Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21436 nr. 87c |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 21436 nr. 87c |
Ontvangen 10 maart 1997
De memorie van antwoord (Kamerstukken I 1996/97, 21 436, nr. 87a) heeft de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aanleiding gegeven tot een nader voorlopig verslag. De leden van de D66-fractie hebben zich bij de daarin door de fracties van VVD, CDA en PvdA gestelde vragen aangesloten. Op de naar voren gebrachte vragen en opmerkingen zal ik in het navolgende ingaan, daarbij de volgorde van het nader voorlopig verslag aanhoudend.
De leden van de CDA-fractie informeerden naar de resultaten van de inventariserende studie van het RIVO naar de dodingsmethoden van vissen. In reactie hierop kan ik meedelen dat het rapport van het RIVO eerdaags in de openbaarheid zal worden gebracht.
Met de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) zal worden overlegd over de te nemen vervolgstappen. Het RIVO-rapport zal ter kennisname worden gestuurd aan de voorzitter van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van de Tweede Kamer. Dit zal eveneens gebeuren met mijn voornemens omtrent te nemen vervolgstappen.
De leden van deze fractie vroegen voorts of er maatregelen getroffen moeten worden om achterstallig baggeronderhoud te voorkomen en of een zorgplicht voor waterbeheerders moet worden ingesteld, zulks gelet op de betekenis van baggeronderhoud voor het voorkómen van wintersterfte onder vissen.
Zoals ik in de memorie van antwoord heb aangegeven, is wintersterfte in het algemeen een onvermijdelijk natuurlijk proces, dat geen gevolg is van menselijk ingrijpen. Ik overweeg daarom niet om welzijnsmaatregelen op dit punt verplicht te stellen, terwijl ik evenmin een zorgplicht voor waterbeheerders voorsta. Wel zal ik mijn collega van Verkeer en Waterstaat opmerkzaam maken op de berichten van de OVB en de NVVA, waaruit zou blijken dat sprake is van achterstallig baggeronderhoud.
De leden van het CDA vroegen naar de rol die de OVB kan spelen op het gebied van welzijn van vissen. De functie van de OVB daarin kan vooral liggen op het gebied van voorlichting als ook op het gebied van onderzoek naar welzijnsvriendelijke methoden van vissen. Op beide terreinen verricht de OVB overigens nu al activiteiten.
2. De Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij
De leden van het CDA vroegen wat de opheffing van de ZBO-status zal betekenen voor de OVB, met name voor wat betreft de publieke taken van deze organisatie. Zij vroegen zich daarbij af of bij de doorlichting op het departement ook is nagegaan of de OVB doelmatig en doeltreffend functioneert ten opzichte van de publieke taak en wat de resultaten waren van die doorlichting. Daarnaast vroegen zij of de sectororganisaties bij deze operatie betrokken zullen worden.
Overeenkomstig kabinetsafspraken zijn alle bestaande ZBO's getoetst aan de voorwaarden die gelden voor ZBO's ingevolge de daarvoor geldende aanwijzingen voor de regelgeving. Bij deze toetsing bleek de OVB niet te voldoen aan met name aanwijzing 124c. Zo kan bij de OVB onder meer niet worden gesproken van onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid, noch van strikt regelgebonden uitvoering in een groot aantal gevallen, hetgeen wel wordt vereist in de onderdelen a respectievelijk b van die aanwijzing. Op grond daarvan is besloten de ZBO-status van de OVB op te zullen heffen. Op dit moment wordt bezien hoe aan dit besluit het beste uitvoering kan worden gegeven. Uitgangspunt daarbij is om de bestaande expertise bij de OVB zoveel mogelijk intact te laten.
Verschillende opties zijn denkbaar: van de inrichting van de OVB als een agentschap tot een volledige privatisering van de OVB. In dat laatste geval zou de OVB bijvoorbeeld op contractsbasis bepaalde taken voor de overheid kunnen verrichten.
Op de vraag naar de betrokkenheid van de sector kan ik meedelen dat er geen besluitvorming zal plaatsvinden over een herpositionering van de OVB zonder dat de OVB – en daarmee de in de OVB betrokken organisaties – daarbij worden betrokken. De gesprekken hierover met de OVB zullen naar verwachting vanaf februari 1997 plaatsvinden.
De leden van de VVD-fractie wensten te vernemen welke concrete aspecten in het wetsvoorstel ik zo belangrijk acht, dat het belang van de vrije hengel daaraan ondergeschikt wordt gemaakt.
In antwoord hierop wijs ik allereerst op het opnemen van een continuatierecht van overeenkomsten van huur en verhuur van visrecht in de wet. Daarnaast kan worden genoemd het opnemen van een aantal bepalingen in de wet op grond waarvan regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de wijze van bevissing van de binnenwateren. Het betreft hier onder meer regels ter voorkoming van schade voor de volksgezondheid bij consumptie van de in binnenwateren voorkomende vis als gevolg van bepaalde vang- of lokmethoden. Daarnaast betreft het regels terzake van de invloed van het gebruik van bepaalde vang- of lokmethoden op het welzijn van de in de binnenwateren voorkomende vis.
Tevens gaat het om regels met betrekking tot het welzijn van dieren die bij het vissen als aas worden gebruikt. Bij dit laatste valt onder meer te denken aan het in de memorie van antwoord reeds ter sprake gekomen zijnde verbod op het gebruik van levend aas bij het vissen.
Ik acht het, gelet op deze elementen, van belang dat het wetsvoorstel nu kracht van wet zal verkrijgen.
In het licht hiervan en van de duidelijke stellingname van de Tweede Kamer ben ik niet voornemens de afschaffing van de vrije hengel te heroverwegen, zoals de leden van het CDA mij hebben verzocht.
Overigens moge het duidelijk zijn dat bij een dergelijke afschaffing zorgvuldig te werk moet worden gegaan. Niet slechts de sector zelf, doch ook de betrokken visrechthebbenden, waaronder een aantal gemeenten, moeten in de gelegenheid worden gesteld zich adequaat voor te bereiden op de beoogde gewijzigde situatie. Het wetsvoorstel voorziet ook in de mogelijkheid voor een daartoe benodigde overgangstermijn, nu artikel III bepaalt dat de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van de wet op verschillende tijdstippen kan plaatsvinden.
De leden van de VVD-fractie vroegen voorts aandacht voor de verhoging van de prijs van de sportvisakte voor 1997. Gevraagd werd hoe mijn instemming met deze verhoging zich verhoudt met mijn standpunt niet te voelen voor een opslag op de sportvisakte als alternatief voor de afschaffing van de vrije hengel.
Als redenen voor de afschaffing van de vrije hengel zijn indertijd genoemd een doelmatiger controle van de visvergunningen en een doelmatiger beheer van de visstand, alsmede het tegengaan van het gratis meeliften van vissers op kosten van de georganiseerde sportvissers ten aanzien van relevante activiteiten ten gunste van onder meer recreatie en natuurbeheer (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 21 436, nr. 7, blz. 9). De achtergrond van de afschaffing van dit recht is dus niet om extra inkomsten te genereren mede ten laste van de niet-georganiseerde sportvissers. Was dat wel het geval geweest, dan had inderdaad een verhoging van de prijs van de sportvisakte, als alternatief voor de afschaffing van de vrije hengel, voor de hand gelegen, zoals de leden van de D66-fractie in de Tweede Kamer al suggereerden.
De verhoging van de prijs van de sportvisakte die nu heeft plaatsgevonden is echter niet bedoeld om dergelijke extra inkomsten te genereren. De verhoging is dus, zo moge duidelijk zijn, evenmin bedoeld als een alternatief voor afschaffing van de vrije hengel. Mijn instemming met deze verhoging sluit daarentegen juist aan bij een situatie waarin de vrije hengel niet langer bestaat. Bij het geven van mijn instemming heb ik mij namelijk rekenschap gegeven van de reële mogelijkheid dat de vrije hengel reeds in 1997 zal worden afgeschaft. Een dergelijke situatie zal, zoals ik in de memorie van antwoord (Kamerstukken I 1996/1997, 21 436, nr. 87a, blz. 9) reeds aangaf, mogelijkerwijs kunnen leiden tot een daling van het aantal verkochte sportvisakten, waardoor de bekostiging van het visstandbeheer van de Nederlandse binnenwateren in het geding kan komen. Om dit risico te kunnen opvangen en gelet op alle onzekere factoren in kwestie heb ik in deze overgangsfase ingestemd met een verhoging die overigens minder dan een gulden op jaarbasis bedraagt.
De leden van de PvdA vroegen of de afschaffing van de vrije hengel niet een éxtra belasting zou betekenen voor de vrije hengelaars die blijven vissen.
De afschaffing van de vrije hengel zal inderdaad een kostenverzwaring meebrengen voor de vrije hengelaar. Dit is echter inherent aan deze afschaffing, aangezien men onder het vergunningenregime van de Visserijwet komt te vallen. In hoeverre een dergelijke lastenverzwaring zich zal voordoen zal onder meer afhangen van het antwoord op de vraag welke vergoeding de visrechthebbende – dit kan bijvoorbeeld ook een gemeente zijn – vraagt voor het verlenen van een vergunning.
Voor de goede orde wijs ik er in dit verband overigens op dat in een aantal gevallen kan worden volstaan met de aanschaf van een dag-, week- of maandvergunning, waarmee slechts sprake hoeft te zijn van een relatief geringe lastenstijging voor de huidige vrije hengelaar. Volgens informatie van de NVVS gaat het hierbij om vergunningen waarvoor een vergoeding van gemiddeld respectievelijk f 2,50, f 7,50, of f 15,– wordt gevraagd.
De vrije hengelaar zal daarnaast, zoals de PvdA-fractie reeds opperde, worden geconfronteerd met een verhoging van de prijs van de sportvisakte. Bedacht dient evenwel te worden dat de verhoging van de prijs van de sportvisakte met name ten goede komt aan de verbetering van de binnenvisserij en daarmee óók in het belang van deze categorie vissers is. Tevens dient te worden bedacht dat niet slechts de vrije hengelaars, doch ook hun georganiseerde collega's met deze verhoging worden geconfronteerd. Mijn instemming met de verhoging voor 1997 ziet dan ook op àlle hengelaars en op het belang van de hele sector.
De leden van de PvdA-fractie toonden zich bezorgd over het feit dat ook vissertjes van onder de 15 jaar een vergunning moeten aanschaffen, indien de vrije hengel wordt afgeschaft. Op hun zorgpunten kan ik als volgt reageren. De formele vereisten voor een vergunning staan aangegeven in artikel 23 van de Visserijwet 1963. Er is slechts sprake van een aantal summiere eisen, die met name inhouden dat duidelijk moet zijn wie de vergunning, als rechthebbende, heeft uitgegeven en aan wie; voor welk water de vergunning geldt en voor welke visserij; de geldigheidsduur van de vergunning en de verschuldigde vergoeding. Een pasfoto is niet voorgeschreven. Ook vissertjes van jonger dan 15 jaar zullen zich – in een aantal gevallen met hulp van een ouder – tot de rechthebbende moeten wenden voor een vergunning. Dit kan bijvoorbeeld een gemeente zijn, doch veel vaker zal dit een hengelsportvereniging zijn. Vissertjes kunnen lid worden van een vereniging om daarmee tevens over een (jaar)vergunning te beschikken of zij kunnen elders zo'n verenigingsvergunning aanschaffen.
Veelal zal dat mogelijk zijn bij onder meer hengelsportwinkels, cafés, bootjesverhuurders, VVV-kantoren, campings e.d. Omtrent de kosten voor een vergunning kan moeilijk in het algemeen iets worden gezegd. Volgens informatie van de NVVS zal met een normale jaarvergunning/lidmaatschap van een vereniging gemiddeld ca f 35,– gemoeid zijn. Voor kortlopende vergunningen (dag-, week, of maandvergunningen) moet worden gerekend op de bedragen zoals deze hiervoor reeds zijn aangegeven. Veel NVVS-organisaties hanteren echter voor hun jeugdleden speciale tarieven, gelegen tussen f 5,– en f 10,– per jaar.
In veruit de meeste gevallen – namelijk indien met ten hoogste twee hengels wordt gevist – zal geen toestemming voor de vergunning door de Kamer voor de Binnenvisserij nodig zijn.
In het door de leden van de PvdA-fractie gegeven voorbeeld – een vissertje met vergunning krijgt een helpende hand van zijn opa – is geen aparte vergunning voor die opa vereist, zolang deze zich beperkt tot het helpen van zijn kleinkind.
Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of 57% van de binnenwateren (exclusief het lJsselmeer) thans beschikbaar is voor de vrije hengelaar antwoord ik bevestigend. Met de afschaffing van de vrije hengel zal ook voor deze wateren de vergunningsplicht gaan gelden.
In het licht hiervan uitten deze leden hun twijfel over de handhaafbaarheid van het vergunningenstelsel, terwijl zij meer in het bijzonder wensten te vernemen in hoeverre het eventuele verbod op het gebruik van levend aas wel handhaafbaar is. Zij vroegen zich daarbij af hoe groot het risico is, dat het verbod een dode letter wordt.
Opgemerkt zij dat de afschaffing van de vrije hengel de handhaafbaarheid van het vergunningenregime niet wezenlijk anders maakt. Op dit moment worden de controles zo verricht dat zowel op de aanwezigheid van de sportvisakte, welke ook verplicht is voor vrije hengelaars, als op de benodigde vergunningen wordt gecontroleerd. Deze aanpak van de controles zal na de afschaffing van de vrije hengel niet anders worden. De controle op het gebruik van levend aas zal zoveel mogelijk worden geïntegreerd met de controles op de documenten.
Door middel van een adequate controle-inzet en een gedegen voorlichting moet een dusdanig nalevingsniveau worden bereikt, dat het verbod niet verwordt tot een dode letter. Dat de handhaving van het verbod in bepaalde concrete gevallen bewijstechnisch lastig zal zijn, lijkt mij evident. De PvdA-leden gaven daarvan in hun opmerkingen ook al een voorbeeld. In met name een aantal heterdaadsituaties zal dat evenwel anders liggen.
Omtrent de handhaving vindt thans overleg plaats met zowel de meest betrokken regiokorpsen van de politie en het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) als met het openbaar ministerie. Ook wordt bekeken of de buitengewone opsporingsambtenaren (BOA's) die met de visdocumentencontrole zijn belast kunnen worden ingezet bij de handhaving van het verbod op het gebruik van levend aas. De gesprekken over de handhavingsinzet met de politie en met de deelnemers aan het visdocumentenproject (m.n. de sportvissersfederaties) zijn in een vergevorderd stadium. De eerste uitkomsten van dit overleg geven deels uitzicht op een bevredigend resultaat. Ik ben overigens voornemens om een verbod op het gebruik van levend aas niet eerder in werking te laten treden dan nadat de handhaving daarvan adequaat is geregeld.
4. Zwartvisserij en visstroperij
De leden van de CDA-fractie hebben aangedrongen op doeltreffende maatregelen tegen de visstroperij. Zij vroegen welke «definitieve stappen» inmiddels op dit terrein zijn gezet, onder verwijzing naar de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer d.d. 14 maart 1996 (Handelingen II 1995/96, blz. 62-4358). Daarnaast wensten zij te vernemen welke rol de BOA's op dit terrein kunnen spelen en of strafbaarstelling ingevolge de Wet op de economische delicten (WED) wellicht soelaas kan bieden.
In reactie hierop wijs ik er allereerst op dat de stappen waaraan ik op 14 maart 1996 refereerde, betrekking hadden op het proefproject met 6 BOA's voor de controle op sportvisdocumenten. Die voornemens zijn inmiddels gerealiseerd; het project is medio juni 1996 van start gegaan. In het overleg met de Tweede Kamer heb ik daarnaast aangegeven dat, nu we op de goede weg lijken te zijn met de bestrijding van de zwartvisserij, het streven moet zijn de aanpak van de visstroperij zo spoedig mogelijk af te ronden. Ik sloot daarbij de inzet van BOA's op dat terrein niet op voorhand uit, terwijl ik tevens heb toegezegd de gedane suggesties van de zijde van de Tweede Kamer – waaronder strafbaarstelling op grond van de WED – te zullen meenemen in het benodigde overleg met de Minister van Justitie.
Helaas heeft het door mij toegezegde rapport over de visstroperij enige vertraging opgelopen. Niet alleen moesten voor het verzamelen van de gegevens veel verschillende bronnen worden geraadpleegd, maar bleek mij ook dat, door het speciale karakter van het onder (artikel 21 van) de Visserijwet vallende delict visstroperij een aantal voor een dergelijke inventarisatie vitale gegevens (m.n. aangiftegegevens) niet of nauwelijks voorhanden is. Gebleken is voorts dat in de beleving van veel betrokkenen de visstroperij ten onrechte vooral wordt geassocieerd met de onder het Wetboek van Strafrecht vallende delicten diefstal van vis en vistuig en vernieling van vistuig, in plaats van met het delict visstroperij, hetgeen het onderzoek aanzienlijk heeft bemoeilijkt. Ik verwacht evenwel dit voorjaar het rapport aan de Tweede Kamer te kunnen zenden en tevens te kunnen berichten over de resultaten van het inmiddels gestarte overleg met de minister van Justitie omtrent de eventueel te nemen nadere maatregelen.
Hoewel het rapport nog niet geheel is afgerond kan over de visstroperij thans al wel het volgende worden opgemerkt. In de loop van het onderzoek naar de visstroperij zijn in steeds sterkere mate geluiden vernomen vanuit politie- en AID-kringen dat, om direct en adequaat te kunnen optreden tegen visstropers, sprake moet zijn van een bundeling van kennis, materiaal en mensen. De betrokken opsporingsambtenaren achten op dit punt verbetering mogelijk. Dit is voor mij, vooruitlopend op de afronding van het rapport, voldoende aanleiding geweest om dit punt reeds aan de orde te laten stellen in het al gaande overleg met de politie, waarover ik in paragraaf 3 sprak. De noodzaak van een meer gebundelde aanpak kan namelijk niet slechts worden geconstateerd bij de bestrijding van de visstroperij doch geldt – onder meer in het licht van de vele dwarsverbanden die op dit terrein in handhavingstechnische zin kunnen worden gesignaleerd – evenzeer voor de andere elementen van de binnenvisserijproblematiek.
De gesprekken met de politie zijn dan ook niet slechts gericht op de handhavingsmodaliteiten van een specifieke regel als het verbod op het gebruik van levend aas, doch met name ook op een beter gestructureerde en meer geïntegreerde aanpak van de handhaving van àlle wettelijke regels op het gebied van de binnenvisserij. Het gaat hier met andere woorden om overleg over een handhavingsaanpak voor de gehele binnenvisserij-keten, van de controle op de beroepsbinnenvissers en de controle op de illegale visserij tot en met de controle op de sportvisserij.
Praktisch gezien betekent dit dat door mij wordt gestreefd naar een bundeling van personeel en materieel in de vorm van een samenwerkingsverband tussen de gelijkwaardige handhavingspartners AID (inclusief onbezoldigden), KLPD en regiopolitie, die daarin ieder een deel van de handhavingsinspanning leveren. Duidelijk zal zijn dat realisering van deze plannen de nodige inzet zal vergen van alle betrokkenen en niet van de ene dag op de andere zal zijn afgerond. Dit neemt niet weg dat deze ingeslagen weg met kracht vervolgd moet en zal worden.
De leden van de PvdA-fractie verzochten om opheldering van de kosten die samenhangen met de werkzaamheden van de buitengewone opsporingsambtenaren (BOA's), belast met de controle van visdocumenten. In reactie hierop kan ik het volgende meedelen.
De begeleiding en aansturing van de BOA's worden verzorgd door de Algemene lnspectiedienst (AID).
In de eerste fase van het proefproject hebben de kosten van de AID hiervoor, die rechtstreeks ten laste van mijn ministerie komen, ca. f 47 250,– bedragen (ca. 350 mensuren). Daarnaast zijn er de navolgende kosten, die door de OVB zijn voldaan. De opleidingskosten van de BOA's hebben ca. f 34 000,– bedragen. De BOA's worden ingehuurd van een particulier beveiligingsbedrijf, waar zij in dienst zijn, voor een vooraf met dit bedrijf overeengekomen all-in tarief van ca. f 62,50 per uur per ingezette BOA (op basis van een full-time inzet van in totaal zes BOA's). De totale kosten op dit punt hebben in de eerste fase ca. f 266 600,– bedragen. Tot welke vergoeding het all-in tarief leidt voor de individuele werknemers van het beveiligingsbedrijf is mij niet bekend. Dit is een interne aangelegenheid van het betreffende beveiligingsbedrijf, waarin ik geen inzicht heb. De BOA's zijn aangesteld als onbezoldigd AID-ambtenaar en ontvangen uit dien hoofde geen bezoldiging. Daarnaast zijn autokosten ad. f 45 800,– in rekening gebracht. Voor de voorlichting is een bedrag uitgegeven van f 41 100,– en voor onderzoek door het NIPO f 96 800,–. Rekening houdend met een kostenpost voor diverse uitgaven hebben de totale kosten die de OVB voor het project heeft moeten maken in het eerste jaar ca. f 490 000,– bedragen. Deze kosten komen ten laste van de publieke middelen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19961997-21436-87c.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.