nr. 31a
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 2 december 1996
Met belangstelling is kennis genomen van het voorlopig verslag van de
vaste commissie voor Buitenlandse Zaken. Aan de leden van de commissie kan
verzekerd worden dat er geen andere redenen zijn voor het tijdsverloop voorafgaand
aan de aanbieding van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede
Kamer dan de aldaar genoemde.
Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA naar de praktijk van
de participatie van internationale organisaties in verhouding tot de in het
verdrag vervatte regels kan als volgt worden geantwoord.
Of een internationale organisatie partij kan worden bij een oprichtingsverdrag
van een andere internationale organisatie is afhankelijk van de vraag of het
oprichtingsverdrag van laatstgenoemde organisatie dit toelaat, alsmede van
de vraag of, en in hoeverre, eerstgenoemde internationale organisatie de bevoegdheid
heeft verdragen te sluiten. Deze bevoegdheid wordt door de deelnemende staten
expliciet of impliciet verleend, en blijkt uit de regels van de organisatie.
Uit artikel 6 van het onderhavige verdrag blijkt dat deze vraag buiten het
verdrag valt.
De leden van de CDA-fractie wijzen daarbij op de moeite die het de Europese
Gemeenschap kost om als lid te participeren in internationale organisaties.
Evenals andere internationale organisaties heeft de Europese Gemeenschap slechts
verdragsluitende bevoegdheid voor zover dit uit de oprichtingsverdragen (expliciet
of impliciet), dan wel uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, kan worden afgeleid. Deze bevoegdheid betreft dikwijls
slechts een deel van de terreinen waarop internationale organisaties werkzaam
zijn. Op de vraag van de leden naar de mogelijkheden van verdergaande acceptatie,
kan dan ook geantwoord worden dat de toekomstige deelname van de EG in internationale
organisaties mede zal worden bepaald door de ontwikkeling in de bevoegdheidsverdeling
tussen de EG en zijn lid-staten.
Voorts wijzen de leden van de CDA-fractie op de volkenrechtelijke positie
van de Europese Unie (EU). In het bijzonder vroegen zij zich af of het ontbreken
van rechtspersoonlijkheid van de EU niet wringt met de realiteit.
Anders dan de EG, de EGKS en Euratom heeft de EU de iure geen rechtspersoonlijkheid,
noch privaatrechtelijk, noch volkenrechtelijk.
De lid-staten van de EU kunnen uiteraard wel tezamen verdragspartij zijn
met derde landen of internationale organisaties. Dit laat onverlet dat gaandeweg
bij derden een beeld kan ontstaan dat de EU zelf partij is. De regering onderkent
dat deze feitelijke ontwikkeling verwarring kan scheppen. Om die reden buigt
de Intergouvernementele Conferentie tot herziening van het EU-Verdrag (IGC)
zich thans over de opportuniteit van het verlenen van volkenrechtelijke rechtspersoonlijkheid
aan de EU. De discussie in IGC-kader is momenteel nog in een oriënterend
stadium. Daarbij zij bedacht dat het hier om een complex juridisch vraagstuk
gaat, dat niet geheel los kan worden gezien van het meer politieke vraagstuk
van de bevoegdheidsverdeling tussen de lid-staten en de EU.
Tenslotte stellen de leden van de CDA-fractie een vraag inzake de Memorie
van Overeenstemming over het bestuur van Mostar. Hierop kan geantwoord worden
dat deze Memorie ook feitelijk niet gezien kan worden als een verdrag waarbij
de Unie mede partij is. Uiteraard kan een verdrag bepalingen bevatten ten
behoeve van een derde, zoals in het genoemde verdrag ten behoeve van de EU.
Het blijft evenwel een verdrag waarbij de lid-staten van de Europese Unie
partij zijn, en niet de Europese Unie zelf, evenals bij de hierboven genoemde
verdragen met derde landen.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo