Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal1995-199624458 nr. 122b

24 458
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

nr. 122b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 8 december 1995

Het wetsvoorstel heeft de leden van de PvdA-fractie aanleiding gegeven tot het stellen van nog een aantal vragen.

Deze leden vragen of, waar het budget voor 1996 reeds is vastgesteld, de afdrachtvermindering een ruimte is die kan worden benut binnen de Wet sociale werkvoorziening (WSW).

Het kabinet heeft nog geen beslissing genomen over de eventuele ruimte die de WSW in 1996 zal hebben als gevolg van de afdrachtverminderingen.

Voorts stellen deze leden vragen over de doeltreffendheid van de vermindering onderwijs. Zij vragen of de afdrachtvermindering geen extra belemmering op kan leveren voor de uitbreiding van het leerlingwezen.

Doel van de fiscale faciliteit is het verruimen van het aantal leerarbeidsplaatsen in het leerlingwezen door verlaging van de loonkosten. Verlaging van de loonkosten voor werkgevers draagt direct bij aan het bevorderen van de werkgelegenheid.

In dit kader is het van belang de aandacht te richten op jongeren die tot de arbeidsmarkt gaan toetreden. Om het perspectief op arbeidsparticipatie voor deze groep te vergroten is het wenselijk de praktijkcomponent in hun opleiding te versterken. Het leerlingwezen is voor velen een optimale vorm van opleiding en arbeidsinpassing. Gerichte lastenverlichting voor werkgevers die participeren in het leerlingwezen vergroot de kans dat de hiervoor noodzakelijke leerarbeidsplaatsen in voldoende mate beschikbaar komen, waar de conjunctuur in de afgelopen jaren heeft geleid tot een forse vermindering van het aantal leerarbeidsplaatsen.

De bestaande subsidieregeling Kaderregeling Bedrijfstakgewijze Scholing (KBS) ter hoogte van f 2000 (patroonsvergoeding) tot maximaal f 5000 (gemeenschappelijke opleidingsactiviteiten (GOA)-component) per leerling heeft deze achteruitgang niet kunnen keren. Bovendien was bij de KBS sprake van een jaarlijkse arbeidsintensieve aanvraagprocedure via Opleidings- & Ontwikkelingsfondsen en adviezen van de Regionale Bureaus voor de Arbeidsvoorziening en een directe financiële relatie tussen de individuele werkgever en de subsidieverstrekker (het Centraal Bureau voor de Arbeidsvoorziening).

Door een directe verlaging van de loonkosten voor individuele werkgevers per leerling (bij een gemiddelde opleidingsduur van twee jaar) ter hoogte van f 9000 (vermindering onderwijs) tot maximaal ruim f 11 000 (vermindering onderwijs plus vermindering lage lonen) per leerling wordt direct aangegrepen bij de plek van de leerarbeidsplaatsen tot stand komen; de individuele bedrijven en instellingen. Bovendien is bij een fiscale faciliteit sprake van een administratief eenvoudiger procedure en een rechtstreekse financiële relatie tussen de werkgever en de belastingdienst. Daarmee is naar het oordeel van het kabinet een doeltreffender en doelmatiger stimuleringsmaatregel tot stand gebracht en is naar zijn oordeel bovendien sprake van een aanzienlijke verruiming (f 250 mln. meer) van het beschikbare bedrag voor het leerlingwezen van oorspronkelijk f 150 mln. (KBS) tot structureel circa f 400 mln.

Wat betreft de specifieke GOA-problematiek geldt dat in CBA-verband momenteel aandacht wordt besteed aan een overgangstraject voor GOA's. Werkgevers en werknemers kunnen naar het oordeel van het kabinet zelf een acceptabele overgangsregeling creëren en binnen de kaders van de nieuwe wet oplossingen genereren voor de gesignaleerde problematiek.

Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie aandacht voor de vermindering kinderopvang. Met hen zijn wij van mening dat kinderopvang ook relevant is bij het toeleidingsproject tot de arbeidsmarkt. Het ontmoet daarom geen bezwaar dat in dit verband kinderen van aankomende werknemers ook als kinderen van werknemers worden beschouwd, mits redelijkerwijs vaststaat dat inderdaad een dienstbetrekking zal worden aangegaan. De eerste ondergetekende is voornemens zulks ook vast te leggen op grond van de delegatiebepaling van artikel 32 van dit wetsvoorstel.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. M. Melkert

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen