24 205
Privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Wet privatisering ABP)

24 217
Vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (Wet kaderregeling vut overheidspersoneel)

24 222
Regels met betrekking tot de oprichting van de Stichting Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (Wet Stichting USZO)

24 227
Wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet (invoering partnerpensioen), alsmede van de Uitkeringswet gewezen militairen (rechtspositionele erkenning van andere relatievormen dan het huwelijk)

nr. 83b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 1 december 1995

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie toonden zich misnoegd over het tijdsverloop tussen de datum van de ondertekening van het Convenant privatisering ABP, de pensioenovereenkomst en de indiening van het voorstel van de Wet privatisering ABP. Zij vroegen naar de reden van deze gang van zaken. Ook wensten deze leden te vernemen welke dringende en bijzondere redenen er zijn om de geplande ingangsdatum van 1 januari 1996 niet te wijzigen. De leden van de fracties van het CDA en GroenLinks sloten zich bij deze vragen aan.

Het misnoegen van de leden van de VVD-fractie gaat naar het oordeel van de regering voorbij aan het feitelijk proces dat zich inzake de privatisering van het ABP heeft voorgedaan. Het Convenant privatisering ABP van 10 februari 1993 bevatte een overeenstemming over de privatisering van het ABP die op veel punten nader uitgewerkt diende te worden. Een aantal wetsontwerpen is daarin voorzien. Dienovereenkomstig is na de ondertekening van het convenant gewerkt aan de realisatie van de privatisering. In dat kader is in eerste instantie gewerkt aan de herstructurering van de financiering van het ABP. Hierover is intensief overlegd tussen de sociale partners in de overheidssector, hetgeen heeft geleid tot de indiening op 11 oktober 1993 van het voorstel inzake de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP (Kamerstukken II 1993/94, 23 442, nrs. 1–3) (Wet FVP/ABP). Hoewel dit wetsvoorstel binnen relatief zeer korte tijd tot stand is gebracht, voorzag het in een complex van ingrijpende maatregelen. Naast de herstructurering van de financiering van het ABP omvatte dat wetsvoorstel overeenkomstig artikel 6 van het Convenant privatisering ABP een herstructurering van het bruto-netto-traject van de salarissen van het overheidspersoneel. Bovendien hield dat wetsvoorstel reeds wijzigingen in van de pensioenregeling zoals neergelegd in de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet), welke wijzigingen vooruitlopend op een verdere aanpassing van de pensioenregeling in het kader van de privatisering wenselijk werden geacht. Verder regelde dat wetsvoorstel de reparatie van het zogenaamde «WAO-gat», waarvan de wenselijkheid zich aandiende terwijl het overleg van sociale partners over het voorontwerp van de Wet FVP/ABP gaande was. De Wet FVP/ABP bereikte reeds in april 1994 het Staatsblad.

Vervolgens is gewerkt aan het opstellen van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en van de Wet privatisering ABP. Ook hierover was intensief overleg tussen de sociale partners noodzakelijk. Bovendien diende het ontwerp van de Wet privatisering ABP te worden afgestemd op de voortgang van het OOW-project. Tegelijkertijd diende te worden gesproken over de vormgeving van de Stichting Pensioenfonds ABP, over de statuten van die stichting, alsmede over het nieuwe pensioenreglement. Van belang daarbij was dat de vormgeving van het pensioenreglement ter zake van de nadere invulling van de gelijkwaardigheid van de pensioenaanspraken die in plaats van de aanspraken ingevolge de Abp-wet worden verkregen tegenover de Stichting Pensioenfonds ABP, medebepalend was voor de inhoud van de Wet privatisering ABP. Het ontwerp van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel werd op 16 februari 1995 ter advisering door de Raad van State aangeboden, het ontwerp van de Wet privatisering ABP op 22 februari.

De afrondende besprekingen over de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP en het pensioenreglement vonden in diezelfde tijd plaats, waarna op 15 maart de pensioenovereenkomst is getekend, onder het voorbehoud van de realisatie van de privatisering van het ABP.

Zoals uit het voorgaande blijkt is er, anders dan de opmerkingen van de leden van de VVD-fractie op dit punt lijken te suggereren, direkt na de ondertekening van het Convenant privatisering ABP met grote voortvarendheid en inzet van alle betrokkenen gewerkt aan de uitvoering daarvan en met volledige respectering van de positie van het parlement. Zo heeft naar aanleiding van het wetsvoorstel inzake de Wet FVP/ABP reeds een fundamentele bespreking van de privatisering van het ABP door de regering en de Staten-Generaal plaatsgevonden. De voorgestelde Wet privatisering ABP en het voorstel van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel vormen het logisch gevolg en sluitstuk van die bespreking.

De redenen om vast te houden aan de geplande ingangsdatum van 1 januari 1996 zijn de volgende. In de eerste plaats is in artikel 2 van het Convenant privatisering ABP de afspraak neergelegd dat partijen bij het convenant de totstandkoming zullen bevorderen van de Wet privatisering ABP, op zodanige wijze dat deze wet op 1 januari 1996 in werking zal treden of zoveel eerder als mogelijk is. Hierbij is van belang dat een belangrijke bijdrage van het overheidspersoneel aan de privatisering van het ABP per 1 mei 1994 is gerealiseerd, te weten de bijdrage van het overheidspersoneel aan de oplossing van de financiële problematiek met betrekking tot het ABP. De prestatie van de zijde van de overheid die daar tegenover dient te worden geplaatst, de privatisering van het ABP, kan dan niet zonder dwingende noodzaak worden uitgesteld.

Ten tweede zijn ingrijpende veranderingsprocessen opgestart met betrekking tot de regelgeving inzake de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel, de organisatie van de uitvoering van de pensioen- en vut-regeling, het personeel van het ABP, alsmede de geautomatiseerde gegevensverwerking en -bewerking. Al deze veranderingsprocessen zijn gericht op de streefdatum 1 januari 1996 en hebben reeds zeer veel inzet van de daarbij betrokkenen gevergd.

Voorts moet worden bedacht dat de privatisering van het ABP geen nieuwe aangelegenheid is voor de Staten-Generaal. In het kader van de behandeling van de Wet FVP/ABP is daarover reeds uitvoerig en diepgaand van gedachten gewisseld. Bovendien zijn er de precedenten van eerdere privatiseringen waarbij pensioenaanspraken ingevolge de Abp-wet ongedaan zijn gemaakt en omgevormd tot gelijkwaardige aanspraken tegenover een privaatrechtelijke pensioeninstelling.

Ten slotte is er het voorbeeld van de privatisering van het Spoorwegpensioenfonds, in welk kader de Spoorwegpensioenwet werd ingetrokken en de op basis van die wet verkregen pensioenaanspraken werden omgezet in gelijkwaardige aanspraken tegenover de Stichting Spoorwegpensioenfonds. De parlementaire behandeling van die privatisering, ter zake waarvan geen apart wetsvoorstel betreffende de financiële aspecten werd ingediend op basis waarvan een voorafgaande discussie zou hebben kunnen plaatsvinden, besloeg een kortere periode dan de tijd die voor de behandeling van de voorgestelde Wet privatisering ABP beschikbaar is. Het voorstel van de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds (Kamerstukken II 1992/93, 23 305, nrs. 1–3) werd op 1 september 1993 bij koninklijke boodschap aangeboden aan de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel werd op 14 december 1993 door de Eerste Kamer aanvaard.

De leden van de CDA-fractie vroegen welke wijzigingen of vertragingen sinds 1994 in het Convenant zijn aangebracht door de sociale partners in de overheidssector.

In artikel 6 van het Convenant privatisering ABP is neergelegd dat de Wet FVP/ABP uiterlijk per 1 januari 1994 in werking zou dienen te treden. Dit in verband met de toendertijd bestaande noodzaak de financiering van het ABP op de kortst mogelijke termijn te herstructureren. Deze datum is niet haalbaar gebleken, zodat de sociale partners nader hebben overlegd over de gevolgen daarvan. Zoals in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer inzake de Wet FVP/ABP (Kamerstukken II 1993/94, 23 442, nr. 7, blz. 8) is aangegeven, heeft dit geleid tot een aanpassing van zowel de pensioenbijdrage als het zogenaamde bijdrageverhaal op de overheidswerknemer. De pensioenbijdrage werd verhoogd op zodanige wijze dat de werkgeversbijdrage aan de financiering van het ABP op het niveau werd gebracht dat zou hebben gegolden indien de Wet FVP/ABP per 1 januari 1994 in werking zou zijn getreden. Evenzo werd door een wijziging van het Verhaalsbesluit Algemene burgerlijke pensioenwet de werknemersbijdrage aan de financiering van de pensioenen zo veel mogelijk in overeenstemming gebracht met de situatie die zou zijn ontstaan indien de Wet FVP/ABP op de aanvankelijk beoogde datum in werking zou zijn getreden. Materieel werd zodoende de latere inwerkingtreding van de Wet FVP/ABP wat betreft de financiering ondervangen. Voor het overige konden de in de Wet FVP/ABP opgenomen maatregelen en wijzigingen van de pensioenregeling niet eerder dan met ingang van 1 mei 1994, onderscheidenlijk 1 januari 1995 worden gerealiseerd.

Voorts is van het Convenant privatisering ABP afgeweken in verband met de reparatie van het zogenaamde WAO-gat. Deze maatregel was niet in het convenant voorzien en beïnvloedde de hoogte van de bijdrage die ter zake van de invaliditeitspensioenen door het overheidspersoneel moet worden afgedragen. Ook hierover is, voordat deze maatregel werd neergelegd in een wijziging van het wetsvoorstel inzake de Wet FVP/ABP, overlegd en is overeenstemming bereikt tussen de sociale partners in de overheidssector.

De leden van de CDA-fractie wensten voorts een uiteenzetting over de vraag of constitutioneel geen merkwaardige situatie is ontstaan, in die zin dat de uitkomsten van het overleg van die sociale partners aan het parlement wordt voorgelegd als een wetsvoorstel dat bijna niet amendeerbaar is voor de Tweede Kamer.

De regering beantwoordt deze vraag ontkennend. Op de staatsrechtelijke betekenis van het Convenant privatisering ABP is reeds ingegaan in het nader rapport inzake de Wet FVP/ABP (Kamerstukken II 1993/94, 23 442, B, blz. 13 en 14). Ook tijdens de mondelinge behandeling van die wet is dat punt nader besproken (Handelingen II 1993/94, blz. 4549 tot en met 4597). Telkens is aangegeven dat de Staten-Generaal niet aan het Convenant privatisering ABP is gebonden en de volle vrijheid heeft om de voorgelegde wetsvoorstellen met betrekking tot de privatisering van het ABP te beoordelen. Ter zake van de voorgestelde Wet privatisering ABP is dit aandachtspunt opnieuw aan de orde gekomen en is opnieuw gezegd dat die vrijheid materieel gezien weliswaar beperkt is, maar dat uiteindelijk een individueel kamerlid of een fractie kan afwegen hoezeer hij of zij hecht aan de afspraken die in de onderhandelingen van de sociale partners in de overheidssector zijn gemaakt (Handelingen II 1994/95, blz. 1186).

Het voorgaande wordt bevestigd door de gang van zaken betreffende de Wet FVP/ABP. De latere inwerkingtreding van die wet dan de door de sociale partners beoogde datum van 1 januari 1994 heeft geleid tot de heropening van de besprekingen. Die besprekingen zijn toen in een constructieve sfeer gevoerd en hebben tot een oplossing geleid voor de financiële problematiek die dreigde te ontstaan door een latere herstructurering van de financiering van het ABP dan met ingang van 1 januari 1994. Duidelijk is evenwel dat er sprake is van een wisselwerking; de parlementaire behandeling van de wetsvoorstellen waarin de onderhandelingsresultaten van de sociale partners in de overheidssector hun weerslag vinden, kan zodanige effecten hebben dat de sociale partners opnieuw moeten onderhandelen, zodat – indien geen overeenstemming wordt bereikt – de betrokken bewindspersoon zich dient te beraden omtrent de verdere voortzetting van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel. Deze gang van zaken is vanuit constitutioneel oogpunt gezien geheel zuiver.

Door de leden van de VVD-fractie werden enige feitelijke vragen gesteld over de omvang van het ABP in verhouding tot andere pensioenfondsen.

Wat betreft de rangorde van pensioenfondsen op wereldschaal en in Europees verband geven de onderstaande tabellen 1 en 2 uitsluitsel. Deze tabellen zijn ontleend aan het tijdschrift «Pensions & Investments», dat twee-wekelijks verschijnt en als gezaghebbend is aan te merken.

Tabel 1 Pensioenfondsen internationaal in miljarden dollars

1. TIAA CREFVS$ 124
2. ABPNld$ 96
3. California Public EmployeesVS$ 77
4. Local Government EmployeesJapan$ 72
5. Allmanna PensionfondsenZweden$ 66

Bron: Pensions & Investments 11 juli 1994

Tabel 2 Pensioenfondsen Europa in miljarden dollars

1. ABPNld$ 96
2. Allmanna PensionfondsenZweden$ 66
3. PGGMNld$ 27
4. British Coal Pension FundsVK$ 25
5. British TeleCommunicationsVK$ 23

Bron: Pensions & Investments 11 juli 1994

Op Nederlandse schaal is tabel 3 van belang, waarin niet alleen de grote pensioenfondsen zijn opgenomen, maar tevens een relatie is gelegd met het beleggingsvermogen van de levensverzekeringsmaatschappijen.

Tabel 3 Pensioenfondsen en levensverzekeringmaatschappijen in Nederland in miljarden guldens

Pensioenfondsen:  
1. ABPf 177
2. PGGMf  51
3. Philips A + Bf  25
  
Levensverzekeringsmaatschappijen: 
1. INGf 111
2. AEGONf  78
3. Delta Lloydf  24

Bron: het ABP

Door de leden van de VVD-fractie werd de vraag gesteld op welke wijze bij het ABP zal worden voorzien in de superdeskundigheid op het beleggingsgebied. Tevens werd gevraagd naar het toezicht op de kwaliteit van het beleggingsbeleid.

Ten aanzien van de interne deskundigheid van het ABP moet worden opgemerkt dat de samenstelling van de huidige portefeuille ook nu al een grote deskundigheid bij het ABP vereist. Verwacht mag worden dat de portefeuillesamenstelling van het ABP in de komende jaren geleidelijk gevarieerder zal worden. Met name het aandeel van de niet-vastrentende beleggingen zal naar verwachting toenemen. Aan de versterking van de interne deskundigheid die dit vereist, wordt thans gewerkt, evenals aan de interne monitoring en verantwoording.

Daarnaast kan in dit verband worden opgemerkt dat de uitvoering van de beleggingen in onroerende zaken op afstand is geplaatst. Er zijn voor de beleggingen in winkels en kantoren aparte vennootschappen opgericht, met een eigen management dat verantwoordelijk is voor zijn bedrijfsresultaten. Het management van de buitenlandse portefeuilles wordt binnen strakke kaders uitbesteed aan gekwalificeerde professionele (Nederlandse, Engelse en Amerikaanse) vermogensbeheerders.

Wat betreft het toezicht op de kwaliteit van het beleggingsbeleid wordt gewezen op de zogenaamde Beleggingscommissie. Deze commissie bestaat uit gekwalificeerde onafhankelijke deskundigen, die het ABP onder meer adviseert over het beleggingsbeleid, de organisatie van het beleggingsproces en de analyse van de resultaten.

De vraag van de leden van de VVD-fractie of ook in de toekomst een aanmerkelijk deel van het vermogen van het ABP in obligaties en onderhandse leningen zal worden belegd, wordt bevestigend beantwoord. In relatie hiermee kan ook worden ingegaan op de vraag van deze leden in hoeverre het terugbrengen van het financieringstekort van de overheid invloed zal hebben op het beleggingsbeleid van het ABP. Uit de onderstaande tabel 4 blijkt dat het ABP veronderstelt dat de terugdringing van het financieringstekort niet zal leiden tot een belangrijke wijziging in de samenstelling van de beleggingsportefeuille. Dit mede omdat de terugdringing van het financieringstekort van het Rijk in niet onaanzienlijke mate gepaard gaat met een vergrote financieringsbehoefte van de lagere overheden (debudgetteringen), voor wie het ABP ook een belangrijke financier is.

Tabel 4 geeft op basis van ABP-ramingen een overzicht.

Tabel 4 Ontwikkeling vastrentende portefeuille ABP 1994–2000, in miljarden guldens

 1994199519961997199819992000
vastrentend156161163166166167167
wv overheid939698100100100100
overheidsschuld473,4499520,5540,9561,6583,5n.b.
% ABP19,719,318,818,417,817,2n.b.

Opmerking: De beleggingen van het ABP in de overheid betreffen de Staat, Staat gegarandeerd, BNG en Lagere overheden.

De leden van de VVD-fractie wensten te vernemen of het ABP-pensioen in de nieuwe situatie een pensioen «ten laste van de openbare kas» blijft, met name met betrekking tot de verdragen inzake dubbele belasting.

In antwoord op deze vraag wordt het volgende opgemerkt. In de door Nederland gesloten belastingverdragen wordt onderscheid gemaakt tussen pensioenen die in de particuliere sfeer worden betaald en die welke door de overheid worden betaald aan gewezen ambtenaren. Enkele uitzonderingen daargelaten, zijn particuliere pensioenen belastbaar in de woonstaat van de rechthebbende en overheidspensioenen in de staat die de pensioenen betaalt (de zogenaamde kasstaat).

Voor de toepassing van de Nederlandse belastingverdragen heeft de privatisering van het ABP geen consequenties. De aard van het pensioen en niet de uitbetalende instantie is van belang voor de beoordeling of voor de toepassing van de belastingverdragen een pensioen als overheidspensioen of als een particulier pensioen moet worden gekwalificeerd. Dit standpunt heeft de Hoge Raad onlangs bevestigd in zijn arrest van 23 november 1994, nr. 29 935 (BNB 1995/117).

De leden van de CDA-fractie wilden aan de hand van concrete cases een nadere uiteenzetting omtrent de omzetting van de pensioenaanspraken ingevolge de Abp-wet naar die ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. Zij gaven daarbij aan vooral geïnteresseerd te zijn in de aanspraken van gepensioneerden en van nabestaanden.

In het algemeen kan hierover het volgende worden opgemerkt. De pensioenaanspraken die op 1 januari 1996 tegenover de Stichting Pensioenfonds ABP worden verkregen zullen in bruto bedragen, behoudens zeer geringe afrondingsverschillen, gelijk zijn aan die op 31 december 1995 op grond van de Abp-wet.

Voor die gevallen dat er op grond van de nieuwe bepalingen sprake zou zijn van een verlaging van het bruto bedrag, wordt een toeslag verleend ten einde handhaving van het oorspronkelijk bruto pensioen te garanderen. Het gaat hierbij onder meer om nabestaandenpensioenen die worden gekort in verband met de overschrijding van het maximumbedrag van de gezamenlijke nabestaandenpensioenen die aan hetzelfde overlijden worden ontleend. Onder nabestaandenpensioen wordt in dit verband verstaan het pensioen voor de nagelaten partner en het wezenpensioen.

