Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1995-199624220 nr. 126c

24 220
Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (aanvulling van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)

nr. 126c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 25 juni 1996

De memorie van antwoord gaf de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de VVD-fractie verklaarden met teleurstelling van de memorie van antwoord te hebben kennis genomen. Hun reeds genoemde gemengde gevoelens waren door dit antwoord geenszins verminderd.

De leden hadden gevraagd om welke redenen de regelingen van het ARAR ook toepasselijk worden verklaard op rechterlijke ambtenaren. Hiermee bedoelden zij, hetgeen zij wellicht daar duidelijker hadden kunnen stellen maar hetgeen ook uit de verdere tekstverband volgt en ook zo door de minister is begrepen, de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, of anders gezegd de leden van de zittende magistratuur.

De minister antwoordt dat het ARAR is toegepast omdat er geen reden is het wiel opnieuw uit te vinden. De vraag van deze leden had echter betrekking op de daaraan voorafgaande zin, te weten dat één van de doelstellingen van het onderhavige wetsvoorstel nu juist is, de rechtspositie van de leden van de zittende magistratuur zoveel mogelijk gelijk te trekken met die van de leden van de staande magistratuur.

De leden zouden gaarne alsnog een duidelijke en fundamentele uiteenzetting vernemen waarom deze gelijkstelling moet plaatsvinden. Het tegendeel zou toch ook kunnen worden betoogd, gelet enerzijds op de hiërarchische structuur van het openbaar ministerie, uiteindelijk uitmondend – met enige nuances – bij de minister, en de geheel onafhankelijke positie van de leden van de zittende magistratuur anderzijds.

De leden zagen in het wetsvoorstel een stap in dezelfde richting als – met een verdergaande inhoud – is aangegeven in de nota «het besturen van de rechtspraak» en het rapport van de werkgroep-Hoekstra.

Zij verklaarden de reactie van de minister op de wel zeer fundamentele kritiek van de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad op beide stukken («de plannen vervullen ons met zorg, omdat zij indien verwezenlijkt een gevaar vormen voor de onafhankelijkheid van de rechter») wel wat erg luchtig te vinden. De minister zegt dat deze kritiek deel zal uitmaken van de besprekingen over de beheers- en bestuursstructuur van de gerechten, welke besprekingen thans plaatsvinden en in de loop van dit kalenderjaar tot besluitvorming zullen leiden, uitmondend in een wetsvoorstel, waarbij dan ook zo nodig de volgens het onderhavige wetsvoorstel vastgestelde wet opnieuw zal kunnen worden gewijzigd.

Is het niet beter en practischer, zo vroegen deze leden, de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel aan te houden totdat het wetsvoorstel over de beheers- en bestuursstructuur zal worden ingediend en daarmee dan – eventueel gewijzigd – gezamenlijk te behandelen?

De leden van de fractie van de PvdA dankten de regering voor de antwoorden op hun vragen, waarin zij zich in het algemeen goed konden vinden. Zij waren evenwel op nog een vraag gestuit die zij gaarne aan de regering zouden willen voorleggen.

Het onderhavige wetsvoorstel strekt er onder meer toe de incompatibiliteitenregeling zoals die thans bestaat met precies benoemde incompatibiliteiten (vgl. de artt. 8, 9 en 71, tweede lid Wet RO, art. 6 Beroepswet), om te zetten in een regeling met een algemene, en dus noodzakelijkerwijze vage norm: art. 44 van het onderhavige wetsvoorstel, ondersteund door de artt. 11, onderdeel c en 14, eerste lid Wet RO. De leden van deze fractie vroegen zich af of hier niet sprake is van een ongewenste ontwikkeling. Hoezeer ook de strekking van de normering dezelfde blijft, toch kunnen degenen die thans onder een specifieke incompatibiliteit vielen, zich na aanvaarding van het wetsvoorstel, met een beroep op het vervallen daarvan, aanmelden voor een -deeltijd-functie in de rechterlijke macht. In dat geval wordt het niet alleen op grond van het zojuist genoemde argument lastiger om betrokkenen met een beroep op de algemene, vage, norm af te wijzen: de specifieke norm is naar zijn aard immers doeltreffender dan de algemene, al is de intentie dezelfde. De vrees van deze leden heeft erop betrekking dat door deze «systeemwijziging» een zekere erosie zou gaan ontstaan met betrekking tot de werking van de incompatibiliteitenregeling, terwijl de uitvoering van de regeling moeilijker wordt. Zou het niet beter zijn de specifieke incompatibiliteiten te handhaven, en deze te complementeren met een algemene norm?

De voorzitter van de commissie,

Heijne Makkreel

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Heijne Makkreel (VVD), (voorzitter), Talsma (VVD), Glasz (CDA), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Holdijk (SGP), Vrisekoop (D66), Pitstra (GroenLinks), Le Poole (PvdA), Cohen (PvdA), De Wit (SP), Hirsch Ballin (CDA) en De Haze Winkelman (VVD).