nr. 116b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 december 1995
De leden van de CDA-fractie geven aan dat zij sympathie hebben voor het
met het wetsvoorstel beoogde doel en voor de bedrijfstak, maar vinden dat
de faciliteit wat willekeurig uitwerkt. Zij wijzen daarbij op de precedentwerking
die kan uitgaan van een belastingfaciliteit voor één bedrijfstak.
Deze leden vragen in dat verband een vergelijking te maken tussen de zeescheepvaartsector
en de sector van het internationale wegtransport waar het de werkgelegenheid
en de fiscale faciliëring betreft.
Naar aanleiding van deze vraag merk ik op dat het niet eenvoudig is een
zuivere vergelijking te maken tussen sectoren die op essentiële punten
van elkaar verschillen. In het nader rapport aan de Koningin heb ik er reeds
eerder op gewezen (kamerstukken II 1995/96, 24 482, B, blz. 2), dat de
zeescheepvaart zich in een bijzondere positie bevindt. De vele vormen van
faciliëring van de zeescheepvaart in andere landen en de zeer grote mobiliteit
van de bedrijfstak rechtvaardigen naar het oordeel van het kabinet een verandering
en intensivering van het reeds vele jaren met betrekking tot deze sector gevoerde,
specifieke beleid. De voorgestelde tegemoetkoming in de sfeer van de winstbelasting
leidt tot een structurele belastingderving van f 25 mln., de faciliteit
via de loonbelasting en premieheffing tot een structurele belastingderving
van f 60 mln. en een premiederving van f 110 mln. In de sector zijn
circa 11 700 personen werkzaam bij rederijen.
Het internationale wegtransport bevindt zich in een geheel andere situatie
dan de zeescheepvaart. Voor zover bekend vindt er in de landen die voor het
Nederlandse wegtransport van belang zijn, geen fiscale faciliëring van
deze sector via de directe belastingen plaats. In dit verband zij er op gewezen
dat er bij de zeescheepvaart sprake is van een mondiale markt. Dit ligt anders
bij het wegtransport waar sprake is van een Europese markt. In deze sector
zijn 106 000 mensen werkzaam. Van de vervoerde tonnage heeft 20% betrekking
op internationaal vervoer. Veel van de belangrijkste concurrenten zijn gevestigd
in EU-lidstaten, waardoor bijvoorbeeld de minimumtarieven op het terrein van
de brandstof-accijnzen en de motorrijtuigenbelasting vanuit het oogpunt van
een gelijkwaardige concurrentiepositie voor een bodem binnen die sector zorgen;
terwijl ook overigens het Europese recht een zekere bescherming biedt tegen
te sterke distorsies. Ook wat het beroep op de fysieke infrastructuur
betreft, onderscheidt het wegvervoer zich van de zeescheepvaart.
Deze leden vragen naar de Europese aspecten van de voorgestelde regelgeving.
In de eerste plaats merk ik op dat met betrekking tot de directe belastingen
het Verdrag geen formele opdracht tot harmonisatie bevat. Lid-staten hebben
op dit terrein derhalve een ruime eigen nationale bevoegdheid. Deze is nog
versterkt door het subsidiariteitsbeginsel dat sedert Maastricht in het Verdrag
is opgenomen. Bezien we in dit verband het onderhavige voorstel dan gaat het
daarbij om een vereenvoudigde regeling voor de vaststelling van de winst.
Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de voorgestelde faciliteiten zijn
gebaseerd op de uitgangspunten van het Europese zeescheepvaartbeleid. Tegen
de achtergrond van het voorgaande meen ik dan ook dat de voorgestelde regeling
verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, overeenkomstig artikel 92,
derde lid, onderdeel c, van het EG-verdrag. De Europese Commissie is van dit
standpunt op de hoogte gebracht.
Deze leden vragen vervolgens of bij een forfaitaire vaststelling van de
winst de belasting niet een simpele accijns is geworden. Zal dit deel van
de belasting als een kostprijsverhogende belasting worden gepresenteerd, zo
vragen deze leden, en wordt niet principieel een spanning gecreëerd als
de winst forfaitair wordt bepaald aan de hand van de tonnage, terwijl de winstbelasting
een residu zou moeten belasten?
Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de voorgestelde mogelijkheid om
te kiezen voor een forfaitaire wijze van winstbepaling een van de onderdelen
is van een samenhangend pakket maatregelen om een einde te maken aan een ontwikkeling
waarbij schepen vanuit Nederland worden uitgevlagd en beheersactiviteiten
naar het buitenland worden verplaatst. Deze forfaitaire winstbepaling is ingebed
in het systeem van de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Voor de belastingplichtige
heeft deze wijze van winstbepaling als voordeel dat hij over een langere periode
zekerheid heeft met betrekking tot zijn fiscale lasten. De vraag of bij een
forfaitaire winstbepaling kan worden gesproken van een accijns, wil ik ontkennend
beantwoorden. Met het forfait wordt immers de winstcapaciteit van een schip
op een globale wijze benaderd. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het feit
dat in de berekening van de grondslag een differentiatie in het tarief is
aangebracht, ervan uitgaande dat de winstcapaciteit per nettoton bij kleinere
schepen doorgaans groter is dan bij grote schepen. Dat de uitkomst van een
forfaitaire winstbepaling zal kunnen afwijken van het door deze leden genoemde
residu, ben ik mij bewust. Gelet op de hiervoor geschetste achtergrond van
de regeling acht ik een dergelijk resultaat evenwel aanvaardbaar.
Met betrekking tot de vraag van de leden van de CDA-fractie waarom is
gekozen voor een termijn van tien jaren waarvoor de keuze voor een forfaitaire
winstvaststelling moet worden gemaakt, merk ik op dat met de keuze voor deze
termijn wordt beoogd tegen te gaan dat reders hun verliezen uit zeescheepvaart
onder het bestaande regime nemen en in de winstgevende periode overgaan op
de forfaitaire wijze van winstbepaling. Een dergelijke handelwijze zou met
name interessant zijn voor ondernemingen met andere activiteiten of voor commanditaire
vennoten die onder het bestaande regime de verliezen uit zeescheepvaart kunnen
verrekenen met inkomsten uit andere bronnen. Daarmee zou men permanent het
beste van de twee methoden van winstbepaling hebben, hetgeen niet de opzet
van het wetsvoorstel is.
Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken
II 1995/96, 24 284, nr. 5, blz. 2) is om deze reden bij de invoering
van een optieregeling in de bosbouw, waar de belastingplichtige voor een vergelijkbare
keuze wordt gesteld, eveneens gekozen voor een termijn van tien jaren.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend