Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal1996-199724614 nr. 158b

24 614
Voorstel van wet tot wijziging van verschillende wetten in verband met de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht (24 614)

nr. 158b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 18 maart 1997

De leden van de fracties van de SGP, het GPV en de RPF betreurden het dat er in het wetsvoorstel geen grotere helderheid en consistentie te bereiken was qua gebruikte begrippen. In dit verband gaven zij aan dat naast de grondwettelijke term «levensovertuiging» de term «levensbeschouwing» gehanteerd wordt. Met verwijzing naar het invoeren van de termen «genootschap op geestelijke grondslag» in de Monumentenwet 1988 stelden zij voorts de vraag waarom in de brief van 11 december jl. aan de Voorzitter van de Tweede Kamer het gebruik van deze termen niet ontraden is nu deze sedert 1989 uit Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn verdwenen. Verder vroegen zij of bevestigd kon worden dat aan bedoelde term thans geen enkele zelfstandige betekenis toekomt in de zin van het rechtspersonenrecht.

Bij het redigeren van het voorliggende voorstel van wet is rekening gehouden met het feit dat er voor het begrip «levensovertuiging» geen bijvoeglijk naamwoord bestaat. In sommige gevallen is niettemin gekozen voor het gebruik van een bijvoeglijk naamwoord, omdat anders zinsconstructies zouden ontstaan die uit taalkundig oogpunt minder fraai zouden zijn. Dat daarbij is gekozen voor het bijvoeglijk naamwoord «levensbeschouwelijk» lag voor de hand, omdat, zoals ook in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer der Staten-Generaal naar voren is gebracht, de (grond)wetgever de begrippen «levensovertuiging» en «levensbeschouwelijk» reeds eerder als synoniem heeft gezien.

Wat betreft de voorgestelde wijziging van de Monumentenwet 1988 merk ik het volgende op. Vóór de wijziging van het Burgerlijk Wetboek in 1989 kwamen de termen «genootschap op geestelijke grondslag» in artikel 18 van dat Wetboek voor. Dit artikel verklaarde de daaraan voorafgaande artikelen 10–17 (betreffende de rechtskracht van beslissingen van de algemene vergadering of het bestuur van een vereniging, naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) niet van toepassing op «kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en andere genootschappen op geestelijke grondslag». Bij de wijziging van het Burgerlijk Wetboek in 1989 is onder andere in artikel 18 de zinsnede: «andere genootschappen op geestelijke grondslag» komen te vervallen. Dit betekent dat op een genootschap op geestelijke grondslag die rechtspersoonlijkheid wenst te verkrijgen c.q. heeft verkregen, alle bepalingen van het (gewone) rechtspersonenrecht van toepassing zijn.

In artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt, als gevolg van de scheiding van kerk en staat, de rechtspersoonlijkheid van Kerkelijke organisaties erkend. Vóór de wijziging van 1989 erkende artikel 2, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de rechtspersoonlijkheid van «Kerkgenootschappen, alsmede hun zelfstandige onderdelen». Na de wijziging van het Burgerlijk Wetboek in 1989 is aan deze bepaling de zinsnede toegevoegd: «en lichamen waarin zij zijn verenigd». «Genootschappen op geestelijke grondslag» werden in genoemd artikellid vóór noch ná 1989 genoemd. Deze genootschappen zijn dus niet «naar hun aard» vanwege hun «rechtsvorm» rechtspersoon, maar kunnen (zoals eerder opgemerkt) momenteel wel, conform de artikelen 3 en volgende van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, rechtspersoonlijkheid verkrijgen en navenant handelen.

In tegenstelling tot Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat handelt over het erkennen en verstrekken van rechtspersoonlijkheid, gaat het er in de te wijzigen bepaling van de Monumentenwet 1988 om een omschrijving te geven van het begrip «Kerkelijk monument». Volgens onderhavig voorstel van wet kunnen zowel de in artikel 2, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek erkende rechtspersonen als andere genootschappen op geestelijke grondslag, een «Kerkelijk monument» in eigendom hebben. Een «genootschap op geestelijke grondslag» kan echter aan de Monumentenwet 1988 nooit rechten ontlenen op het gebied van het rechtspersonenrecht.

Ter voorkoming dat er een direct verband zou worden gelegd tussen artikel 2, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de voorgestelde wijziging van de Monumentenwet 1988, ben ik zowel in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, als tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel op 4 december jl., en in mijn brief van 11 december 1996 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal op deze kwestie ingegaan. Gelet op hetgeen hiervoor gesteld is omtrent de wetsgeschiedenis van de artikelen 2 en 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was er op zich geen aanleiding om de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal het gebruik van de termen «genootschap op geestelijke grondslag» te ontraden. Dit heb ik echter bij herhaling wel gedaan ten aanzien van de term «een ander godsdienstig genootschap», omdat ik in navolging van de grondwetgever, vanwege de scheiding van kerk en staat, een discussie wil voorkomen over de inhoud van de begrippen godsdienst en levensovertuiging.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal