21 436
Wijziging van de Visserijwet 1963

nr. 87b
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ1

Vastgesteld: 14 januari 1997

De memorie van antwoord gaf de leden van de fracties van VVD, CDA, PvdA en D66 nog aanleiding tot het stellen van de volgende vragen en het maken van de volgende opmerkingen.

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie memoreerden dat de minister in de memorie van antwoord wijst op het gezamenlijk initiatief van de Dierenbescherming, het Produktschap Vis en zijn ministerie tot het verstrekken van een opdracht aan het RIVO om een inventariserende studie naar dodingsmethoden van vissen uit te voeren, waaronder begrepen de wijze van doden tijdens de visserij zelf. Kan de minister thans mededelingen doen over de resultaten van het onderzoek van het RIVO, dat in 1996 nog zou worden gepubliceerd? Tot welk plan van aanpak zal het resultaat van dit onderzoek leiden?

De minister geeft aan dat baggeronderhoud van betekenis is voor het voorkomen van wintersterfte onder vissen. Dient dit te leiden tot het treffen van maatregelen om achterstallig baggeronderhoud te voorkomen en het instellen van een zorgplicht voor waterbeheerders?

Welke rol kan de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) spelen op het gebied van welzijn van vissen?

De leden van de fractie van D66 stonden na kennisneming van de memorie van antwoord nog altijd kritisch tegenover het onderhavige wetsvoorstel. Zij sloten zich aan bij de in het nader voorlopig verslag door de verschillende fracties gestelde vragen.

2. De Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij (OVB)

De leden van de CDA-fractie vroegen wat de opheffing van de ZBO-status zal betekenen voor, met name de publieke taken, van de OVB, nu de minister in de memorie van antwoord stelt dat de opheffing van de ZBO-status van de OVB niet hoeft te betekenen dat de OVB als organisatie zal verdwijnen.

Is bij de doorlichting op het departement ook nagegaan of de OVB doelmatig en doeltreffend functioneert ten opzichte van de publieke taak? Zo ja, wat was hiervan het resultaat? Zo neen, waarom niet?

Waarom zijn de sectororganisaties niet betrokken bij de bepaling van het standpunt van de minister over de ZBO-status van de OVB? Kan dit alsnog gebeuren?

3. De vrije hengel

Met betrekking tot het afschaffen van de vrije hengel verwijst de minister, aldus de leden van de VVD-fractie, nogmaals naar het feit dat hij het amendement op stuk nr. 17 in de Tweede Kamer heeft ontraden. Bovendien verwijst hij naar zijn argumenten, verwoord in zijn brief d.d. 25 maart 1996 (stuk nr. 30) aan de Tweede Kamer.

Desalniettemin acht de minister het punt van de vrije hengel niet zo zwaarwegend dat het wetsvoorstel daarop zou moeten stranden. Dit standpunt zou naar de mening van de minister ook moeten worden gezien in het licht van het feit dat het voorstel op andere punten, onder meer op het terrein van dieren welzijn, vele waardevolle bepalingen bevat.

De leden van de VVD-fractie zouden graag zien dat de minister bovengenoemd standpunt nader verduidelijkte.

Welke concrete aspecten van de wet acht de minister zo belangrijk dat hij het belang van de vrije hengel, zijnde een recht dat reeds eeuwenlang bestaat en een aanzienlijk recreatief belang dient, hieraan ondergeschikt maakt?

De minister zegt niet te voelen voor een opslag op de sportakte als alternatief voor de afschaffing van de vrije hengel. De leden van de VVD-fractie zouden gaarne van de minister vernemen hoe dit standpunt zich verhoudt tot de mededeling van de OVB dat de minister heeft ingestemd met een verhoging van de prijs van de sportvisakte per 1 januari 1997. Deze verhoging zou voor een deel dienen als compensatie voor de verwachte inkomstendaling van de OVB ten gevolge van het afschaffen van de vrije hengel.

De leden van de CDA-fractie zeiden het standpunt van de minister verwoord in zijn brief van 25 maart jl. aan de Tweede Kamer (stuk nr. 30) te delen. Zou de minister de in het wetsvoorstel, tengevolge van de aanvaarding door de Tweede Kamer van het amendement-Huys/Van Waning (op stuk nr. 17), opgenomen afschaffing van de vrije hengel willen heroverwegen en bevorderen dat de vrije hengel daadwerkelijk wordt behouden?

Het was de leden van de PvdA-fractie nu duidelijk, dat, als de wijziging van de Visserijwet doorgaat, ook vissertjes onder de 15 jaar een vergunning zullen moeten aanschaffen. Hoe zal het verkrijgen van zo'n vergunning voor deze kinderen precies in zijn werk gaan? Zal een pasfoto nodig zijn? Welke kosten zijn er voor hen mee gemoeid?

Als zo'n vissertje een vis boven water haalt en zijn opa, die niet meer vist maar wel weet hoe je een vis diervriendelijk van de haak haalt, hem of haar helpt bij het «afhaken», moet die opa dan ook een vergunning hebben?

In de memorie van antwoord wordt aangegeven, dat 80% van de Nederlandse binnenwateren beschikbaar is voor de vrije hengelaar, oftewel 273 000 ha. van in totaal 340 000 ha. Dat is met inbegrip van het IJsselmeer. Buiten het IJsselmeer, dus in de overige binnenwateren, is 88 000 ha voor de vrije hengelaar beschikbaar op een totaal van 340 000 ha. 186 000 ha= 155 000 ha. Dat zou betekenen, dat 57% van de overige binnenwateren nu nog beschikbaar is voor de vrije hengel en volgend jaar vergunningplichtig zou worden. Is die berekening juist?

Deze leden hadden en houden – ook na de memorie van antwoord – hun twijfel over de handhaafbaarheid van het vergunningenstelsel – na afschaffing van de vrije hengel – in het algemeen mede in het licht van voorgaande vraag en meer in het bijzonder wensten deze leden te vernemen hoe de minister denkt over de handhaafbaarheid van een eventueel verbod op het gebruik van aasvisjes. Is zo'n verbod niet gemakkelijk te ontgaan, door bijvoorbeeld met een made en een aasvisje aan dezelfde haak te vissen? Hoe groot is het risico, dat het verbod een dode letter wordt?

Volgens de Organisatie ter verbetering van de Binnenvisserij zou de prijs van de visakte tot f 16,50 moeten worden verhoogd. Deels zou dat nodig zijn om de te verwachten terugval in de verkoop van visakten als gevolg van het afschaffen van de vrije hengel te compenseren. Betekent dat, dat de vrije hengelaars, die blijven vissen, niet alleen met de kosten van de vergunningen extra zullen worden belast maar ook nog met een duurdere visakte? Kan de minister aangeven waarom hij, zoals in de brief wordt aangegeven, akkoord is gegaan met deze dubbele kostenverzwaring?

4. Zwartvisserij en visstroperij

De beantwoording van de vragen inzake de visstroperij stelde de leden van de CDA-fractie teleur. Deze leden zijn van mening dat op dit terrein doeltreffende maatregelen dienen te worden getroffen. Zij herhaalden hun vraag welke definitieve stappen de minister inmiddels in dit kader heeft gezet, zoals hij in de Tweede Kamer heeft aangekondigd (Handelingen Tweede Kamer 1995–1996, nr. 21, blz. 4358). Wat zal hierbij de taak en functie zijn van de bijzondere opsporingsambtenaren (BOA's)? Zijn de BOA's wel voldoende toegerust om de visstroperij aan te pakken?

Is de minister bereid om te bevorderen dat het grootschalig visstropen strafbaar wordt gesteld ingevolge de Wet Economische Delicten? Immers door visstropers wordt op illegale wijze of door illegaal gebruik van beroepsvistuigen, economisch voordeel behaald, waarbij het vaak gaat om hoge bedragen. Overtredingen van de Visserijwet worden nu veelal afgedaan met kleine geldboetes. Zouden de bevoegdheden van de Wet Economische Delicten juist niet noodzakelijk zijn ter verbetering van de doeltreffendheid van de controle op de handel en de opsporing van strafbare feiten gesteld in of krachtens de Visserijwet?

De leden van de PvdA-fractie zouden graag enige opheldering krijgen over de kosten, die met de werkzaamheden van de BOA's samenhangen. Daarbij gaat het niet alleen om de kosten van opleiding, begeleiding en aansturing van deze «onbezoldigde ambtenaren», maar ook om vaartuigen, kleding en dergelijke. Ook wilden zij weten of deze BOA's, met name bij full time inzet, inderdaad onbezoldigd zijn.

Mochten zij toch een inkomen verwerven, hoe hoog is dat dan en waaruit wordt het betaald?

De voorzitter van de commissie,

Braks

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Pit (PvdA), Holdijk (SGP), Zijlstra (PvdA), Braks (CDA) voorzitter, Van Gennip (CDA), Pitstra (GroenLinks), Luimstra-Albeda (CDA), Rensema (VVD), Varekamp (VVD), Van Heukelum (VVD) en Hessing (D66).

Naar boven