nr. 30b
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 9 december 1996
De ondergetekende heeft met belangstelling kennisgenomen van de inhoud
van het door de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgebrachte
voorlopige verslag.
Het lid van de SP-fractie vraagt zich af waarop het kabinet de overtuiging
baseert dat deze regeling werkgevers zal stimuleren om langdurig werklozen
te werk te stellen. Naar aanleiding van deze vraag wil ik opmerken dat het
wetsvoorstel dat nu ter tafel ligt in samenhang met andere maatregelen (tewerkstellingsvergunningenbeleid
Wet Arbeid Vreemdelingen, stringente inspectie met betrekking tot arbeidsomstandigheden
en illegale tewerkstelling, arbeidsbemiddeling door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
incentive- en sanctiebeleid) beoogt een bijdrage te leveren aan de oplossing
van de problemen in de personeelsvoorziening die met name bij seizoenarbeid
in de tuinbouwsector worden ervaren. Met deze meervoudige aanpak wordt tegemoet
gekomen aan de afspraken, zoals neergelegd in het Tuinbouwakkoord. Dit laat
overigens onverlet de primaire verantwoordelijkheid van de sector zelf voor
de personeelsvoorzieningsproblematiek.
Tevens wordt met dit wetsvoorstel een helder wettelijk regime voor premieheffing
bij dit soort arbeid geboden, zodat de bestaande contra-legempraktijk kan
worden beëindigd.
De inzet van uitkeringsgerechtigden kan een bijdrage leveren aan de personeelsvoorzieningsproblematiek.
Zowel voor de werkgever als de uitkeringsgerechtigde wordt met deze premievrijstelling
een duidelijke stimulans geboden. De loonkosten voor de werkgever worden verminderd
en de uitkeringsgerechtigde zal op basis van hetzelfde bruto-loon netto meer
overhouden.
Omdat het de verwachting is dat uitkeringsgerechtigden niet alleen zullen
kunnen voorzien in de personeelsbehoefte in de agrarische sector kunnen daarnaast
ook andere aangewezen categorieën van werknemers, die niet op inkomen
uit arbeid zijn aangewezen, in aanmerking worden gebracht voor de sectorspecifieke
vrijstellingsregeling. Hierbij wordt gedacht aan scholieren, studenten en
huisvrouwen.
Op de vraag van het lid van de SP-fractie of het kabinet gegevens heeft
waaruit blijkt of en zo ja hoe de specifieke afdrachtskorting (SPAK) werkt,
kan ik aangeven dat op grond van gegevens van de Belastingdienst over het
gerealiseerde bereik van de SPAK in de eerste twee kwartalen van dit jaar,
de verwachting gerechtvaardigd is dat het structureel geraamde bereik (700
mln gld) in 1996 gerealiseerd zal worden.
Op de vraag of het voorliggende wetsvoorstel niet strijdig is met de «Wet
verminderde afdracht loonbelasting en premies voor de volksverzekering»,
kan ik antwoorden dat beide regelingen resulteren in een belangrijke verlaging
van de loonkosten.
De «Wet verminderde afdracht loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen»
ziet met name op de reductie van de af te dragen premies volksverzekeringen
en de loonbelasting, het wetsvoorstel marginale arbeid voorziet in een vrijstelling
van de premies werknemersverzekeringen.
De beide regelingen vullen elkaar hierin aan en vormen een dubbele stimulans
voor zowel werkgevers als werknemers in het onderste segment van de arbeidsmarkt,
om tot een arbeidsrelatie te komen.
Als gevolg van het wetsvoorstel «Premieregime bij marginale arbeid»
zullen de totale loonkosten voor de werkgever op minimumloonniveau met circa
f 200,– per maand dalen. (cijfers 1996). Ten gevolge van de afdrachtskorting
wordt nogmaals een reductie van circa f 100,– per maand gerealiseerd.
Ingaande op de vraag of de bij het piekprobleem bij de aspergeoogst gehanteerde
aanpak ook mogelijk wordt geacht in andere sectoren, merk ik op dat de tuinbouwsector
zich in deze niet onderscheidt van andere sectoren. Voor alle sectoren is
een correcte toepassing van de nationale en Europese regelgeving op het gebied
van de bemiddeling van arbeidskrachten, alsmede toezicht op de naleving van
die regelgeving door de Arbeidsinspectie in gelijke mate van belang. In de
uitvoeringspraktijk wordt dienaangaande ook geen onderscheid gemaakt.
Het lid van de SP-fractie vraagt zich voorts af of de verplichting voor
werkgevers om zich te houden aan de Wet minimumloon en de wettelijke vereisten
inzake arbeidsomstandigheden, in het kader van de onderhavige regeling onder
de aandacht van de werkgevers kan worden gebracht. In het algemeen is uitgangspunt
van wettelijke regelingen dat de begunstigden zich houden aan wettelijke bepalingen
op andere terreinen. Wanneer een werkgever zich niet houdt aan de Wet minimumloon,
dan kan de betrokken werknemer de rechter inschakelen om zijn recht te doen
gelden. Bovendien geldt met betrekking tot zowel de Wet minimumloon als wettelijke
regelingen inzake arbeidsomstandigheden, dat de Arbeidsinspectie de naleving
controleert. Het kabinet acht het dan ook niet noodzakelijk om in het kader
van de onderhavige regeling nogmaals expliciet te wijzen op wettelijke verplichtingen
van werkgevers.
Het lid van de SP-fractie vroeg zich tot slot af of de regeling niet het
karakter van een bedrijfssubsidie heeft, aangezien ze slechts geldt voor bepaalde
sectoren.
Naar aanleiding hiervan wil ik opmerken dat de premievrijstellingsregeling
voor uitkeringsgerechtigden niet sectorspecifiek is en gefinancierd zal worden
vanuit het Awf. Vermeld moet worden dat de budgettaire gevolgen van deze regeling
gering zullen zijn aangezien tegenover de premiederving een besparing op uitkeringsgelden
staat.
In de agrarische sector kunnen ook andere aangewezen categorieën
van werknemers, die niet op inkomen uit arbeid zijn aangewezen, in aanmerking
worden gebracht voor de sectorspecifieke vrijstellingsregeling.
Mede met het oog op Europese regelgeving zal de premievrijstelling voor
deze groepen, die sectorspecifiek is, op termijn, dat wil zeggen na een overgangsperiode
van 3 jaar waarin respectievelijk 25%, 50% en 75% ten laste van het wachtgeldfonds
wordt gebracht, overwegend gefinancierd worden vanuit de wachtgeldfondsen
van de sector. Financiering vanuit de algemene middelen of het Awf, zou strijdigheid
opleveren met art. 92 van het EG-verdrag. Het zou dan een steunmaatregel (met
directe of indirecte bekostiging uit overheidsmiddelen) zijn, die door begunstiging
van een specifieke sector de mededinging vervalst. Met deze wijze van financieren
is voorkomen dat de regeling het karakter krijgt van een bedrijfssubsidie
voor bepaalde sectoren.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F. H .G. de Grave