Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal1995-199624496 nr. 257b

24 496
Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en van een aantal andere wetten

nr. 257b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 18 mei 1996

Wij stellen het op hoge prijs dat de Eerste Kamer reeds zo kort nadat het onderhavige wetsvoorstel bij haar is ingediend, het voorbereidend onderzoek heeft afgerond en dat zij zich ook overigens bereid heeft getoond het wetsvoorstel op zodanig korte termijn te behandelen dat de voorgenomen datum van inwerkingtreding daadwerkelijk zal kunnen worden gehaald.

De leden van de fractie van de PvdA informeerden mede namens de leden van de fractie van het CDA hoe het staat met de vorderingen om, in het kader van de fraudebestrijding, het Verificatie Informatie Systeem (VIS) te vervolmaken.

In het op 22 april 1996 gehouden wetgevingsoverleg met de Tweede Kamer – de hier aan het woord zijnde leden verwezen daarnaar – hebben wij de inspanningsverplichting op ons genomen om de problemen rond het VIS binnen twee maanden, gerekend vanaf de datum van het wetgevingsoverleg, op te lossen. Inmiddels is een datum vastgesteld voor overleg tussen de bewindslieden van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat. Dit overleg zal plaatsvinden op 3 juli a.s. Omtrent de resultaten van dat overleg zullen wij het parlement zo spoedig mogelijk informeren.

De commissie verzocht de regering om een antwoord op de vragen en opmerkingen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in haar brief van 9 mei 1996, alsmede op die van Forum in zijn brief van 14 mei 1996.

Met betrekking tot hetgeen aan de orde wordt gesteld in de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, merken wij het volgende op.

1. Stand van zaken wet- en regelgeving

De nieuwe regelgeving betreffende rijbewijzen is voor een zeer groot deel reeds enige maanden bij de gemeenten bekend. Op 12 maart 1996 is aan alle gemeenten een diskette toegezonden met de tekst van de bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994, inclusief – uiteraard onder het voorbehoud van aanvaarding door de Staten-Generaal – de in het wetsvoorstel 24 496 voorgestelde wijzigingen, en de tekst van het Reglement rijbewijzen met bijbehorende toelichting, zoals in het kader van de voorhangprocedure overgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal. Over een aantal recente wijzigingen in het wetsvoorstel, zoals kort voor het wetgevingsoverleg voorgesteld bij nota van wijziging, zijn de gemeenten nadien geïnformeerd tijdens de in de maanden maart en april gehouden regionale voorlichtingsbijeenkomsten voor ambtenaren van de afdelingen burgerzaken.

De ministeriële regelingen, voor zover relevant voor de gemeenten, zijn op 10 mei 1996 in concept toegezonden aan alle gemeenten. Onder meer gaat het daarbij om de in de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aan de orde gestelde vaststelling van coderingen, waarmee beperkingen met betrekking tot de rijbevoegdheid op het nieuwe model rijbewijs zullen worden aangegeven. De ministeriële regelingen, die inmiddels door de eerste ondergetekende zijn vastgesteld, zullen op korte termijn in de Staatscourant worden gepubliceerd.

Begin volgende week zullen de gemeenten opnieuw een diskette ontvangen, waarop de definitieve regelgeving zoals zij die inmiddels kennen, nog eens compleet is opgenomen.

Concluderend kan worden gesteld dat van de zijde van het departement van Verkeer en Waterstaat alles in het werk is gesteld om de gemeenten zo tijdig mogelijk op de hoogte te doen zijn van de nieuwe regelgeving voor zover deze voor hen relevant is.

2. Stand van zaken software

De testomgeving/opleidingsomgeving is op 10 april 1996 opgeleverd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Hierbij dient te worden aangetekend dat door datacommunicatieproblemen zowel aan de zijde van de gebruiker alsook aan de zijde van de RDW een drietal partijen op een later tijdstip gebruik konden gaan maken van de testomgeving. Een en ander is in nauw overleg met de betrokken partijen gerealiseerd. De gemeente Den Haag is op 15 mei als laatste aangesloten op de testomgeving.

Het primaire doel van de testomgeving is vast te stellen of de systemen goed functioneren. Op basis van de bevindingen is inmiddels een aantal maatregelen genomen om de responstijd in de testomgeving te verbeteren. Deze verbeteringen hebben het gewenste effect gesorteerd. Het produktiesysteem wordt ingericht door middel van zgn. performance testen en simulaties. De responstijd zal per 1 juni a.s. aan de gestelde eisen voldoen. Deze verwachting is mede gebaseerd op de ervaringen die de RDW heeft opgedaan bij het implementeren van andere grootschalige online processen. Een grootschalige duurtest met alle betrokken partijen (gemeenten, politie, CBR, RDW, etc.), zoals in de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten bepleit, is praktisch zeer moeilijk uitvoerbaar en zeer kostbaar. De in het vorenstaande geschetste maatregelen zijn naar ons oordeel afdoende om de kwaliteit van de datacom-faciliteiten te waarborgen in de produktie-omgeving.

In de afgelopen periode is door de softwareleveranciers een drietal onvolkomenheden in het functioneel ontwerp geconstateerd. Deze onvolkomenheden zijn begin april in goed overleg met de betrokken sofwareleveranciers opgelost.

3. Relatie wet- en regelgeving, software en voorlichting/instructie

Zoals hiervoor is uiteengezet, beschikken de gemeenten reeds geruime tijd over de relevante regelgeving en zijn zij ook over de recentelijk daarin nog aangebrachte c.q. voorgestelde wijzigingen inmiddels geïnformeerd. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de softwareleveranciers en de bestuursacademies. Met nadruk zij gesteld dat de recentelijk nog in de regelgeving aangebrachte c.q. voorgestelde wijzigingen in geen enkel opzicht consequenties zullen hebben voor de gemeentelijke softwaresystemen. Overigens is dit laatste tijdens de onlangs gehouden regionale voorlichtingsbijeenkomsten voor ambtenaren van de afdelingen burgerzaken van de gemeenten uitdrukkelijk medegedeeld aan de bezoekers van die bijeenkomsten.

Uiteraard kan niet worden uitgesloten dat zich bij de invoering van een complexe materie als de onderhavige onvoorziene situaties kunnen voordoen. In verband daarmee is voorzien in het instellen, bij de RDW, van een helpdesk ten behoeve van de eerstelijns-ondersteuning. Voorts zal in de eerste weken van juni een groep medewerkers beschikbaar zijn om eventuele problemen snel en adequaat op te lossen.

Wij zijn, gezien het vorenstaande, van mening dat al het nodige is gedaan om te komen tot een verantwoorde invoering van de nieuwe regelgeving betreffende rijbewijzen.

In de brief van Forum worden de volgende vragen c.q. onderwerpen aan de orde gesteld:

a. de uitleg die aan de Wet op de identificatieplicht door uitvoeringsorganen in het algemeen ten aanzien van de verblijfsstatus van vreemdelingen wordt gegeven;

b. van welke identiteitsbewijzen kunnen niet-Nederlanders gebruik maken bij de aanvraag van een rijbewijs;

c. welke categorieën vreemdelingen voldoen aan het criterium «met instemming van het bevoegd gezag bestendig in Nederland verblijven»; zijn dat ook vreemdelingen met een verblijfsrecht voor studie of medische behandeling, houders van voorlopige vergunningen tot verblijf en vreemdelingen aan wie is toegestaan de behandeling van hun verzoek om toelating af te wachten;

d. de verhouding tussen de formulering in de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot «met instemming van het bevoegd gezag bestendig in Nederland verblijven» en rechtmatig verblijf als bedoeld in het Koppelingswetsvoorstel.

Ad a:

Bij de beantwoording van deze vraag moet worden onderscheiden tussen de identificatieplicht die bestaat bij de uitoefening van het binnenlands vreemdelingentoezicht enerzijds, de verplichting om zich op geldige wijze te identificeren bij de aanvraag van een Nederlands rijbewijs en overige identificatieverplichtingen. Voor de uitoefening van het vreemdelingentoezicht is het onder omstandigheden gewenst om de precieze verblijfsstatus van de vreemdeling te kennen; voor de aanvraag van een rijbewijs behoeft dat niet in dezelfde strikte mate te geschieden. Ook bij de uitvoering van de overige bijzondere wetten waarbij een identificatieplicht is ingevoerd, is steeds per situatie vastgesteld welke documenten als geldig identiteitsbewijs worden aangemerkt.

Ad b:

Als identiteitsbewijzen voor vreemdelingen zijn de volgende documenten geldig:

– verblijfsdocumenten van de vreemdelingendienst (A t/m E-documenten);

– het vluchtelingenpaspoort;

– het vreemdelingenpaspoort;

– een niet-Nederlands paspoort, waarin door de vreemdelingendienst een vergunning tot verblijf is aangetekend;

– het elektronische W-document.

Ad c:

De onderhavige regelgeving (artikel 111, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994) heeft tot doel te voorkomen dat aan illegaal in Nederland verblijvende personen, aan personen voor wie een verblijfsprocedure gaande is, en aan technisch niet verwijderbare vreemdelingen een document wordt afgegeven waarmee zij zich in een aantal situaties op geldige wijze kunnen identificeren. Vergelijk in dit opzicht ook de memorie van toelichting op wetsvoorstel 23 664, Kamerstukken II, 1993–1994, nr. 3, blz. 9 en 10. Aan houders van een voorlopige vergunning tot verblijf, in het bijzonder de gedoogden die op grond van artikel 9a en artikel 12a van de Vreemdelingenwet een verblijfsvergunning hebben gekregen, kan een Nederlands rijbewijs worden verstrekt. Degene die toestemming heeft de uitkomst van zijn procedure in Nederland af te wachten, heeft (nog) geen toestemming voor bestendig verblijf; aan betrokkene kan dus geen Nederlands rijbewijs worden verstrekt. Vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning onder beperkende voorwaarden is verstrekt (bijv. voor studie of ten behoeve van een medische behandeling), kunnen eveneens een Nederlands rijbewijs aanvragen.

Bij vierde nota van wijziging op het onderhavige wetsvoorstel is in Artikel I, onderdeel P, punt 2, ingevoegd dat de aanvrager van een rijbewijs zich dient te legitimeren met een geldig identiteitsdocument als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht of met een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat nog geldig is.

In artikel 113, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat de met afgifte van rijbewijzen belaste autoriteit in de gevallen waarin de aanvraag wordt ingediend door een vreemdeling die geen onderdaan is van een EU-lidstaat, een schriftelijke verklaring dient te vragen aan de korpschef, bedoeld in artikel 48 van de Vreemdelingenwet, waarin deze verklaart dat de betrokken vreemdeling toegang tot Nederland heeft.

Ad d:

Op de inhoud van het criterium voor rechtmatig verblijf in het kader van het Koppelingswetsvoorstel en de verhouding tot de Wet op de identificatieplicht zal uitvoerig worden ingegaan in de nota naar aanleiding van het verslag bij eerstgenoemd wetsvoorstel, die op korte termijn aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden. Het betreft hier geen vraag die behandeling behoeft in het kader van de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager