nr. 346
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 januari 1997
Ter informatie zend ik u hierbij het eindrapport over het reprorecht dat
de commissie auteursrecht mij bij brief van 20 december 1996 heeft aangeboden.**
Het eindrapport bouwt voort op een interimrapport dat de commissie in
februari van het vorige jaar heeft uitgebracht. Ik heb u dit rapport bij brief
van 29 februari 1996, toegezonden; het interimrapport is nogmaals in het eindrapport
opgenomen als bijlage 2.
In het interimrapport stelde de commissie drie modellen voor een regeling
van het reprorecht ter discussie. Model I («Een aangepast reprorecht»)
hield in dat de wettelijke regeling van 1972 op enkele punten zou worden aangepast
om de uitvoerbaarheid ervan te verbeteren; daarbij werd van onderdelen van
wetsvoorstel 22 600 gebruik gemaakt. Model II (Heffing op apparatuur)
had als belangrijkste element dat de verplichting tot vergoeding zich oplost
in een heffing op de apparatuur bij de fabrikant of importeur. In model III
(«Privatisering») werd het reprorecht zoveel mogelijk aan de onderhandelingen
van partijen overgelaten. Deze zouden tot overeenstemming moeten komen over
de vraag hoe wordt vastgesteld hoeveel auteursrechtelijk beschermd materiaal
wordt gekopieerd en over de hoogte van de te betalen vergoeding. Het verbodsrecht
zou hersteld worden.
De incasso zou kunnen plaats vinden door een of meer bemiddelende instanties,
die zich een plaats op de markt hadden verworven. In het interimrapport werden
verder nog enige algemene onderwerpen aan de orde gesteld, die bij alle of
de meeste modellen een rol spelen, namelijk het toezicht op de incasso-organisatie,
de in geschriften opgenomen andere werken zoals foto's en tekeningen, elektronische
kopieën en de repartitie.
Het interimrapport is met een verzoek om commentaar voorgelegd aan belanghebbenden.
De commentaren worden op p. 2 tot en met 7 van het eindrapport besproken;
een lijst van respondenten is in bijlage 1 van het rapport opgenomen. Zoals
op p. 3 wordt meegedeeld, ging de voorkeur van de respondenten vrijwel algemeen
uit naar model I.
De aanbevelingen van de commissie vindt men op p. 7 t/m 20 van het eindrapport. De commissie zelf vond, zoals zij op p.
7, 8 meedeelt, model I het minst aantrekkelijk. De commissie meende echter
dat zij moeilijk kon voorbijgaan aan de voorkeur van de grote meerderheid
van de respondenten. Zij achtte het haar taak in haar advies een systeem uit
te werken dat op een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak kan rekenen.
Zij bouwt daarom voort op de historische grondslag van model I, de wettelijke
regeling van 1972, evenals wetsvoorstel zulks deed. Daarbij heeft zij van
sommige onderdelen van wetsvoorstel 22 600 gebruik gemaakt, maar van
andere afstand genomen. Enkele onderdelen van haar interimrapport heeft zij
niet gehandhaafd. De commissie komt bijvoorbeeld met een nieuwe suggestie
voor de regeling van de vrijstelling voor eigen gebruik (p. 15, 16). De commissie
doet voorts een aantal voorstellen die voor ons Nederlandse reprorecht nieuw
zijn. Zo stelt zij een duidelijke auteursrechtelijke grondslag voor de tariefstelling
door de wetgever voor (p. 12–15).
Het advies van de commissie heeft veel aantrekkelijks. De commissie stelt
verbeteringen en vernieuwingen ten opzichte van de huidige wettelijke regeling
voor die deze eenvoudiger en beter uitvoerbaar zouden maken. Ook zou het maatschappelijk
draagvlak voor een wettelijke regeling, op dit advies gebaseerd, groot zijn.
Ik ben dan ook voornemens het advies van de commissie, behoudens op enkele
ondergeschikte punten, te volgen.
* De eerder verschenen stukken met betrekking tot dit wetsvoorstel zijn
gedrukt onder de nummers 62 t/m 62e, vergaderjaar 1993–1994, 159 en
159a, vergaderjaar 1994–1995.
** Dit eindrapport en eerder verzonden brieven met bijlagen zijn ter inzage
gelegd op het Centraal Informatiepunt onder het griffienummer 117218.1
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager