23 720
Regels met betrekking tot de geestelijke verzorging in instellingen in de zorgsector, in justitiële inrichtingen en in de krijgsmacht (Wet geestelijke verzorging zorginstellingen, justitiële inrichtingen en krijgsmacht)

nr. 43d
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Rijswijk, 23 mei 1997

Tijdens de behandeling van het wetsontwerp Geestelijke Verzorging zorginstellingen en justitiële inrichtingen door uw Kamer op 13 mei j.l. is mij verzocht schriftelijk nader in te gaan op de financiële consequenties van dit wetsontwerp voor de verzorgingshuizen. Dit naar aanleiding van de opvatting dat het niet zo kan zijn dat in de ene AWBZ-instelling wel en in de andere geen budget wordt gegeven voor geestelijke verzorging. Aangezien er voor de verzorgingshuizen geen budget zou zijn gereserveerd, zou dat alsnog moeten worden gegeven.

In antwoord op eerdere schriftelijke vragen van de heer C. Bremmer, lid van de Tweede Kamer, over ditzelfde onderwerp1 is reeds aangegeven dat de veronderstelling dat in het budget van verzorgingshuizen nimmer geld voor geestelijke verzorging is opgenomen, op een misverstand berust. Zoals uit het antwoord op vraag 2 van de schriftelijke vragen van de heer Bremmer blijkt, is bij verreweg de meeste provincies geaccepteerd dat «kosten voor geestelijke verzorging» werden opgevoerd. Het Kabinet is van oordeel dat het niet noodzakelijk is extra financiële middelen ter beschikking te stellen. Het staat immers instellingen vrij om binnen hun budget gelden voor geestelijke verzorging aan te wenden. Bij de overgang van de verzorgingshuizen naar een reguliere AWBZ-financiering dienen nadere maatregelen te worden genomen. Graag herhaal ik de toezegging dat ook de geestelijke verzorging meegenomen zal worden bij de besprekingen tussen de WoonZorg Federatie en de Ziekenfondsraad over de ontwikkeling van richtlijnen door het COTG.

De ook door uw Kamer voorgestane scheiding van wonen en zorg zal eveneens van invloed zijn op de besluitvorming.

Ter nadere toelichting op het kabinetsstandpunt diene het volgende.

Bij de verpleeghuizen bestond tot 1989 een aparte richtlijn voor geestelijke verzorging. Sinds die tijd vormt geestelijke verzorging integraal onderdeel van een bredere richtlijn, waardoor de beleidsvrijheid van verpleeghuizen werd vergroot om zelf te bepalen op welke wijze het personeelsbudget voor zorg- en hulpverlening wordt ingezet.

In de Wet op de Bejaardenoorden waren geen middelen specifiek voor geestelijke verzorging opgenomen. Desondanks hebben in het gedecentraliseerde beleid de provincies hiervoor in hun subsidieregeling doorgaans ruimte gelaten, doordat binnen het budget een bedrag werd geoormerkt voor geestelijke verzorging. Rond 1989 is door provincies ook bij de verzorgingshuizen in het algemeen een verbreding van tariefstructuur toegepast, waardoor geestelijke verzorging geïntegreerd werd in het totale personeelsbudget.

Hierdoor kregen de verzorgingshuizen de beleidsvrijheid de middelen voor een breder scala van doeleinden in de personeelssfeer in te zetten.

Dat betekent dat noch voor de verzorgingshuizen noch voor de verpleeghuizen middelen zijn vastgelegd specifiek voor geestelijke verzorging: in beide sectoren kan men onderling binnen het gehele personeelsbudget substitueren.

Zowel bij verzorgingshuizen als bij verpleeghuizen is er geen aparte registratie van de aanwezigheid van geestelijke verzorgers. In hoeverre in beide sectoren middelen worden besteed om externe geestelijke verzorgers te betalen is evenmin geregistreerd.

Indien uw Kamer daarop prijs stelt, ben ik graag bereid de WoonZorg Federatie te vragen een inventarisatie te maken van de wijze waarop destijds onder het regime van de Wbo per provincie ruimte werd gecreëerd voor geestelijke verzorging en hoe de onderscheiden verzorgingshuizen daarmee zijn omgegaan. Op 2 juni a.s. heb ik bestuurlijk overleg met de WoonZorg Federatie en de NVVz. Indien door uw Kamer gewenst zal ik dit onderwerp eveneens agenderen. Een dergelijke inventarisatie kan immers ook een rol spelen in het ontwikkelen van de nieuwe COTG-richtlijnen.

Daarnaast wil ik vasthouden aan de tot nu toe door mij aan beide Kamers geuite visie, dat binnen de bestaande middelen de gevolgen van het wetsontwerp geestelijke verzorging zorginstellingen worden resp. kunnen worden opgevangen.

De verzorgingshuizen beschikken net als de verpleeghuizen over geld voor geestelijke verzorging en het is hun verantwoordelijkheid binnen de bestaande middelen aan het wetsontwerp Geestelijke Verzorging zorginstellingen te voldoen.

Ik hoop dat u met deze onderbouwing van de kabinetsvisie alsnog met het wetsontwerp kunt instemmen.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra


XNoot
1

Zie aanhangsel van de Handelingen Tweede Kamer, 1996–1997, nr. 852.

Naar boven