nr. 121b
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 16 januari 1996
In ben de leden van de fracties van de Eerste Kamer erkentelijk voor de
voortvarende wijze waarop het voorlopig verslag tot stand is gekomen. Hieronder
zal ik ingaan op de in het voorlopig verslag gestelde vragen.
De leden van de CDA-fractie informeren naar de uitvoeringskosten van de
voorgestelde regeling. Zij vragen tevens waarom deze kosten niet afzonderlijk
zijn geraamd.
De uitvoeringskosten bedragen 0,5 mln gld in 1996, oplopend tot ca. 13
mln in 2001. In de jaren daarna nemen deze kosten nog verder toe tot ca. 35
mln, samenhangend met het verwachte toenemend aantal gerechtigden in die jaren.
Deze kosten zijn destijds niet afzonderlijk weergegeven, omdat tegenover deze
extra uitvoeringskosten een daling van de uitvoeringskosten in de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen
(IOAZ) en de Algemene bijstandswet (Abw) staat.
Met betrekking tot de ernstige ontrading van het amendement inzake de
introductie van een derde categorie die onder de werking van het voorliggende
wetsvoorstel wordt gebracht, de personen die op 1 augustus 1993 de leeftijd
van 50 jaar hebben bereikt en op 31 juli 1993 recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
merk ik, naar aanleiding van de vraag hierover van de leden van de CDA-fractie,
het volgende op.
Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 1995/1996,
24 484 nr. 5) al aangegeven verschilt de positie van genoemde categorie
personen principieel van die van de personen die worden herkeurd. De personen,
die op het moment van inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op
de arbeidsongeschiktheidsregelingen (WetTBA) 50 jaar of ouder waren, zullen
de arbeidsongeschiktheidsuitkering alleen dan verliezen indien zij (naast
overlijden of pensionering) weer herstellen. Voor hen geldt niet dat er ten
opzichte van de situatie van voor de Wet TBA wijzigingen in de
uitkeringsvoorwaarden optreden.
Diegenen, die na herstel geen werk hervatten, en, voor zover zij zich
beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt, in aanmerking komen voor een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet (WW), verschillen derhalve niet van andere
werklozen. Niet valt in te zien waarom voor deze groep een ander uitkeringsregime
zou gelden dan voor deze andere werklozen. Hierin lag het principiële
bezwaar tegen het amendement.
Uitbreiding van de doelgroep op grond van het amendement kent daarnaast
een praktisch probleem. Bezien moet worden welke personen uit de in het amendement
bedoelde categorie sinds 1 augustus 1993 hun arbeidsongeschiktheidsuitkering
na een herkeuring geheel of gedeeltelijk hebben verloren en in welke situatie
zij thans verkeren.
De leden van de CDA-fractie vragen naar de stand van zaken rond het nieuwe
reïntegratiemodel dat het Tica heeft aangekondigd. Dit voorstel zal naar
mijn informatie niet eerder dan komend voorjaar in uitgewerkte vorm kunnen
worden verwacht.
Inmiddels is het inwerkingtredingsbesluit Amber gepubliceerd. Daarbij
is inwerkingtreding van het in Amber neergelegde pakket van reïntegratiemaatregelen
geregeld per 29 december 1995, met uitzondering van de proefplaatsing (die
per 1 januari 1996 in werking is getreden) en van de loon- en inkomenssuppletie
waarover het advies van de RvS nog niet is ontvangen. Zodra voornoemd advies
is ontvangen zal ook de inwerkingtreding van de loon- en inkomenssuppletie
zo spoedig mogelijk worden geregeld.
Zodra ik over het voorstel van het Tica beschikt zal hierover overleg
kunnen plaatsvinden en kan, mede in het licht van de eerste ervaringen met
de reeds werkende maatregelen, worden bezien of een aanpassing wenselijk is.
De leden van de CDA-fractie vragen tevens of het Tica een ander standpunt
inzake de kans op werkhervatting heeft ingenomen. Dit naar aanleiding van
het verschil tussen de kostenraming van de hier voorgestelde regeling van
het Tica en het kabinet.
Met betrekking tot de kans op werkhervatting zijn thans, zoals reeds eerder
gesteld, geen gegevens voorhanden. Het Tica heeft zoals bekend een andere
inschatting dan het kabinet gemaakt van deze kans op werkhervatting. Vooralsnog
heeft het Tica geen aanleiding gezien deze inschatting bij te stellen.
Het Tica heeft slechts een raming gemaakt van de verwachte meeruitgaven
als gevolg van de voorgestelde regeling. Daarbij is geen rekening gehouden
met de uitbreiding van de groep personen, ouder dan 50 jaar op het moment
van inwerkingtreding van de Wet TBA. Het Tica raamde de uitgaven (uitkeringen
op grond van de voorgestelde regeling en Toeslagenwet tezamen) op maximaal
870 mln, 330 mln hoger dan de raming van het kabinet. Indien de besparingen
in de IOAW/IOAZ en Abw evenredig toenemen kunnen deze voor de Tica-raming
berekend worden op 675 mln. Per saldo zullen de meeruitgaven als gevolg van
de voorgestelde regeling in dat geval derhalve 195 mln (= 870–675) bedragen,
een stijging ten opzichte van de raming van het kabinet met 75 mln.
De leden van de CDA-fractie vragen op welke termijn de notitie van de
Minister van Binnenlandse Zaken over de aanpassing/wijziging van de remigratieregelingen –
waarin ook aandacht zal worden besteed aan de problematiek van de geremigreerde
met recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) die na herkeuring zijn WAO-uitkering geheel of gedeeltelijk verliest –
tegemoet kan worden gezien. Naar verwachting zal deze notitie in de eerste
helft van dit jaar de Tweede Kamer bereiken.
Tenslotte vragen de leden van de fractie van de CDA hoever het Tica gevorderd
is met de richtlijnen met betrekking tot de handhaving van de voorgestelde
regeling voor de categorie niet-werknemers, en of bij het opstellen van deze
richtlijnen de twijfel over de handhaafbaarheid voor deze categorie afneemt.
Het Tica is thans doende regels op grond van artikel 8, derde lid, van
het wetsvoorstel voor te bereiden. Deze regels zullen betrokken worden bij
het opstellen van bedoelde richtlijnen, waarmee thans nog een aanvang moet
worden gemaakt. Zoals uit paragraaf 4.3. van het Tica-advies blijkt verwacht
het Tica dat die nieuwe richtlijnen een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing
van het handhavingsprobleem. Hierover laat het Tica-advies geen twijfel bestaan.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R. L. O. Linschoten