24 516
Wijziging van de in artikel 7 van de Wet persoonsregistraties opgenomen termijn voor het indienen van een voorstel van wet

nr. 248b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 24 juli 1996

Wij constateren met voldoening dat de leden van de CDA-fractie met begrip hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben terecht vastgesteld dat de geldende termijn voor de indiening van het wetsvoorstel als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet inmiddels is overschreden.

Hoewel het wetsvoorstel reeds op 27 november 1995 bij de Tweede Kamer is ingediend, is het helaas niet mogelijk gebleken de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel tijdig af te ronden. De Kamer kan er op rekenen dat ik mij zal inspannen om herhaling te voorkomen. Dat laat onverlet dat het van belang blijft om de indiening van het wetsvoorstel uit te stellen tot het voorgestelde tijdstip. Daarmee wordt in elk geval recht gedaan aan de bedoeling van de termijnbepaling van artikel 7 van de Wet persoonsregistraties. Overigens heeft deze overschrijding geen enkel gevolg voor de rechtsgeldigheid van het Besluit gevoelige gegevens. Het besluit is gebaseerd op artikel 7 Wet persoonsregistraties en is daarmee in overeenstemming met de door artikel 10 van de Grondwet gestelde voorwaarden.

Tegen de achtergrond van de op 24 oktober 1995 vastgestelde EG-richtlijn inzake bescherming persoonsgegevens, is er op praktische gronden de voorkeur aan gegeven om de vervulling van de opdracht vervat in artikel 7, derde lid, te laten samenvallen met de wet ter implementatie van de richtlijn. In de daartoe benodigde verlenging van de termijn voorziet het onderhavige wetsvoorstel. De in het wetsvoorstel voorgestelde termijn hangt uiteraard samen met de door de leden van de CDA-fractie gevraagde planning inzake de nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens. De genoemde leden constateren terecht dat sprake is van een krap tijdschema. Krachtens artikel 32 van de richtlijn dient deze uiterlijk op 23 oktober 1998 in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd. Zoals reeds aangegeven in de door de leden van de CDA-fractie gememoreerde brief van 31 mei 1996 is mijn streven er op gericht het voorstel voor een nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens in de eerste helft van 1997 in te dienen.

In mijn brief van 31 mei 1996 heb ik op verzoek van de Tweede kamer kort een aantal punten aangestipt met betrekking tot de EG-richtlijn, de implementatiewet, evaluaties van de Wet persoonsregistraties en de verder met betrekking tot de implementatie te volgen procedure. De definitieve tekst van de richtlijn was als bijlage bijgevoegd. Tijdens het Euroforumseminar op 19 juni j.l. is door een van mijn ambtenaren uitgebreider ingegaan op het systeem van de richtlijn en de wijzigingen die deze met zich mee zal brengen ten opzichte van de huidige wet. Een korte weergave van de belangrijkste wijzigingen vindt U ook terug in de brief van 31 mei.

In reactie op enkele door de leden van de CDA-fractie genoemde thema's kan ik mededelen dat mijn streven in het kader van de nieuwe wet er inderdaad op is gericht om de bureaucratische procedures te verlichten. De reglementsplicht voor de publieke sector zal worden afgeschaft. Tevens zal nader worden bezien in hoeverre uitbreiding van de reeds bestaande vrijstellingen mogelijk is. Niettemin zal als gevolg van de richtlijn de meldingsverplichting ook onder het regime van de nieuwe wet gehandhaafd blijven.

Voorts zal de nieuwe wet inderdaad worden aangegrepen om de materiële normering te verbeteren en de onduidelijkheid omtrent de betekenis van bepaalde begrippen te verminderen. Terecht hebben de leden van de CDA-fractie er op gewezen dat – gelet op de ervaringen met de huidige Wet persoonsregistraties – met name het houderschapsbegrip bijzondere aandacht verdient. De daaromtrent in de juridische evaluatie gedane aanbevelingen nemen wij daarbij tot uitgangspunt.

In de hoop dat wij de vragen van de leden van de CDA-fractie genoegzaam hebben beantwoord, spreek ik de hoop uit dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk kracht van wet zal krijgen.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven