nr. 43f
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 september 1997
Tijdens de mondelinge behandeling van het ontwerp van Wet geestelijke
verzorging c.a. (Eerste Kamer, vergaderjaar 1996–1997, nr. 23 720)
op 27 mei jl. heb ik Uw Kamer desgevraagd toegezegd te rapporteren over de
wijze waarop in het verleden en thans geestelijke verzorging in verzorgingshuizen
is en wordt bekostigd, welke bedragen daarmee waren en zijn gemoeid en hoe
dit onderwerp in wet- en regelgeving is neergelegd.
Om aan deze toezegging te kunnen voldoen heb ik het bureau Moret, Ernst
& Young Management Consultants opdracht gegeven hiernaar onderzoek te
doen. Het rapport met de resultaten van dat onderzoek1 bied ik U hierbij, mede namens de Minister van Justitie, aan. Ik spreek
graag mijn erkentelijkheid uit jegens de besturen van de provincies en grote
steden voor hun snelle en goede informatieverschaffing en jegens de WoonZorg
Federatie, waarmee zeer constructief is samengewerkt.
Kortheidshalve verwijs ik U naar de inhoud van het rapport. Daarbij teken
ik het volgende aan.
1. Het rapport onderschrijft en illustreert hetgeen ik tijdens de mondelinge
behandeling in Uw Kamer heb gesteld over de van oudsher bestaande verbrokkelde –
want gedecentraliseerde – provinciale en groot stedelijke regelgeving
op dit punt. Tegelijk zijn steeds en nagenoeg op landelijke schaal middelen
voor bekostiging van geestelijke verzorging in de tehuizen beschikbaar geweest.
Alleen Friesland heeft daarop – zeer tijdelijk – een uitzondering
gevormd.
2. De 17 (veelal verschillende) regel- en bekostigingssystemen t.a.v.
geestelijke verzorging maken het moeilijk een zeer nauwkeurig gekwantificeerd
landelijk beeld te schetsen. Toch is het – op basis van de in het rapport
geëxpliceerde aannames – mogelijk gebleken tot een alleszins aanvaardbaar
overzicht te komen.
Ik onderschrijf de door Moret, Ernst & Young hieraan verbonden conclusie
dat «de gedachte te verdedigen (is) dat het bedrag aan geestelijke verzorging
per 1 januari 1985, geïndexeerd naar 1 januari 1997, nog steeds ten principale
beschikbaar is voor geestelijke verzorging» (bladzijde 8, boven). In
welke mate daaraan concrete invulling wordt gegeven door individuele instellingen,
is een verantwoordelijkheid van het bestuur en management, binnen het hem
ter beschikking staande totale personeelsbudget. Bij inwerkingtreding van
de onderhavige wet ligt dit overigens niet anders.
3. In het rapport wordt ook een vergelijking gemaakt met de situatie in
verpleeghuizen. Daar is een gemiddeld hoger bedrag per bed beschikbaar voor
geestelijke verzorging dan in verzorgingshuizen. Het Kabinet heeft gesteld
te willen uitgaan van een «gelijkwaardige» benadering van beide
bewonerspopulaties. Gegeven de duidelijk bestaande verschillen daartussen
impliceert het vorenstaande dus geenszins dat voor beide voorzieningen van
hetzelfde normbedrag zou moeten worden uitgegaan. Relevante verschillen betreffen
met name de gemiddelde grotere mobiliteit en overige gezondheidstoestand van
verzorgingshuisbewoners en mede daarmee samenhangend de aard van de band met
de plaatselijke kerkelijke gemeenschap, en de verschillen in de aard en de
intensiteit van de geestelijke verzorging.
Deze rechtvaardigen naar mijn overtuiging nog steeds dat in verzorgingshuizen
een gemiddeld lager bedrag per plaats dan in verpleeghuizen aan geestelijke
verzorging wordt besteed.
4. Het bekostigingssysteem van de verzorgingshuizen brengt met zich mee
dat de instellingen de vrijheid hebben binnen het geheel van het (deel-)budget
voor personeel, de geestelijke verzorging te intensiveren. Het zou een inbreuk
op het bestaande bekostigingssysteem betekenen indien specifiek voor deze
activiteit geoormerkt geld ter beschikking zou moeten worden gesteld. Wat
daarmee zou worden beoogd ligt ook thans reeds binnen de mogelijkheden van
het instellingsmanagement. De voor het jaar 1998 aangekondigde verhoging ad.
f 65 mln. van het personeelsbudget in de tehuizen die gericht zal worden
ingezet voor «meer handen aan het bed» kan – ter beoordeling
van het management – mede ten goede komen aan geestelijke verzorging.
Het bijgaande rapport brengt het Kabinet opnieuw tot de conclusie dat
er onvoldoende aanleiding bestaat om gericht méér geld dan thans
voor geestelijke verzorging in verzorgingshuizen beschikbaar te stellen. Graag
spreek ik de hoop uit dat Uw Kamer in deze rapportage voldoende grond vindt
om de behandeling van dit belangrijke wetsontwerp af te ronden.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Erica Terpstra