23 953 (R 1524)
Goedkeuring van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien: Luxemburg 15 december 1989 (Trb. 1990, 121)

nr. 144
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 23 december 1996

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft naar aanleiding van de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken van 18 april 1996 (Kamerstuk 23 953 (R 1524), vergaderjaar 1995–1996, EK nr. 94b) over de relatie tussen het octrooirecht en de moderne biotechnologie een aantal vragen ter beantwoording aan de staatssecretaris voorgelegd.

De vragen zijn vastgelegd in de brief van 8 oktober 1996 aan de staatssecretaris. Deze brief is als bijlage 1 bij dit verslag afgedrukt.

De reden dat de vragen eerst op 8 oktober aan de staatssecretaris zijn verzonden, is gelegen in het feit dat de commissie eerst kennis wilde nemen van het verslag van het algemeen overleg dat de commissies voor Economische Zaken en voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uit de Tweede Kamer met de staatssecretaris over deze brief hebben gevoerd.

Dit verslag is gedrukt onder Tweede Kamernr. 19 744, nr. 20; de brief is in de Tweede Kamer overigens verschenen onder nummer 19 744, nr. 15.

De staatssecretaris heeft de vragen bij brief van 17 december 1996 beantwoord. Deze brief is als bijlage 2 bij dit verslag afgedrukt.

De commissie doet hierbij verslag van het aldus gevoerde overleg.

De wnd. voorzitter van de commissie,

Stevens

De griffier van de commissie,

Hordijk

BIJLAGE 1

Aan de staatssecretaris van Economische Zaken

's-Gravenhage, 8 oktober 1996

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft met belangstelling kennis genomen van uw brief van 18 april 1996, inzake de relatie tussen octrooirecht en de moderne biotechnologie (Kamerstuk 23 953 (R 1524), EK nr. 1995–1996, 94b) en van het verslag van het algemeen overleg dat daarover in de Tweede Kamer is gevoerd (Kamerstukken TK 19 744, nr. 20). Alvorens een besluit te nemen over de wenselijkheid van een plenaire behandeling van de brief in de Eerste Kamer, heeft de commissie behoefte u een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen. Zij zou het op prijs stellen als de beantwoording van deze vragen zou plaatsvinden in overleg met de bewindslieden van LNV, VROM, OC en W, Justitie en VWS, aangezien de commissie van mening is dat door een dergelijke gezamenlijke beantwoording de eenheid van beleid wordt bevorderd. Uw antwoord zal met deze brief van de commissie worden gepubliceerd als een verslag van een schriftelijk overleg.

In de Tweede Kamer zijn naar aanleiding van de bespreking van bovengenoemde brief een tweetal moties aanvaard, nl. de moties op stuk nr. 19 744, nrs. 17 en 18.

De commissie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de indieners van de moties daaraan een andere interpretatie geven dan u doet. De primaire vragen zijn daarom: wat is nu eigenlijk de strekking van die moties en hoe zullen deze moties worden uitgevoerd? Daarnaast rijst b.v. de vraag wat het betekent dat «biotechnologische werkwijzen» kunnen worden geoctrooieerd, maar «planten en dieren als zodanig niet». Een octrooi wordt verleend vanwege bescherming van het intellectuele eigendom en met het oog op mogelijke toepassing. Aan welke toepassingen wordt gedacht bij de «biotechnologische werkwijzen»? En als alleen de werkwijze onder een octrooi zou kunnen vallen, biedt dat dan voldoende bescherming aan de uitvinder? Het vinden van een economisch verantwoorde werkwijze is een belangrijke fase in de ontwikkeling van een nieuw product, maar daarna zijn nog belangrijke financiële en intellectuele inspanningen nodig om met deze werkwijze tot een product te komen.

Moet dit er niet toe leiden, dat de uitvinder voor zijn inspanningen niet alleen wordt beloond met een octrooi op de ontdekte werkwijze, maar ook met een octrooi op het met deze werkwijze vervaardigde product, alsmede op de route waarlangs dit product wordt verkregen d.w.z. de toepassing van de werkwijze? Poogt de huidige ontwerp Europese Richtlijn juist niet tegemoet te komen aan deze bescherming van de belangen van de uitvinden? Wat is de mening van het kabinet in deze?

Betreft het verbod op «octrooieren van planten en dieren als zodanig» ook het octrooieren van genetisch gemodificeerde planten en dieren? Indien deze laatste vraag onvoorwaardelijk met «ja» wordt beantwoord, dan verdient het naar de mening van de commissie aanbeveling deze interpretatie ook vast te leggen in de wettekst door middel van wijziging van artikel 3b van de Rijksoctrooiwet. Wetteksten dienen volgens de commissie éénduidig te zijn en niet voor verschillende uitleg vatbaar. Is het kabinet bereid wetswijziging te bevorderen?

De eerdergenoemde brief maakt duidelijk dat het kabinet niets voelt voor uitbreiding van criteria waaronder een octrooi wordt verleend. De redenering is, dat na octrooiverlening via wet- en regelgeving aan de toepassing bepaalde eisen moeten kunnen worden gesteld, zoals dat met betrekking tot genetisch gemodificeerde dieren bijvoorbeeld gebeurt in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Is een overzicht te geven van de wet- en regelgeving met betrekking tot de introductie van genetisch gemodificeerde planten? De brief pleit via de toepassingen wel voor normering, maar onduidelijk blijft langs welke weg en waar dat dan wel moet gebeuren. Het verdient daarom, aldus de commissie, aanbeveling om met betrekking tot een verantwoorde introductie en dus toelaatbaarheid van genetisch gemodificeerde planten in het milieu te komen tot de ontwikkeling van een normatief toetsingskader, waarin naast ethische ook ecologische en maatschappelijke criteria worden opgenomen. De commissie is van mening dat daarvoor eerst de vraag dient te worden beantwoord of een verkregen octrooirecht via een beroep op het Europese Hof, onafhankelijk van verbodsbepalingen in wet- en regelgeving, alsnog zal kunnen worden toegepast. Deelt het kabinet deze zienswijze?

De griffier van de commissie,

Marianne Hordijk

BIJLAGE 2

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 december 1996

Octrooirecht en biotechnologie

Met veel belangstelling heb ik kennis genomen van de brief van 8 oktober jl. van de vaste commissie voor Economische Zaken. In het onderstaande zal ik op de door de commissie gestelde vragen ingaan. Over mijn beantwoording heb ik, overeenkomstig het verzoek van de vaste commissie, overleg gepleegd met de bewindslieden van LNV, VROM, OCenW, Justitie en VWS.

Ten aanzien van de moties op stuk nummer 19 744, nummers 17 en 18, werd gevraagd wat de strekking daarvan is en hoe deze zullen worden uitgevoerd. Motie nr. 17 heeft als strekking dat de Tweede Kamer een bepaalde interpretatie geeft aan artikel 3, onderdeel b van de Rijksoctrooiwet 1995, namelijk dat planten en dieren als zodanig niet vatbaar zijn voor octrooi, en dringt er op aan dat de Regering deze interpretatie volgt. Ik heb de Tweede Kamer gewezen op de consequenties van deze interpretatie, waarbij het octrooi door alleen de werkwijze octrooieerbaar te verklaren duidelijk aan rechtszekerheid zal inboeten. Tevens heb ik gezegd dat als de Kamer de motie toch zou aanvaarden, ik mij daartegen niet zou verzetten. Dit betekent dat ik geen daarvan afwijkende interpretatie zal uitdragen. Motie nr. 18 heeft als strekking dat de Tweede Kamer de regering verzoekt om bij de besprekingen over de Europese richtlijn inzake biotechnologische uitvindingen met klem te bevorderen dat de concept-richtlijn in overeenstemming wordt gebracht met de interpretatie van de Tweede Kamer. Ik heb daarvan gezegd dat, zou de Tweede Kamer deze motie aanvaarden, ik deze zal uitvoeren.

Wat betreft de materiële inhoud van de moties merk ik het volgende op. Ik lees motie nr. 17, mede in het licht van de daaraan voorafgaande gedachtenwisseling, aldus dat de Tweede Kamer van oordeel is dat microbiologische werkwijzen – waaronder werkwijzen tot genetische modificatie – wel octrooieerbaar kunnen zijn, maar de door deze werkwijzen verkregen (genetisch gemodificeerde) planten en dieren niet. Daarmee wordt voor planten en dieren afgeweken van de in artikel 53 Rijkoctrooiwet 1995 neergelegde regel dat octrooi op een werkwijze mede recht geeft op het met die werkwijze verkregen voortbrengsel. Ik teken hierbij overigens aan dat naar mijn mening de stoffen die met behulp van genetisch gemodificeerde planten of dieren worden verkregen, wel voor octrooi in aanmerking kunnen komen.

De Kamer vraagt aan welke toepassingen wordt gedacht bij de «biotechnologische werkwijzen». Dat kan een in beginsel oneindig aantal zijn. De werkwijze zal er bijvoorbeeld op gericht zijn om een gewas te ontwikkelen dat resistent is tegen onkruid, of een dier dat een (hogere) produktie oplevert van daaraan te ontlenen benutbare stoffen. Als alleen de werkwijze onder een octrooi kan vallen, ontbeert de uitvinder doorgaans een voldoende bescherming om de financiële en intellectuele inspanningen die hij heeft geleverd terug te verdienen. Immers, zoals ik de Tweede Kamer ook heb voorgehouden, als alleen de werkwijze kan worden geoctrooieerd, kan de octrooihouder niet zonder meer ageren als een plant of dier op de markt verschijnt met dezelfde eigenschappen die de door hem geoctrooieerde werkwijze tot stand brengt. Hij zal dan moeten aantonen dat de door hem uitgevonden werkwijze is toegepast. Dit zal niet steeds eenvoudig zijn, omdat er geen vrije toegang tot de plaats van de toepassing is; men denke ook aan geïmporteerde planten en dieren. In hoeverre dit de voortgang van de ontwikkelingen op biotechnologisch terrein zal afremmen, kan ik niet voorspellen, maar dat het die voortgang zal vertragen ligt wel in de verwachting. Om biotechnologische uitvindingen te beschermen langs privaatrechtelijke weg, is geen veilig alternatief. In die zin deel ik de zorgen van de vaste commissie over de gevolgen van de interpretatie van de Tweede Kamer. Hoe het zij, nu de Tweede Kamer tot een afweging is gekomen dat planten en dieren als zodanig niet voor octrooi vatbaar dienen te zijn en de beide moties heeft aanvaard, ligt daar voor mij het uitgangspunt voor de verdere beleidsvorming.

Overeenkomstig mijn toezegging aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de daar aanvaarde moties zal ik bij de besprekingen in de Europese Raad het standpunt uitdragen dat planten en dieren als zodanig niet voor octrooi in aanmerking dienen te komen.

Uit deze moties en de daarop tijdens de besprekingen in de Tweede Kamer gegeven toelichting, leid ik af dat de Tweede Kamer het verbod ook wilde laten gelden ten aanzien van genetisch gemodificeerde planten en dieren als zodanig. Mijn inzet bij de besprekingen in de Europese Raad zal derhalve zijn dat het verbod op het «octrooieren van planten en dieren als zodanig» ook het octrooieren van genetisch gemodificeerde planten en dieren betreft. De mening van de commissie dat een dergelijke interpretatie vastgelegd behoort te worden in de wettekst van artikel 3, onderdeel b van de Rijksoctrooiwet 1995 kan ik op zichzelf goed volgen. Echter, ik acht het niet zinvol om reeds thans daartoe over te gaan, omdat de besprekingen in Brussel nog niet zijn afgerond. Wanneer de richtlijn tot stand is gekomen, zal de nationale wetgeving aangepast dienen te worden. Het lijkt mij niet gelukkig om nu op één onderdeel van de wet alvast te komen met een aanpassing, die een voorschot neemt op de uitkomst van een Europese regeling, waarvan de inhoud nog geenszins te voorspellen valt en die derhalve wellicht zal nopen om de desbetreffende wettelijke bepalingen weer te herformuleren. Daar komt nog bij dat de tekst van artikel 3, onder b, met een modificatie, ontleend is aan het Europees Octrooiverdrag (EOV).

Wanneer de richtlijn tot stand komt met bepalingen die afwijken van het EOV, zal overleg gepleegd moeten worden met de lidstaten van het EOV. In dit verband dient vermelding dat het overgrote deel van octrooien voor dit soort uitvindingen (over de recente periode 98%) door het Europees Octrooibureau wordt verleend en door de Nederlandse rechter slechts aan de Europese nietigheidsgronden kan worden getoetst.

De commissie staat met betrekking tot een verantwoorde introductie en dus toelaatbaarheid van genetisch gemodificeerde planten in het milieu de ontwikkeling van een normatief toetsingskader voor, waarin naast ethische ook ecologische en maatschappelijke criteria worden opgenomen. Ik moge in dit verband, mede ter voldoening aan het verzoek om een overzicht van de wet en regelgeving met betrekking tot de introductie van genetisch gemodificeerde planten, verwijzen naar de brief van de minister van VROM inzake genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) van 28 november 1995 (kamerstuk 24 400-XI, nr. 37) en de daarin verwoorde conclusies ten aanzien van een toetsingskader.

Naar de mening van de commissie zou daartoe overigens eerst de vraag dienen te worden beantwoord of een verkregen octrooirecht via een beroep op het Europese Hof, onafhankelijk van verbodsbepalingen in wet- of regelgeving, alsnog zal kunnen worden toegepast. Ik deel deze mening van de commissie niet. Ik merk daarbij op dat het bij een recht van industriële eigendom gaat om een recht om anderen het gebruik van een bepaalde uitvinding te beletten en niet om een recht op gebruik. Zo is bijvoorbeeld de houder van een octrooirecht op een uitvinding op biotechnologisch gebied volledig gehouden aan wettelijke gebods- en verbodsregels ten aanzien van het mogen toepassen van zijn uitvinding.

Een andere vraag is of nationale verbodsbepalingen de toets van de beginselen van onder andere het vrije verkeer van goederen in de Europese Gemeenschap kunnen doorstaan. Dat is inderdaad een vraag waarover het Europese Hof het laatste woord heeft, doch dit staat los van het octrooirecht.

Ik ga er van uit hiermee de door de vaste commissie voor Economische Zaken opgeworpen vragen voldoende beantwoord te hebben.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

A. van Dok-van Weele


XNoot
1

De eerder verschenen stukken met betrekking tot dit wetsvoorstel zijn gedrukt onder de nrs. 94 t/m 94b, 1995–1996.

Naar boven