
(Kamerstukken II 1992/93, 22 968). Met andere woorden, wanneer de AAW
gewoon zou blijven voortbestaan zou dit voornemen wat het kabinet
betreft eveneens, maar dan via wijziging van de AAW, aan uw Kamer worden voorgelegd.
Voorts is van belang dat personen die in deeltijd werken en daarmee minder
verdienen dan het minimumloon, ook onder de AAW een uitkering ontvangen die
gerelateerd is aan dat lagere inkomen en niet aan het minimumloon. Dit illustreert
eveneens dat solidariteit, of dit nu vorm krijgt in een volksverzekering of
in een specifieke zelfstandigenverzekering, zijn grenzen vindt in het karakter
van de verzekering.
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie zich af waarom er een ongelijkheid
in behandeling is tussen studenten en zelfstandigen.
Naar de mening van het kabinet is van ongelijkheid in behandeling van
deze twee groepen geen sprake.
Zoals hiervoor is opgemerkt werd reeds bij de destijds voorgestelde wijziging
van de AAW aangegeven dat een versterking van het inkomensdervingsbeginsel
in de AAW wenselijk werd geacht.
Bij de totstandkoming van het Wetsvoorstel WAZ is hierbij aangesloten.
Onder meer in paragraaf 2.3.2 van de nota naar aanleiding van het verslag
WAZ (Kamerstukken II, 1996–1997, 24 758, nr. 6) is hierop uitvoerig
ingegaan. Uitsluitend ten aanzien van jonggehandicapten en studenten is afgeweken
van de toepassing van het inkomensdervingsprincipe. Bij de voorstellen die
destijds werden gedaan in het kader van de wijziging van de AAW werden de
studenten nog niet uitgezonderd. Het huidige kabinet heeft evenwel, na een
positief advies hierover van de SER, besloten dat ook ten aanzien van studenten
een uitzondering moest worden gemaakt omdat hun situatie vergelijkbaar is
met die van de jonggehandicapten.
Het kabinet is van mening dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen
de positie van jonggehandicapten en studenten enerzijds en de positie van
werknemers en zelfstandigen anderzijds, en dat dit verschil een afzonderlijke
benadering rechtvaardigt. Anders dan werknemers en zelfstandigen hebben jonggehandicapten
en studenten immers vanwege hun jeugdige leeftijd vóór het ontstaan
van de arbeidsongeschiktheid niet deel kunnen nemen aan betaalde arbeid en
via premieheffing kunnen bijdragen aan de financiering van een wettelijke
voorziening. Daarom wordt voor hen een specifieke voorziening getroffen met
een eigen financieringskader, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong). Op grond van de Wajong kunnen jonggehandicapten en studenten evenals
op grond van de huidige AAW-regeling in aanmerking komen voor een uitkering
op minimumniveau.
De leden van de CDA-fractie stellen dat van het macrovoordeel van 140
mln nog de premiebedragen moeten worden afgetrokken die noodzakelijk zouden
zijn om op het oude niveau verzekerd te blijven. Om welke bedragen zou het
hierbij bij benadering kunnen gaan, vragen deze leden.
Ik stem in met deze leden dat bij de beoordeling van het financiële
voordeel, dat zelfstandigen hebben bij de WAZ, tevens moet worden betrokken
de financiële effecten van het aanscherpen van het inkomensdervingsbeginsel.
Zoals in de memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel 22 968 is
aangegeven, leidt aanscherping van het inkomensdervingsbeginsel, onder gelijktijdige
introductie van de middelingsregeling en gelijktijdige afschaffing van de
entree-eis tot een besparing op de uitkeringslasten van per saldo 75 mln per
jaar. Dit geldt voor de structurele situatie. Zou men de rechten op het oude
niveau willen houden, dat wil zeggen afzien van het aanscherpen van het inkomensdervingsbeginsel,
dan zou dat per saldo 75 mln aan extra lasten opleveren. Omdat aanscherping
van het inkomensdervingsbeginsel alleen voor nieuwe gevallen geldt
duurt het enige tientallen jaren voor de besparing van 75 mln volledig is
gerealiseerd.
In de eerste jaren zullen de effecten nog zeer bescheiden zijn. De becijfering
die ik heb gemaakt van het macrovoordeel van 140 mln ziet op de eerste jaren
van de WAZ. Dat betekent dat de lasten die zijn geraamd nog nauwelijks zijn
beïnvloed door de afschaffing van het inkomensdervingsbeginsel. Die effecten
zullen, zoals gezegd, pas na een aantal jaren enige substantiële omvang
krijgen. Alsdan zullen de lasten dalen en daarmee ook de bedragen die zelfstandigen
aan premie moeten opbrengen. Met andere woorden, het macrovoordeel van 140
mln zal niet naar beneden toe behoeven te worden bijgesteld.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F. H. G. de Grave