24 516
Wijziging van de in artikel 7 van de Wet persoonsregistraties opgenomen termijn voor het indienen van een voorstel van wet

nr. 248a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 25 juni 1996

Het voorbereidend onderzoek gaf de leden van de CDA-fractie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden hier aan het woord hadden met begrip kennis genomen van het wetsvoorstel. Wel vroegen zij zich af of artikel 7, derde lid, van de Wet persoonsregistraties in de ogen van de regering wel normatieve betekenis heeft, nu op dit moment de geldende termijn voor indiening van een wetsvoorstel reeds is overschreden. Kan de Kamer erop rekenen dat deze situatie zich niet zal herhalen ten aanzien van de nu voorgestelde termijn van 1 juni 1997? Als dat niet zeker is, heeft de voorgestelde wijziging dan eigenlijk enige zin?

Mocht de regering van oordeel zijn dat artikel 7, derde lid, wèl normatieve betekenis heeft, dan zouden deze leden graag vernemen of dat gevolgen heeft op het punt van de inachtneming van artikel 10 van de Grondwet. Is het besluit gevoelige gegevens na het verstrijken van de in artikel 7, derde lid, Wet persoonsregistraties gestelde termijn nog in overeenstemming met de constitutioneel vereiste regeling bij of krachtens de wet?

Ook los van het vorenstaande hadden de leden van de CDA-fractie behoefte aan inzicht in de planning inzake de nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens. Zij waardeerden de toezending van de brief van de minister van 31 mei 1996 over de hoofdlijnen van de beoogde wetgeving. Het krappe tijdschema bij de implementatie van de richtlijn (en uiteraard dat van de wettelijke regeling inzake gevoelige gegevens) maakt het wenselijk nu reeds stil te staan bij de koers van het wetgevingsbeleid. Deze leden vernamen dat ambtelijk op 19 juni a.s. tijdens een Euroforum-seminar antwoord zal worden gegeven op vragen als «Hoe ziet het wetsvoorstel eruit?» En «Wat is in de toekomst nog geoorloofd met betrekking tot persoonsgegevens?» Worden daarbij nadere mededelingen gedaan in verhouding tot de brief van de minister? In dit verband zouden de leden van de CDA-fractie in het bijzonder graag vernemen of de doorwerking van de richtlijn in de Nederlandse wetgeving de bureaucratische procedures zal weten te verlichten, of de materiële normering navenant zal worden verbeterd en of de onduidelijkheid inzake het houderschap en andere begripsbepalingen zal worden opgeheven.

De voorzitter van de commissie,

Heijne Makkreel

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Heijne Makkreel (VVD), (voorzitter), Talsma (VVD), Glasz (CDA), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Holdijk (SGP), Vrisekoop (D66), Pitstra (GroenLinks), Le Poole (PvdA), Cohen (PvdA), De Wit (SP), Hirsch Ballin (CDA) en De Haze Winkelman (VVD).

Naar boven