nr. 248b
MEMORIE VAN ANTWOORD
Wij constateren met voldoening dat de leden van de CDA-fractie met begrip
hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben terecht vastgesteld
dat de geldende termijn voor de indiening van het wetsvoorstel als bedoeld
in artikel 7, derde lid, van de wet inmiddels is overschreden.
Hoewel het wetsvoorstel reeds op 27 november 1995 bij de Tweede Kamer
is ingediend, is het helaas niet mogelijk gebleken de behandeling van het
onderhavige wetsvoorstel tijdig af te ronden. De Kamer kan er op rekenen dat
ik mij zal inspannen om herhaling te voorkomen. Dat laat onverlet dat het
van belang blijft om de indiening van het wetsvoorstel uit te stellen tot
het voorgestelde tijdstip. Daarmee wordt in elk geval recht gedaan aan de
bedoeling van de termijnbepaling van artikel 7 van de Wet persoonsregistraties.
Overigens heeft deze overschrijding geen enkel gevolg voor de rechtsgeldigheid
van het Besluit gevoelige gegevens. Het besluit is gebaseerd op artikel 7
Wet persoonsregistraties en is daarmee in overeenstemming met de door artikel
10 van de Grondwet gestelde voorwaarden.
Tegen de achtergrond van de op 24 oktober 1995 vastgestelde EG-richtlijn
inzake bescherming persoonsgegevens, is er op praktische gronden de voorkeur
aan gegeven om de vervulling van de opdracht vervat in artikel 7, derde lid,
te laten samenvallen met de wet ter implementatie van de richtlijn. In de
daartoe benodigde verlenging van de termijn voorziet het onderhavige wetsvoorstel.
De in het wetsvoorstel voorgestelde termijn hangt uiteraard samen met de door
de leden van de CDA-fractie gevraagde planning inzake de nieuwe Wet bescherming
persoonsgegevens. De genoemde leden constateren terecht dat sprake is van
een krap tijdschema. Krachtens artikel 32 van de richtlijn dient deze uiterlijk
op 23 oktober 1998 in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd.
Zoals reeds aangegeven in de door de leden van de CDA-fractie gememoreerde
brief van 31 mei 1996 is mijn streven er op gericht het voorstel voor een
nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens in de eerste helft van 1997 in te
dienen.
In mijn brief van 31 mei 1996 heb ik op verzoek van de Tweede kamer kort
een aantal punten aangestipt met betrekking tot de EG-richtlijn, de implementatiewet,
evaluaties van de Wet persoonsregistraties en de verder met betrekking tot
de implementatie te volgen procedure. De definitieve tekst van de richtlijn
was als bijlage bijgevoegd. Tijdens het Euroforumseminar op 19 juni j.l. is
door een van mijn ambtenaren uitgebreider ingegaan op het systeem van de richtlijn
en de wijzigingen die deze met zich mee zal brengen ten opzichte van de huidige
wet. Een korte weergave van de belangrijkste wijzigingen vindt U ook terug
in de brief van 31 mei.
In reactie op enkele door de leden van de CDA-fractie genoemde thema's
kan ik mededelen dat mijn streven in het kader van de nieuwe wet er inderdaad
op is gericht om de bureaucratische procedures te verlichten. De reglementsplicht
voor de publieke sector zal worden afgeschaft. Tevens zal nader worden bezien
in hoeverre uitbreiding van de reeds bestaande vrijstellingen mogelijk is.
Niettemin zal als gevolg van de richtlijn de meldingsverplichting ook onder
het regime van de nieuwe wet gehandhaafd blijven.
Voorts zal de nieuwe wet inderdaad worden aangegrepen om de materiële
normering te verbeteren en de onduidelijkheid omtrent de betekenis van bepaalde
begrippen te verminderen. Terecht hebben de leden van de CDA-fractie er op
gewezen dat – gelet op de ervaringen met de huidige Wet persoonsregistraties –
met name het houderschapsbegrip bijzondere aandacht verdient. De daaromtrent
in de juridische evaluatie gedane aanbevelingen nemen wij daarbij tot uitgangspunt.
In de hoop dat wij de vragen van de leden van de CDA-fractie genoegzaam
hebben beantwoord, spreek ik de hoop uit dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk
kracht van wet zal krijgen.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager