Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1995-199624439 nr. 134d

24 439
Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte van de werknemer (Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte)

nr. 134d
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 25 januari 1996

De memorie van antwoord gaf de commissie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De memorie van antwoord gaf de leden van de PvdA-fractie aanleiding tot het stellen van enkele nadere vragen en het maken van enkele aanvullende opmerkingen.

In de memorie van antwoord (blz. 6) wordt gestipuleerd dat het wetsvoorstel WULBZ moet worden gezien «als onderdeel van een voortschrijdend proces van herbezinning op de sociale verzekeringen». Het wetsvoorstel vertoont een samenhang met voorstel «Pemba», dat op dit moment bij de Raad van State ligt voor advisering. Gezien de samenhang tussen WULBZ en Pemba en uit het oogpunt van een ordentelijk wetgevingsproces zouden de leden van de PvdA-fractie het op prijs stellen een nader inzicht te krijgen in het wetsvoorstel Pemba, eventueel op hoofdlijnen. Met name zijn de leden van de PvdA-fractie geïnteresseerd in de verantwoordelijkheid voor reïntegratie-inspanningen bij een combinatie van verschillende uitkeringen (bijv. WAO/WW of WAO/IOAW) en bij een combinatie van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke regelingen. Mag overigens uit de voorgestelde gescheiden behandeling van WULBZ en Pemba afgeleid worden dat de samenhang tussen beide wetsvoorstellen toch niet dwingend is, m.a.w. is het goed denkbaar dat het parlement akkoord gaat met WULBZ en niet met Pemba?

Op blz. 5 van de memorie van antwoord stelt de staatssecretaris dat de effecten van TZ «met name aangrepen op het kortdurend verzuim».

De leden van de PvdA-fractie constateerden dat TZ een zeer aanzienlijk effect heeft op het langdurig verzuim.

Zij citeerden als volgt uit Ctsv-rapport «Kwantitatieve effecten van financiële prikkels in de ziektewet». «De tijdreeks toont in 1994 een duidelijke trendbreuk in de ontwikkeling van het langdurig ziekteverzuim». Het rapport concludeert dat dit «vooral een gevolg is van de invoering van de wet Terugdringing Ziekteverzuim (TZ) op 1 januari 1994» (blz. 5).

Deze leden twijfelden daarom sterk aan de door het kabinet gemaakte tweedeling: TZ grijpt aan op kortdurend verzuim, WULBZ zal leiden tot een substantiële daling van het langdurig verzuim.

De leden van de PvdA-fractie erkenden de betekenis van Amber voor ex- en gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Amber is naar hun mening echter slechts marginaal relevant voor nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt met een chronische ziekte en zonder WAO-label. Overweegt het kabinet ook voor deze categorie een flankerend beleid, bijv. in de vorm van premiereductie werknemersverzekeringen of een overname van het loondoorbetalingsrisico à la artikel 29b ZW? Deze leden erkenden dat de afbakening van deze categorie problematisch is. Zo'n afbakening zou naar hun indruk moeten geschieden door onafhankelijke specialisten.

Deze leden zagen enige parallel in het aantal geïndiceerde fysiotherapiebehandelingen in de Ziekenfondswet.

De leden van de PvdA-fractie vroegen om een commentaar van de staatssecretaris op de mantelovereenkomst van het Zilveren Kruis met de Metaalunie. In deze mantelovereenkomst wordt een goedkope standaardpolis aangeboden aan werkgevers, die in de afgelopen drie jaar geen werknemers in dienst hadden die langer dan 3 maanden in de ZW hebben gezeten of in de WAO beland zijn. Is dat laatste wel het geval, dan geldt de duurdere maatwerkpolis. Deze leden meenden dat van een dergelijke formulering een druk uitgaat naar risicoselectie en dat hiermee het acceptatiebeleid van het Verbond van Verzekeraars ondermijnd wordt. Hoe oordeelt de staatssecretaris over deze mantelovereenkomst van het Zilveren Kruis?

In het aanvraagformulier van het Zilveren Kruis (mantelovereenkomst met Metaalunie) worden op naam gestelde vragen gesteld: o.a. achternaam, geboortedatum, sexe en «als hij/zij momenteel een ZW- of WAO-uitkering ontvangt: »in de Ziektewet sinds...., in de WAO sinds ..., % arbeidsongeschiktheid en «reden».

Hoe verhoudt dit aanvraagformulier zich tot de volgende passage in de memorie van antwoord: «Hierbij gaat het echter niet om gegevens op individueel niveau van de werknemer maar om geaggregeerde gegevens over de omvang van het ziekteverzuim bij de aangesloten werkgevers».

Hoe verhouden dergelijke op persoonsnaam gestelde gegevens zich tot privacybescherming? Acht het kabinet een dergelijke mantelovereenkomst liggen binnen de marges van het gentlemen's agreement met het Verbond van Verzekeraars?

De leden van de PvdA-fractie meenden, zoals reeds eerder aangegeven, dat het functioneren van de verzekeringsbedrijven, waaronder ook nieuwe bedrijven voortgekomen uit bedrijfsverenigingen, een punt van betere aandacht behoorde te zijn wanneer het kabinet werkelijk hecht aan «privatisering». Zij hadden de indruk dat hieraan nog wel iets schortte. Het toezicht van Verzekeringskamer en Ctsv zal, zeker waar het gaat om deze nieuwe bedrijven en hun relaties naar de collectieve sector nieuw beleid vergen.

Gaarne hadden deze leden inzicht in de nieuwe toezichtverhoudingen, bijv. een eventueel protocol tussen deze twee instanties waar het gaat om het toezicht in deze nieuwe situatie met betrekking tot de ziektewetuitvoering. Het kan toch niet zo zijn dat enerzijds de uitvoering met grote spoed moet worden gewijzigd en anderzijds geen adequate afspraken met betrekking tot het toezicht zijn gemaakt?

Is het zo, vroegen zij als vervolg op hun eerdere vragen, dat de Kamer van Koophandel dan de beschikking heeft over aansluitnummers van de bedrijfsvereniging van de bedrijven en deze zonder instemming van betrokkenen kunnen afstaan aan private verzekeraars?

Het antwoord met betrekking tot de premie-inhouding bij werknemers zoals kennelijk wordt voorgenomen door SAZAS bevredigde deze leden niet volledig. Artikel 1637s BW vereist immers een algemeen verbindend verklaarde CAO-bepaling. Met het inwerking treden van de WULBZ, zo bleek deze leden, zal deze CAO-bepaling vervallen. Zij achtten de handelswijze van deze private verzekeraar, waarbij werkgevers wordt voorgehouden een deel van de premie op de werknemers te mogen verhalen dan ook incorrect.

Welke activiteiten onderneemt welke toezichthouder om nieuwe en oude verzekeraars bij hun wervingscampagnes aan te spreken op strijdig handelen met de wet?

Is het overigens niet ook strijdig met de regelgeving met betrekking tot de aansluiting bij arbodiensten en de bevoegdheden van de OR terzake wanneer bij enige particuliere verzekeraars een gedwongen winkelnering wordt voorgeschreven ten aanzien van de aansluiting bij één arbodienst?

De onduidelijkheid met betrekking tot het toezicht versterkte de opvatting van deze leden dat er thans onvoldoende zekerheid bestaat omtrent de juiste en correcte uitvoering van de WULBZ.

Op blz. 23 wordt gesteld dat «de onderzoekers in het Ctsv-rapport stellen dat omtrent de dosis-effect relatie bij financiële prikkels onvoldoende bekend is». Ook zou niet aan te geven zijn in hoeverre de gesignaleerde toename van risicoselectie toe te schrijven is aan de maatregel van 2/6 weken eigen risico en zou niet te voorspellen zijn in hoeverre een uitbreiding van de loondoorbetalingsverplichting naar 52 weken tot een verdere stijging zal leiden.

In het rapport staat echter in de «Samenvatting en conclusies»:

«Van werkgeverszijde is vaak een verband gelegd tussen de recente invoering van de financiële prikkels binnen Ziektewet en WAO enerzijds en de toename c.q. verscherping van risicoselectie op de Nederlandse arbeidsmarkt anderzijds...Daarbij past de aantekening dat velen van de geïnterviewden lieten blijken deze risicoselectie slechts noodgedwongen toe te passen...Ook andere gegevens wijzen op een duidelijk causaal verband tussen de introductie van de financiële prikkels en de toename van risicoselectie. Zo is de uitbreiding van alle onderscheiden vormen van risicoselectie sterker bij bedrijven die qua personeelsomvang juist boven de zes-weken grens binnen de Ziektewet vallen, dan bij ondernemingen waar het eigen risico dankzij een personeelsaantal lager dan 15 à 20 tot twee weken is beperkt. De invoering dan wel intensivering van risicoselectie ligt verder pregnant hoger onder bedrijven die in 1993, voorafgaand aan de invoering van het eigen risico van loondoorbetaling aan zieke werknemers, een hoog verzuim kenden dan bij (in andere opzichten vergelijkbare) bedrijven die wat betreft verzuimpercentage onder het gemiddelde lagen...

Het regeringsvoornemen om op korte termijn te komen tot een grotere marktwerking binnen de Ziektewet en WAO, vergroot juist weer de financiële betrokkenheid van werkgevers bij het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid binnen het bedrijf.

Werkgevers wijzen er in dat kader op dat een verdere toename van het eigen risico hen zal dwingen een (nog) strengere risicoselectie toe te passen. Gegeven de eerdere ervaring met de malusregeling en met de twee/zes weken maatregel in de ZW, is er weinig reden om aan te nemen dat deze voornemens niet tot uitvoer zullen worden gebracht. Overigens is het denkbaar dat de zes-weken periode van het eigen risico reeds een zodanig sterke prikkel vormt, dat een verdere uitbreiding daarvan tot 26 of 52 weken daaraan weinig meer toevoegt. (Omtrent de «dosis-effect-relatie bij financiële prikkels is onvoldoende bekend). Inmiddels is overigens wel gebleken dat een eigen risico van zes weken meer reacties oproept dan een eigen risico van twee weken). Voorts wordt ingegaan op de mogelijkheid van herverzekeren etc.» (blzz. 12–14 in «Risicoselectie op de Nederlandse arbeidsmarkt» van het College van toezicht sociale verzekeringen, juni 1995).

Is de staatssecretaris met de leden van de PvdA-fractie van mening dat in het bedoelde Ctsv-rapport, wel degelijk, zij het met de gebruikelijke slagen om de arm die wetenschappers eigen is, wordt geconcludeerd dat een langere periode van eigen risico oftewel een hoger eigen risico heeft geleid tot een toename van de risicoselectie, en dat bij een verdere privatisering van de ZW volgens de onderzoekers weinig twijfel hoeft te bestaan over de te verwachten effecten?

In het genoemde rapport worden de volgende cijfers gepresenteerd, betrekking hebbende op veranderingen in de laatste paar jaar:

Intensivering van de risicoselectie ten gevolge van financiële prikkels:

– selectie vóór aanstellingskeuring strenger door 25% van de bedrijven

– omgerekend naar betrokken werknemers het percentage aanstellingskeuringen gestegen van 43% naar 57%

– tijdelijke contracten vanwege verzuimrisico van 11 naar 20%

– uitzendkrachten van 4 naar 9%

– ontslag vanwege verzuim gestegen van 10 naar 15% van de bedrijven.

Is de staatssecretaris met deze leden van mening dat hier sprake is van een zeer verontrustende ontwikkeling die ertoe moet leiden dat verdergaande privatisering alleen onder gecontroleerde condities sociaal en maatschappelijk verantwoord door te voeren is?

De staatssecretaris verwoordt op blz. 24 de opvatting van het kabinet dat via het protocol nu geregeld is dat er geen aanstellingskeuringen meer te pas en te onpas, los van de vraag of dit zinnig is, mogen plaatsvinden.

Het protocol van de KNMG is evenwel niet te beschouwen als een vorm van «zelfregulering» omdat betrokken partijen niet gebonden zijn aan de uitvoering ervan. Dit is de reden waarom alle bij het protocol betrokken partijen op één na (de werkgevers) hebben aangedrongen op een wettelijke regeling die wél afdwingbaar is. In feite is er op dit moment dus niet iets «geregeld».

Voorts is niet helder hoe de staatssecretaris denkt met het toegezegde evaluatie-onderzoek te evalueren hoe de risicoselectie wordt gebruikt (blz. 25). Een dergelijke evaluatie veronderstelt op zijn minst ook onderzoek bij bijvoorbeeld groepen chronisch zieken, sollicitanten, diepte-interviews bij PZ-functionarissen om sociaal-wenselijke antwoorden te vermijden etc. Met name de fase van de selectie vóór de eventuele aanstellingskeuring verdient hierbij maximale aandacht.

Kan de staatssecretaris meedelen wat de inhoud is van de «Sollicitatiecode» en wanneer deze uiterlijk van kracht zal zijn?

Hoe zeker is de opvatting van de staatssecretaris dat het kabinet anti-discriminatiewetgeving zal gaan invoeren (blz. 26), gelet op de zeer relativerende opmerkingen in de tekst op blz. 25? Wat is de opvatting van de staatssecretaris over een «gerechtvaardigd onderscheid» op handicap en leeftijd? (blz. 26).

Wordt hiermee niet vrij baan gegeven aan discriminatie op basis van een berekend of geschat hoger risico op bijvoorbeeld verzuim en is dit niet wat verzekeringsmaatschappijen zullen doen?

Hoe denkt de staatssecretaris dat de behoefte om op gezondheid te selecteren bij een werkgever af zal nemen door reïntegratiebevorderende maatregelen via de wet AMBER, gegeven het feit dat deze wet alleen betrekking heeft op ex- en gedeeltelijk arbeidsongeschikten? (blz. 26)

De staatssecretaris stelt dat het wetsvoorstel niets wijzigt aan de positie van de artsen met hun onderscheiden verantwoordelijkheden (blz. 28). Is de staatssecretaris met deze leden van mening dat de onmiddellijke stopzetting van loondoorbetaling bij verschil van mening tussen de arts van de arbodienst en de werknemer er «de facto» toe leidt dat deze arts wel degelijk ervaren zal worden als een «controleur» gezien de zeer grote belangen die op het spel staan en de afhankelijkheid van de werknemers van de arts, alsook de onvrijwilligheid van de relatie? Is de staatssecretaris met deze leden van mening dat de situatie in de praktijk aanzienlijk zou kunnen verbeteren wanneer de loondoorbetaling pas stopt wanneer bij een (snel te realiseren) «second opinion» zou blijken dat er een verschil van opvatting is, ditmaal tussen de werknemer en de claimbeoordelende verzekeringsarts (geheel conform de kabinetsopvatting over de taakverdeling tussen bedrijfsarts of arts in de arbodienst enerzijds en de verzekeringsarts anderzijds). Alleen op deze wijze draagt de voorziening van de second opinion «bij aan een zekere afstand van de begeleidende arts van controletaken» zoals de staatssecretaris stelt als gewenst op blz. 29. Een dergelijke vormgeving biedt immers de minimaal benodigde voorwaarden voor het ontstaan van een noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen de arts van de arbodienst en de werknemers, waar het kabinet ook bijzonder prijs op stelt en op een meer open communicatie tussen deze arts en de curatieve sector. Immers deze «open communicatie» maakte deel uit van het pakket van doelstellingen van het vorige kabinet. Deze «open communicatie» is thans verder weg dan ooit.

Dit zal naar verwachting leiden tot een toenemende bureaucratie en kan leiden tot vertraging bij de reïntegratie.

Is de staatssecretaris het eens met de opvatting van de vragenstellers dat de onderscheiden verantwoordelijkheden van de artsen wettelijk moeten worden vastgelegd opdat daarover voortaan geen misverstanden kunnen ontstaan met negatieve gevolgen voor de relaties van de arts van de arbodienst met de werknemers en met de behandelend artsen?

In dezelfde passage op blz. 28 wordt de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts/arts van de arbodienst genoemd. Is de staatssecretaris het eens met de opvatting van de leden van de PvdA-fractie dat de onafhankelijkheid van de arbodeskundigen in een arbodienst een wettelijke basis verdient (waar bovenop bijvoorbeeld een Professioneel Statuut kan worden overeengekomen tussen de betrokken partijen, waartoe inmiddels de eerste stappen worden gezet door de Branche Organisatie Arbodiensten en de NVAB)?

Op blz. 49 stelt de regering het volgende: «Het kabinet is overigens van mening dat in overleg tussen de betrokken organisaties in de medische sector afgesproken zou moeten worden wat de omvang en aard van de curatieve handelingen kunnen zijn die de bedrijfsarts zou kunnen uitvoeren en hoe daartoe de samenwerking tussen bedrijfsartsen en curatieve artsen geregeld kan worden».

De leden van de PvdA-fractie waren er niet in geïnteresseerd wat volgens het kabinet «afgesproken zou moeten worden», maar welke initiatieven het kabinet op dit punt genomen heeft en wanneer daarvan de resultaten bekend zullen zijn.

Naar aanleiding van de op blz. 31 opgenomen precisering in de wettekst stelden deze leden dat hier de kwestie van de werknemer speelt die overal toestemming voor moet geven maar die in een moeilijke positie zit: hij heeft een materieel probleem, nl. krijgt anders geen geld, dus hij kan moeilijk anders dan toestemming geven. Er is dus sprake van een ongelijkwaardigheid tussen twee partijen. Volgens Gevers is er een verschil met de huidige situatie in TZ/Arbo dat een werknemer nu nog wel via de BV wordt betaald bij een positieve second opinion! In de toekomst moet de werknemer zijn geld nog maar zien te halen. Er bestaat een grote afhankelijkheid van de werkgever wanneer die besluit dat hij het medisch dossier wil zien. Ook bij een positieve second opinion, die dus bevestigt dat de werknemer niet arbeidsgeschikt is, kan de werkgever nog weigeren, vervolgens komt de zaak voor de kantonrechter en kan de werkgever inzage in het dossier verlangen. De kantonrechter zal dan mogelijk gaan schipperen, bijvoorbeeld dossiers laten inzien via een derde. Naar de mening van de leden van de PvdA-fractie komt hier het eerdere dilemma bij de malusoplegging (uitspraak CRvB) in volle omvang terug.

Blz. 32 beroepsgeheim van de arts. Gevers merkt op dat bij het verlenen van toestemming aan de arts door de werknemer sprake is van een drangpositie.

Uit de tekst op blz. 32 wordt nog steeds niet duidelijk of de WGBO van toepassing is bij de begeleiding van ziekteverzuim door de arts van de arbodienst; is hier volgens de staatssecretaris sprake van beperkingen voortvloeiende uit «de aard van de rechtsbetrekking»? Hierbij dienen betrokken te worden de kenmerken van de relatie die gekenschetst wordt als «begeleiden» en uitdrukkelijk niet als «claim beoordelen».

Kan de staatssecretaris aangeven welke eisen van onafhankelijkheid krachtens de Arbowet aan de externe arbodienst worden gesteld, buiten de eis van een eigen rechtspersoonlijkheid? Is de staatssecretaris van mening dat een juridische zelfstandigheid voldoende is voor een feitelijk onafhankelijk opereren, wanneer «branche-vreemde» organisaties zoals verzekeringsmaatschappijen heel wel in staat zijn, en dat inmiddels ook op grote schaal in de praktijk brengen, om arbodiensten en zelfs hele landelijke netwerken van arbodiensten via financiële deelname aan zich te binden?

In hoeverre verwacht de staatssecretaris dat een werknemer die een nieuw werkverband aangaat bij een bedrijf in de gelegenheid verkeert om medewerking te weigeren wanneer gevraagd wordt om toestemming om individuele medische gegevens te verstrekken, in geval van ziekteverzuim bijvoorbeeld, aan een verzekeringsmaatschappij?

Wat wordt op bladzijde 35 bedoeld met «in de regel zal de verzekeraar met deze (anonieme) informatie volstaan voor zijn claimbeoordeling»? In welke gevallen zal de verzekeraar geen genoegen nemen met anonieme informatie?

Kan de staatssecretaris toelichten wat hij op bladzijde 37 bedoelt wanneer hij stelt dat de onafhankelijkheid van de arbodeskundige onderdeel uitmaakt «van de eisen die gesteld worden aan professionaliteit van betrokken deskundigen»? Is het niet zo dat een deskundige tegelijkertijd professioneel kan zijn en zijn diensten ter beschikking stellen van één partij zoals bijvoorbeeld van de werkgever of wellicht van de O.R.? Is het niet zo dat dit nu juist een reden vormt om gezien het krachtenveld waarin de arbodeskundigen opereren, extra waarborgen te scheppen voor die onafhankelijkheid, zoals nu ook blijkbaar wordt beoogd door de Branche Organisatie van Arbodiensten en de NVAB? Is de staatssecretaris niet van mening dat de onafhankelijkheid pas dan afdwingbaar is wanneer daar ook een wettelijke basis voor gecreëerd wordt?

Kan de staatssecretaris aangeven waar is vastgelegd dat de inschrijving in bijvoorbeeld het Sociaal Geneeskundigen Register enige relatie heeft met waarborgen voor professionele onafhankelijkheid? Kan de staatssecretaris aangeven wat de resultaten van de toetsen bij certificering waren, niet zozeer met betrekking tot de kwaliteit van de verrichte dienstverlening, maar speciaal gelet op het onafhankelijk opereren van bijvoorbeeld werkgevers- en/of werknemersbelangen? Wordt het resultaat van dit «adequaat toezicht» ook jaarlijks openbaar gemaakt zodat er ook een openbare meningsvorming in deze plaats kan vinden?

Artikelen

Artikel 1638c lid 3c

In de memorie van antwoord formuleert de staatssecretaris passende arbeid «als arbeid die in redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, gelet op arbeidsverleden, opleiding en gezondheidstoestand».

In het Zilveren Kruis Ziektewetplan ZW950 wordt passende arbeid veel ruimer geformuleerd: Is die arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer geschikt is, naar het oordeel van de deskundige dienst» (artikel 1 lid h).

Hoe oordeelt de staatssecretaris over deze formulering? Verdient het geen aanbeveling het begrip passende arbeid in de wettekst zelf te definiëren?

Artikel 1638c lid 4b

*aanhef: «het loon wordt verminderd met...» De wettekst vermeldt niet of dit het «normale» loon of het WULBZ-loon betreft.

* «de anticumulatiebepaling betreft (andere) inkomsten uit andere dan de bedongen arbeid». Ook andere passende arbeid bij de eigen werkgever zal vaak andere dan de «bedongen arbeid» zijn en valt, getoetst aan de wettekst, dan ook onder lid 4b. Blijkens de toelichtende stukken is dit niet de bedoeling! De leden van de PvdA-fractie verzochten wettekst en toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.

Iets verderop stelt de memorie van antwoord dat «hoewel niet met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht» (sic!) «het loon dat de werknemer ontvangt voor andere passende arbeid bij de werkgever (is hier bedoeld de eigen werkgever?) verricht overigens ook geldt dat dit naar rato in mindering moeten worden gebracht op het WULBZ-loon».

Hoe nu, geldt de anticumulatiebepaling van artikel 4b nu wel of niet voor andere passende arbeid bij eigen werkgever?

Leidt het door de leden van de PvdA-fractie gegeven rekenvoorbeeld in het voorlopig verslag (blz. 31) tot dezelfde of een andere uitkomst bij passende arbeid bij een andere en dezelfde werkgever?

Kan ook in de wettekst zelf geformuleerd worden dat het WULBZ-loon naar rato doorwerkt in de anticumulatiebepaling?

Artikel 1638c lid 7

De memorie van antwoord valt terug op bestaande B.W.-tekst in een geheel andere constellatie. Was artikel 1638c lid 5 (oud) van marginale betekenis, thans wordt dit artikel van essentiële betekenis. Waarom wordt dan geen referteperiode (b.v. 13 of 26 weken) opgenomen, zoals in de ZW? Betekent dit artikel dat een min-maxcontractant (8–28 uur) slechts 8 uur loondoorbetaling gegarandeerd krijgt, ook al heeft betrokkene de voorafgaande 13 weken gemiddeld 20 uur gewerkt?

Artikel XXII

In dit artikel wordt artikel 46a lid 2 van de WOR gewijzigd. Waarom wordt het derde lid van dit artikel niet eveneens gewijzigd?

De leden van de fractie van GroenLinks merkten op dat enkele van hun vragen in het voorlopig verslag niet van een antwoord waren voorzien. Zij hadden daarom behoefte de regering nog de volgende vragen voor te leggen.

Het regeerakkoord spreekt van privatisering bij de ZW, zonder 52 weken te noemen of zich uit te spreken tegen een gefaseerde benadering. Waarom is er niet gekozen voor een gefaseerde benadering?

Is de regering van oordeel dat aanstellingskeuringen beperkt dienen te blijven tot een onderzoek naar de geschiktheid van een bepaalde functie? Hoe denkt zij te kunnen voorkomen dat tijdens een sollicitatiegesprek of aanstellingskeuring vragen worden gesteld die niet relevant zijn voor het uitoefenen van die functie, maar de aanstelling wel negatief kunnen beïnvloeden?

Door de verzekeraars zullen gezondheidsverklaringen gevraagd worden bij verzekering tot 100% van het laatstgenoten inkomen bij bedrijven met minder dan 15 werknemers. Dit zal negatieve effecten hebben voor chronisch zieken en gehandicapten en staat haaks op het beleid meer WAO-ers aan een baan te helpen. Hoe denkt de regering met deze negatieve effecten om te gaan?

De argumentatie waarom niet gekozen voor een stapsgewijze aanpak wordt, zo oordeelden deze leden, zonder voldoende argumenten afgewezen. Op blz. 6 van de memorie van antwoord wordt ten aanzien van TZ gesproken van een succes, terwijl het hier toch om een gedeeltelijke privatisering gaat.

Kan de regering aangeven waarom invoering van de WULBZ nu nodig is? Is het optimum niet bereikt? Het Ctsv-rapport «Kwantitatieve effecten van financiële prikkels in de ziektewet» constateert dat door invoering van TZ het verzuimpercentage voor langdurig ziekteverzuim gedaald is. Volgens de regering is WULBZ nodig om langdurig ziekteverzuim terug te dringen (blz. 3 van de memorie van antwoord). Hoe verhouden deze zaken zich tot elkaar? En nogmaals waarom niet eerst de effecten van met name de TZ afgewacht en op basis van een deugdelijke evaluatie eventueel te komen met veranderingen? De WULBZ betekent het nagenoeg geheel afschaffen van de publiekrechtelijke ziektewetregeling. Er is geen weg terug. (zie ook TICA-advies blz. 20). De commissie-Buurmeijer was dan wel voorstander van verdergaande privatisering, maar de regering wil toch niet beweren dat de commissie hierbij de WULBZ voor ogen had? Ook Buurmeijer spreekt over een gefaseerde invoering. Hoe ziet de regering een eventueel ingrijpen bij onvoorziene ontwikkelingen wanneer de ziektewet nagenoeg geheel is afgeschaft?

Op blz. 3 stelt de regering dat een geleidelijk opvoeren van de eigen risico-periode een te geringe prikkel zou geven en dat het wachten op effecten daarvan tot jarenlange vertraging zou leiden. Is een ophoging van 2 naar 52 weken niet een buitengewoon grote stap en zou voor de kleine bedrijven een ophoging van 2 naar 6 weken (3 keer zoveel) niet ervaren worden als een forse prikkel?

Onduidelijk vonden deze leden waarom de vangnetvoorziening een verbetering van de arbeidsmarktpositie van zwangere vrouwen is. Hoe zit dat? Voor zwangere vrouwen verandert er toch niets? Of wil de staatssecretaris hiermee aangeven dat dit wetsvoorstel voor al diegenen die niet van een vangnetvoorziening gebruik maken een verslechtering van arbeidsmarktpositie betekent?

Het SER-advies wordt zonder argumenten van tafel geveegd. Kan de regering helder en duidelijk aangeven waarom de prikkel van het SER-advies te gering is om het gewenste effect te bereiken?

De percentages van het aantal flexibele arbeidscontracten (blz.19) zijn uitgedrukt in mensjaren, niet in personen. Kan de regering exact aangeven hoe groot het aantal personen is?

Het aangehaalde onderzoek is, volgens de memorie van antwoord, niet zeer selectief geweest. Het is in ieder geval representatief geweest voor 4 sectoren. Waarop baseert de staatssecretaris zijn vooronderstelling dat de uitkomst niet opgaat voor andere sectoren?

Is het, voor alle duidelijkheid, niet nodig om van iedere werknemer, voordat deze ziek wordt, vast te leggen of en op welke grond deze (niet) tot het vangnet-bestand wordt gerekend en hoe de bedrijfsvereniging daarover denkt?

En is het dan vervolgens niet nodig om ondernemingen gedifferentieerd te belasten met het aantal «vangnetwerkenden»?

Te denken valt dan aan de werkgevers die invloed op dit aantal kunnen uitoefenen en niet de werknemers via de wachtgeldpremie (blz. 22).

Op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks hoe de regering denkt over het instellen van een waarborgfonds voor onverzekerbare bedrijven antwoordt de staatssecretaris : «Bedrijven die dermate slecht omgaan met de gezondheid van hun werknemers verdienen niet te bestaan en zeker niet een extra bescherming van overheidszijde». Bij onverzekerbare bedrijven hoeft de onverzekerbaarheid niet te liggen bij slechte bedrijfsvoering, maar kan zij een indirect gevolg zijn van een goed sociaal beleid, gericht op het in dienst nemen van chronisch zieken, gehandicapten en ouderen. Is het dan toch niet te overwegen voor dit soort onverzekerbare bedrijven een waarborgfonds in te stellen?

Naar aanleiding van het gestelde op blz. 22 in de memorie van antwoord merkten deze leden op dat de verandering in de premieverdeling tussen werkgever en werknemer als gevolg van overheveling van de ziektegelden naar de wachtgeldfondsen toch geen onontkoombare consequenties zijn van het gedeeltelijk in stand houden van de ZW, maar bewuste keuzes?

Behalve medische aanstellingskeuringen is vooral de «pseudo-keuring» in het sollicitatiegesprek of via het sollicitatieformulier een gevaar. In de memorie van antwoord wordt het gevaar van toenemende risicoselectie onderkend en het moet «zoveel mogelijk vermeden worden». Hoe denkt de regering deze bedreiging af te wenden?

Wijzende op het gestelde op blz. 26 van de memorie van antwoord vroegen deze leden wat een rechtvaardigingsgrond is om een onderscheid te maken op handicap en leeftijd. Zijn er al initiatieven ondernomen vanuit het kabinet om te komen tot anti-discriminatiewetgeving? Wanneer wordt indiening van deze wet verwacht?

De onafhankelijkheid van de arbodeskundige in een arbodienst is essentieel, zo vervolgden deze leden. Is de staatssecretaris ook niet van mening dat om deze onafhankelijkheid te garanderen er een wettelijke basis voor moet komen?

Onduidelijk blijft of de OR instemmingsrecht heeft ten aanzien van het aangaan van contract met verzekeraar (keuze verzekeringsmaatschappij en contractinhoud). Graag ontvingen deze leden meer duidelijkheid. Gaat hier in het kader van herziening WOR iets mee gebeuren?

De memorie van antwoord (blz.49) stelt dat «de toegang tot de gezondheidszorg is gebaseerd op gelijke behandeling». Artsen die (aan discriminatie bij toegang tot zorg) hun medewerking verlenen, kunnen daarop in rechte worden aangesproken». Dit uitgangspunt van het kabinet verdient brede ondersteuning. Is het dan zo dat veel instellingen en artsen zich op korte termijn voor de rechter moeten verantwoorden, gezien het brede aanbod aan medische voorrangsbehandelingen dat verzekeraars zeggen nu reeds te realiseren en dat zij in het vooruitzicht stellen?

Hoe staat het met de WULBZ-positie van uitzendkrachten? Is een uitzendrelatie een dienstverband of niet? De memorie van antwoord verwijst naar de discussie rond de nota «flexibiliteit en zekerheid» die echter nog vrijwel moet beginnen. De onduidelijkheid is toch troef wanneer er bij uitzendarbeid sprake is van (gecontinueerde) arbeidsrelatie met verplichtingen ex 7A:1638C BW?

De oproepkracht wordt doorgestuurd naar de rechter om zijn werkrelatie te laten toetsen op aanwezigheid van een dienstbetrekking. Denkt de regering werkelijk dat een oproepkracht die in de toekomst nog eens opgeroepen wil worden de gang naar de rechter zal maken of bij het aangaan van de werkrelatie zal gaan vragen wat zijn «WULBZ-positie» is? Kortom, kan de regering meer helderheid verschaffen over de rechtspositie van oproepkrachten?

Het lid van de SP-fractie had kennis genomen van de memorie van antwoord. Hij was van mening dat niet alle door hem gestelde vragen volledig zijn beantwoord. Vandaar nog de navolgende punten.

Dit lid had in eerste instantie gezegd dat in de 2/6 weken-periode 90% van het ziekteverzuim plaatsvindt en dat in de daarna volgende periode vooral de potentiële AAW/WAO-gegadigden voorkomen. Hij had daarom gevraagd hoe het kabinet dacht de in de memorie van toelichting genoemde 10% op het ziekteverzuim te kunnen bezuinigen. Uit de beantwoording op blz. 5 leidde het lid van de SP-fractie af dat die 10% in wezen een aanname is van het kabinet gekoppeld aan de bezuinigingstaakstelling. Voor hem rees opnieuw de vraag waarop die 10% nu precies is gebaseerd en hoe het kabinet dat percentage dacht te realiseren.

Het lid van de SP-fractie wilde nog stilstaan bij het punt van de risicoselectie. Als een van de gevreesde negatieve gevolgen van de WULBZ wordt door iedereen (buiten het kabinet) de toename van de risicoselectie genoemd. Zelfs de werkgevers schrijven en spreken in een onderhoud met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over dit punt.

Het lid van de SP-fractie signaleerde reeds dat er een verschuiving zou gaan optreden van de selectie door middel van aanstellingskeuringen naar selectie in de sollicitatiefase. Hij was van mening dat het inmiddels overgelegde Protocol Aanstellingskeuringen niet voldoende bescherming biedt in de sollicitatie-fase nu blijkens artikel 2.3.3 dat protocol pas aan de orde komt «nadat alle beoordelingen van de geschiktheid van de aspirant-werknemer hebben plaats gevonden en de werkgever op grond daarvan voornemens is de keurling aan te stellen».

Volgens prof. dr. J. Willems is er een stijging van het aantal sollicitanten dat na sollicitatie wordt afgewezen. Van 0,5% naar 3%. Hij legt een duidelijk verband met de onderhavige wet1. Ziet de staatssecretaris deze verschuiving ook en wat wil hij daartegen doen?

Het lid van de SP-fractie had er ook nog op gewezen dat van verschillende kanten wordt benadrukt dat de ingreep in de Ziektewet onomkeerbaar is. Hij had niet kunnen ontdekken wat de staatssecretaris daarvan vindt en of er dan nog wel iets terug te draaien valt als bij evaluatie zou blijken dat de wet leidt tot ongewenste effecten. Kan hij daar toch nog op ingaan?

Het lid van de SP-fractie had de staatssecretaris ook nog gevraagd of hij inmiddels de in de Tweede Kamer toegezegde brief over de mogelijke knelpunten bij de civiele procedure had verzonden. De staatssecretaris was daarop niet ingegaan in de memorie van antwoord. Het lid van de SP-fractie zou toch graag die brief op korte termijn zien, of een aanduiding van die knelpunten.

Het lid van de SP-fractie wilde, tenslotte, aan de staatssecretaris een reactie vragen op het artikel van prof. dr. F. van Dijk waarin deze zegt dat de Arbo-wet zelf niets bepaalt over de onafhankelijkheid van de arts in dienst van een arbo-dienst, en dat de Arbowet (artikel 19) dus op dit punt een leemte bevat.

Voorts plaatste de vertegenwoordiger van de Vereniging van Arbo-artsen in het gesprek met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 9 januari jl. vraagtekens bij de onafhankelijkheid van de Arbo-arts, omdat het in de wet bedoelde certificaat slechts één arts behoeft te betreffen. Het antwoord van de staatssecretaris aan de D66-fractie (blz. 39) is ontoereikend, juist gelet op hetgeen de Arbo-artsen-vereniging daar zelf over zegt.

Graag vernam hij een nadere reactie van de staatssecretaris.

Vertrouwende dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Heijmans

De griffier van de commissie,

Nieuwenhuizen


XNoot
1

Samenstelling: Van de Zandschulp (PvdA), Heijmans (VVD) voorzitter, Gelderblom-Lankhout (D66), Jaarsma (PvdA), Rongen (CDA), Veling (GPV), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Batenburg (AOV), J. van Leeuwen (CDA), Van den Berg (SGP), Hendriks, Hofstede (CDA), De Wit (SP), De Haze Winkelman (VVD), Zwerver (GroenLinks).

XNoot
1

VPRO-radio, 14 januari 1996, programma OVT.