23 808
Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de herziening van de voorlopige maatregelen van kinderbescherming

nr. 12b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 5 december 1996

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag inzake het wetsvoorstel met betrekking tot de herziening van de voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen. De vragen van de vaste commissie voor Justitie zal ik hieronder gaarne beantwoorden.

De instemming van de leden van de fractie van de PvdA met het wetsvoorstel verheugt mij. Zij vragen of ik hun mening deel, dat als de echtscheidingsrechter inhoudelijk geen bemoeienis met de zaak heeft, het niet zinvol is, dat deze zich in plaats van de kinderrechter bezig houdt met een verzoek tot ondertoezichtstelling, ook al wordt dit gedaan op een tijdstip dat een echtscheidingsprocedure aanhangig is.

Het feit dat een echtscheidingsprocedure aanhangig is, gedurende welke een verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden gedaan, betekent niet dat een verzoek tot ondertoezichtstelling in een dergelijk geval ook steeds in de echtscheidingsprocedure moet worden gedaan. Indien de echtscheidingsrechter niet op de hoogte is van zodanige problemen ten aanzien van een of meer kinderen van de scheidende ouders dat een verzoek tot ondertoezichtstelling in de rede zou liggen, ligt het niet voor de hand dat de raad of ouder het verzoek aan de echtscheidingsrechter doet of dat de echtscheidingsrechter een dergelijk verzoek, als het toch gedaan is, zelf behandelt (tenzij de rechter zich aanstonds onbevoegd zou verklaren of het verzoek zou toewijzen (artikel 429f, eerste lid Rv.) Ik ben het met de leden van de PvdA-fractie eens dat in een dergelijk geval de gespecialiseerde kinderrechter bij voorkeur een dergelijk verzoek zou behoren behandelen. Artikel 823 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geschreven voor die gevallen dat tijdens de scheidingsprocedure van zodanige problemen blijkt dat een ondertoezichtstelling aangewezen zou kunnen zijn. Maar dan is de echtscheidingsrechter al inhoudelijk betrokken en is het uit een oogpunt van efficiency zinvol dat de echtscheidingsrechter de ondertoezichtstelling kan uitspreken.

Op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA of de termijn, genoemd in het vijfde lid van artikel 241 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een vervaltermijn is, kan bevestigend worden geantwoord. Binnen zes weken nadat de voorlopige voogdij is uitgesproken, moet een verzoek tot een definitieve voorziening in het gezag zijn ingediend. Gedurende deze zes weken doet de raad voor de kinderbescherming onderzoek naar de situatie van het kind en vormt zij zich een oordeel over de vraag wie bij voorbeeld tot voogd kan worden benoemd. Is niet binnen zes weken een verzoek als hierboven genoemd gedaan, dan vervalt de voorlopige voogdij. Nadat een verzoek tot voorziening in het gezag is ingediend, wordt een datum voor de behandeling van de zaak bepaald. Blijkt de raad voor de kinderbescherming nog enige tijd nodig te hebben om zijn onderzoek met het oog op de behandeling van de zaak volledig af te ronden, dan kan de raad om aanhouding van de behandeling vragen.

De leden van de fracties van SGP, GPV en RPF vinden het opschrift van het wetsvoorstel niet in overeenstemming met de inhoud ervan, omdat het wetsvoorstel niet de bestaande voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen in hun geheel herziet, maar alleen de voorlopige toevertrouwing aan de raad voor de kinderbescherming wijzigt in voorlopige voogdij.

Deze leden hebben in zoverre gelijk dat de voorlopige ondertoezichtstelling bij dit wetsvoorstel niet is herzien, omdat deze wijziging in het kader van de algehele herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling heeft plaatsgevonden. Het wetsvoorstel wijzigt echter wel alle andere voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen die Boek 1 BW en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kennen. Dat betreft niet alleen de voorlopige toevertrouwing aan de raad, maar ook de schorsing van het ouderlijk gezag.

Dezelfde leden vragen zich af of de gekozen werkwijze de consistentie en de inzichtelijkheid voor de justitiabelen wel ten goede komt. Hierbij wijzen deze leden op de nota van wijziging waarin op veel plaatsen in de wet aanpassingen worden voorgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heb ik reeds aangegeven dat wijzigingen van een omvang als hier aan de orde is, zoveel mogelijk voorkomen dienen te worden. De afgelopen jaren zijn echter niet alleen op het terrein van de kinderbeschermingsmaatregelen, maar ook op andere terreinen van het familierecht, alsmede het familieprocesrecht, veel wijzigingen doorgevoerd. Een aantal van deze wijzigingen heeft invloed gehad op het onderhavige wetsvoorstel. Voor zover afstemming op andere wetsvoorstellen nog niet had plaatsgevonden is dit in de nota van wijziging geschied.

De leden van de fracties van SGP, GPV en RPF willen graag uiteen gezet zien welke rechter in de gevallen waarin een minderjarige niet onder (uitgeoefend) gezag staat bevoegd is. Een minderjarige moet onder gezag staan. Staat een minderjarige niet onder gezag, dan moet in dit gezag worden voorzien. In de meeste gevallen wordt door de kantonrechter een – al dan niet tijdelijke – voogd benoemd (artikel 295 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Indien echter ter voorkoming van ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van het betreffende kind dringend en onverwijld noodzakelijk is om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen, kan de kinderrechter het kind onder voorlopige voogdij plaatsen. De raad voor de kinderbescherming heeft vanaf dat moment zes weken de tijd om zich een oordeel te vormen over een definitieve voorziening in het gezag. Een verzoek tot benoeming van een voogd moet, zoals hierboven is aangegeven, worden ingediend bij de kantonrechter.

Indien een minderjarige onder gezag staat, maar dat gezag wordt niet uitgeoefend, kan voorlopige voogdij worden verzocht aan de rechtbank of kinderrechter, mits de grond daartoe aanwezig is. Zo kan ingevolge het voorgestelde artikel 272 vooruitlopend op een verzoek tot ontheffing of ontzetting van het gezag schorsing van het gezag en voorlopige voogdij verzocht worden aan de kinderrechter.

Als algemene regel geldt dat de kantonrechter nimmer een voorlopige maatregel van kinderbescherming oplegt. Een voorlopige maatregel wordt in principe verzocht aan de kinderrechter. Dit is alleen anders, indien al een verzoek tot een definitieve voorziening in het gezag aan de rechtbank is gedaan. Dan beslist de rechter die de zaak onder zich heeft.

De leden van de fracties van SGP, GPV en RPF verzoeken om uitleg van de term «volle voogdij». Met het gebruik van de term «volle voogdij» is bedoeld de uitoefening van de voorlopige voogdij met alle rechten en plichten die een voogd heeft. Ingevolge het voorgestelde artikel 241, vierde lid, en 272, tweede lid, welk artikel van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 332, bepaalt de kinderrechter welke bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarige toekomen aan de voogdij-instelling die de voorlopige voogdij wordt opgedragen. Voor een voorlopige voogdij die alle rechten en plichten ten aanzien van de minderjarige omvat die een voogd heeft, is – om het beeldend uit te drukken – de term volle (voorlopige) voogdij gebruikt.

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz

Naar boven