nr. 121a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1
Vastgesteld 12 januari 1996
Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het formuleren
van de volgende opmerkingen en vragen.
Met de voorgestelde maatregelen om de inkomensgevolgen als gevolg van
de herkeuringen volgens het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium voor een
tweetal nader omschreven categorieën arbeidsongeschikten te beperken
konden de leden van de CDA-fractie instemmen.
Wel wilden deze leden er nadrukkelijk op wijzen dat zij aan een rechtstreekse
oplossing, zoals tijdens de behandeling van de aanpassingen van het Schattingsbesluit
aan de orde is geweest, duidelijk de voorkeur hadden gegeven.
Thans is er opnieuw sprake van een wetsvoorstel, dat de uitvoeringsorganisaties,
meer dan strikt noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken, voor problemen
stelt en ook de nodige uitvoeringskosten met zich meebrengt.
Waarom zijn overigens deze uitvoeringskosten niet afzonderlijk geraamd
binnen de kosten van de regeling? Aannemende dat het bedrag, noodzakelijk
voor de uitvoering, wel bekend is, stelden de leden van de CDA-fractie nadere
informatie hierover op prijs.
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is bij amendement een derde
categorie nl. van 55-plussers, die herkeurd worden, maar nog steeds op basis
van het oude arbeidsongeschiktheidscriterium, onder de werking van het voorliggende
wetsvoorstel gebracht.
Afgedacht van gemaakte afspraken, waaraan de leden van de CDA-fractie
uiteraard geen boodschap hebben, bevreemdt hen de summiere argumentatie om
tot een ernstige ontrading van aanvaarding van het amendement te moeten komen.
Sloeg het principiële bezwaar nu uitsluitend op het niet hebben plaatsgevonden
van de herbeoordeling op basis van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
of vreest de staatssecretaris ook andere gevolgen, waaronder ook die in de
uitvoeringssfeer? Naar verluidt, zijn er bij uitvoering van de werkzaamheden
voor deze categorie de nodige uitvoeringsproblemen te verwachten.
Zoals bekend hadden de leden van de CDA-fractie bij de behandeling van
het wetsvoorstel «Amber» twijfels geuit over de uitwerking van
de reïntegratie-opdracht in combinatie met het overgangsrecht terzake
van de malus-opleggingen. Kort na deze behandeling verscheen een rapportage
van het C.T.S.V. dat terzake van de loonkostensubsidie deze twijfel alleen
maar bevestigde.
Uit zowel de schriftelijke als de mondelinge behandeling van het zogeheten
BINA-wetsvoorstel in de Tweede Kamer blijkt opnieuw dat deze twijfels terecht
zijn geweest. De leden van de CDA-fractie realiseerden zich dat deze materie
in het kader van dit wetsvoorstel slechts beperkt aan de orde kan komen, maar
het Tica-advies noopt hen toch wel tot het maken van een kritische kanttekening.
Het Tica-advies beperkt zich tot de – in het kader van de arbeidsmarktpositie
van de BINA-uitkeringsgerechtigden – begrijpelijke opmerking dat het
noodzakelijk is intensief reïntegratie-instrumenten in te zetten om BINA-gerechtigden
te activeren om aan passend werk te komen. Zonder concreet aan te geven op
welke wijze dit dan zal worden gerealiseerd, deed dit de leden van de CDA-fractie
nog steeds het ergste vrezen. Het bracht hen tot de vraag naar de actuele
stand van zaken rond het nieuwe reïntegratiemodel, de uitwerking van
de reïntegratie-opdracht tot dusverre en alle relevante beschikbare gegevens
om hun vrees zoveel mogelijk weg te nemen. Is de situatie dezelfde gebleven,
zoals de staatssecretaris deze tijdens het debat in de Eerste Kamer moest
toegeven, of is er sprake van verbetering?
De inmiddels ontvangen informatie inzake de stand van zaken ao-criterium
gaf deze leden toch nog weinig houvast terzake.
Zo exact mogelijke informatie is ook van belang nu er toch een wezenlijk
verschil van inzicht bestaat tussen het ministerie en het Tica over de kansen
op werkhervatting. Heeft het Tica overigens naar aanleiding van de nadere
toelichting van de staatssecretaris nog een ander standpunt terzake ingenomen?
Welke extra kosten voor de regeling moeten worden geraamd als de prognose
van het Tica juist blijkt te zijn. Uiteraard konden de leden van de CDA-fractie
niet voorbijgaan aan de problematiek van de geremigreerde WAO-er die na herkeuring
zijn WAO-uitkering geheel of gedeeltelijk verliest.
Deze leden stelden zich met de staatssecretaris op het standpunt - zonder
de uitleg van de staatssecretaris over te nemen - dat deze materie terwille
van de noodzakelijke samenhang het beste aan de orde kan worden gesteld in
de nog te verwachten notitie van de minister van Binnenlandse Zaken over aanpassing/wijziging
van de remigratieregelingen. Deze notitie zal immers ook nog steeds een antwoord
moeten geven op het advies van de S.E.R. over de binnen de bestaande remigratieregelingen
geconstateerde tekortkomingen.
Ongetwijfeld zullen dan vraagstukken als de terugkeeroperatie en de problemen
rond geremigreerde W.A.O.-ers alsook de ziektekostenproblematiek en het opzetten
van werkgelegenheidsprojecten in het land van herkomst aan de orde komen.
Op welke termijn kan nu deze lang verbeide notitie tegemoet worden gezien?
De leden van de CDA-fractie waren er niet gerust op dat uiteindelijk de
handhaafbaarheid voor de categorie niet-werknemers binnen de WW-regime toch
niet onder grote spanning zal blijven staan, ook al kunnen speciaal op deze
situatie toegesneden nieuwe richtlijnen wellicht een bijdrage leveren aan
het handhavingsprobleem.
Deze formulering, waaruit opnieuw de twijfel duidelijk spreekt, komt rechtstreeks
uit het Tica-advies. Hoever is het Tica met deze richtlijnen reeds gevorderd
en neemt bij het opstellen van deze richtlijnen de twijfel af?
De voorzitter van de commissie,
Heijmans
De griffier van de commissie,
Nieuwenhuizen