nr. 238e
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1
De memorie van antwoord en de aanvulling daarop gaven de leden van de
fracties van PvdA en VVD aanleiding tot het maken van
de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
1. Algemeen
De leden van de PvdA-fractie toonden zich verheugd, dat het
misverstand omtrent de beantwoording van hun vragen is opgelost en dat de
vragen nu beantwoord zijn. Deze leden hadden nog de volgende vragen.
Op zichzelf deelden zij het standpunt van de regering, dat handhaving
van het gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding de meest wenselijke situatie
is. Dit is echter slechts het geval als ouders op redelijke wijze met elkaar
kunnen overleggen omtrent verzorging en opvoeding van het kind. Veelal is
dit na een echtscheiding nu juist niet het geval. Tot nu toe was het rechterlijke
praktijk, dat als ter zitting geconstateerd werd, dat ouders niet een behoorlijke
verstandhouding hebben, de situatie zich niet leent voor gezamenlijk gezag.
Voor een dergelijke constatering is veelal geen raads- of ander onderzoek
nodig. De leden van de PvdA-fractie zeiden ervan uit te gaan, dat hierin door
de nieuwe bepaling geen verandering wordt gebracht. Deelt de regering dat
standpunt?
Slechts in 17% van de relevante gevallen duurt nu het gezamenlijk gezag
voort na scheiding. De regering deelt mede geen aanwijzingen uit de praktijk
te hebben, dat er problemen zijn met het gezamenlijk gezag. Eén signaal
zou kunnen zijn het aantal wijzigingsverzoeken. Is ook bekend in hoeveel van
die gevallen later nog wijziging van het gezag wordt gevraagd? Verschilt dit
aantal van het aantal wijzigingen in zaken waarin aan een ouder het gezag
wordt toegekend?
Uit het genoemde percentage blijkt, dat het standpunt van de regering,
dat gezamenlijk gezag na echtscheiding redelijk is ingeburgerd, nogal optimistisch
genoemd kan worden. De plannen die de regering heeft om cultuurverandering
te bevorderen lijken niet erg ver ontwikkeld. De regering kondigt aan plannen
te zullen ontvouwen voor de ontwikkeling van echtscheidingsbemiddeling. Is
er ook geld beschikbaar voor plannen in die richting? Zo neen, wat is de realiteitswaarde
daarvan?
In antwoord op vragen van de leden van de fractie van D66 omtrent de
gevolgen voor de werklast antwoordt de regering, dat er voorshands van
wordt uitgegaan, dat een en ander binnen de begroting wordt opgevangen. In
de Tweede Kamer is ook toegezegd, dat deze kwestie gevolgd zal worden en dat
als de verwachtingen op dit punt onjuist blijken, hiermee bij het opstellen
van de volgende begroting moet worden rekening gehouden. De regering is toch
niet teruggekomen op dit laatste standpunt?
Kent de regering de kritiek van de Nederlandse Gezinsraad op de invoering
van een onderhoudsplicht voor voogden, die de voogdij gezamenlijk wensen uit
te oefenen (zie rapport Nieuw Gezinsrecht, blzz. 63 en 64). Deze komt er kort
gezegd op neer, dat het aanvaarden van de gezamenlijke voogdij voor hen onaantrekkelijk
wordt gemaakt, door de financiële consequenties van een dergelijke beslissing.
De Gezinsraad gaat ervan uit dat dit een onbedoeld neveneffect is van de regeling.
Is deze veronderstelling juist? Zo neen, waarom niet?
2. Artikelen
ARTIKEL II
A
De leden van de fractie van de VVD hadden met teleurstelling
kennis genomen van het tweede deel van het antwoord op hun vraag over Artikel
II onder A. Zij wensten in dit verband te herinneren aan de toezegging van
de minister van Justitie, gedaan op 7 november 1995 (Handelingen Eerste Kamer
7 november 1995, pagina 5–162, RK). Het thans gegeven antwoord betekent
in wezen dat deze toezegging in rook opgaat als gevolg van een volstrekt onbegrip
voor het belang daarvan.
Wanneer gesteld wordt dat «de kern van de wijzigingen volledig (is)
uitgeschreven, opdat daarmee een goed inzicht wordt verschaft» wordt
kennelijk volledig uit het oog verloren dat het duidelijk doch volstrekt geïsoleerd
weergeven van het tekstuele verschil iets totaal anders is dan «het
geven van inzicht». Inzicht in de betekenis van de voorgestelde wijziging
kan immers pas worden verkregen door het beschouwen van de wijziging in het
verband van de gehele tekst. Het beperken van de presentatie tot «de
kern van de wijziging» geeft dus juist in het geheel geen inzicht in
de betekenis daarvan en maakt een beoordeling onmogelijk, tenzij de beoordelaar
zelf alsnog die geïsoleerde kern van de wijziging in het verband van
de tekst plaatst. Daarvoor heeft hij/zij dus die tekst nodig.
De opmerking dat er in dit geval kennelijk iets heeft geschort aan de
beschikbare wetgevingsedities is correct. Waar deze als weerlegging van het
nut van de gevraagde bijlage bedoeld is geeft zij echter tevens blijk van
buitengewoon weinig begrip voor de omstandigheid dat het gemiddelde lid van
deze Kamer zijn/haar werkzaamheden voor de Kamer thuis verricht en daar, anders
dan de werkers ten departemente op hun werkplek, niet beschikt over een volledig
bijgewerkte uitgave van het geheel van de Nederlandse wetgeving, hetgeen de
beoordeling van op de gebruikelijke wijze gepresenteerde wetswijzigingen –
in het bijzonder daar waar het gaat om de wijziging van wetten die in gebruikelijke
edities als bijvoorbeeld de Fruin niet te vinden zijn, en/of om wetten waarbij
recente andere wijzigingen in het spel zijn – uitermate arbeidsintensief
en tijdrovend maakt. Daar komt nog bij dat bij de gebruikelijke presentatie
de arbeid, verbonden aan het nagaan wat de betekenis van de voorgestelde wijzigingen
is, door iedere lezer van de stukken opnieuw moet worden verricht en dat dus
de efficiency er wellicht mee gediend zou zijn als dat voor allen
eenmaal werd gedaan door degene die het ontwerp heeft gemaakt.
De hier aan het woord zijnde leden handhaafden dus hun opvatting over
het nut van een bijlage die een vergelijking van de oude en voorgestelde nieuwe
teksten presenteert ten volle. Zij zouden het derhalve op prijs stellen als
bovengenoemde toezegging van de minister van Justitie alsnog serieus werd
gehonoreerd.
De voorzitter van de commissie,
Heijne Makkreel
De griffier van de commissie,
Hordijk