In de Abp-wet wordt het totaalbedrag van partnerpensioen en wezenpensioen beperkt tot het bedrag van het ouderdomspensioen waarvan zij zijn afgeleid. Het partnerpensioen bedraagt in beginsel 5/7 deel van het bedoelde ouderdomspensioen, het wezenpensioen 1/7 of 2/7 deel, afhankelijk van de situatie of aan hetzelfde overlijden al dan niet een partnerpensioen wordt ontleend. Indien de gezamenlijke aanspraak het bedrag van het ouderdomspensioen overschrijdt, worden de verschillende nabestaandenpensioenen naar evenredigheid gekort.

In het pensioenreglement krijgt de achterblijvende partner daarentegen altijd 5/7 deel van het ouderdomspensioen waarvan de nabestaandenpensioenen worden afgeleid, maar zijn de wezenpensioenen gezamenlijk beperkt tot 5/7 deel. Hoewel de gezamenlijke aanspraak inzake nabestaandenpensioen in het pensioenreglement dus is verhoogd naar 10/7 maal het ouderdomspensioen, kan sprake zijn van een achteruitgang in het geval er sprake is van drie of meer wezenpensioenen die niet samenlopen met een partnerpensioen. In het kader van de Abp-wet hebben deze wezen immers te maken met de grens van 7/7 van het ouderdomspensioen, in het pensioenreglement is die grens 5/7. Toch wordt in deze gevallen een achteruitgang van het individueel toegekende wezenpensioen voorkomen door middel van een garantietoeslag.

Waar de bruto pensioenaanspraken tegenover de Stichting Pensioenfonds ABP op het niveau van de bruto aanspraken ingevolge de Abp-wet per 31 december 1995 zullen liggen, geldt dit evenzeer voor de netto-aanspraken. Uitzondering hierop vormen de netto-aanspraken van invaliditeitsgepensioneerden. Dit wordt veroorzaakt doordat over het aanvullend invaliditeitspensioen de inhoudingen ingevolge de Wet FVP/ABP niet langer zullen worden toegepast. Dit laatste overeenkomstig artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Van een mogelijke geringe daling van het netto inkomen, waarvan in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer gewag werd gemaakt in verband met meerdere bruto-netto-trajecten die zullen ontstaan door de vervanging van het invaliditeitspensioen ingevolge de Abp-wet door de WAO-conforme uitkering en het aanvullend invaliditeitspensioen ingevolge het pensioenreglement, blijkt bij nadere analyse geen sprake te zijn. Er ontstaan weliswaar verschillende bruto-netto-trajecten, maar abusievelijk was geen rekening gehouden met het gegeven dat de inhoudingen niet zullen worden toegepast op het aanvullend invaliditeitspensioen.

Voor concrete rekenvoorbeelden wordt verwezen naar de bijlage. Daarin is een aantal voorbeelden van omrekeningen opgenomen. Ten aanzien van het invaliditeitspensioen is tevens een vergelijking van de bruto-netto-trajecten opgenomen.

Van de zijde van de CDA-fractie werd gevraagd hoe de totale verschuldigde premies voor nabestaandenpensioen, partnerpensioen, WAO-conform invaliditeitspensioen en bovenwettelijk invaliditeitspensioen, vut-uitkeringen en dergelijke zich zullen ontwikkelen.

Allereerst wordt opgemerkt dat hier enkele premies worden onderscheiden die niet bij de Wet FVP/ABP zijn ingevoerd. De lasten voor het nabestaandenpensioen, met inbegrip van het zogenaamde partnerpensioen, worden namelijk betaald uit de premie inzake het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Er is nu geen indicatie dat in de toekomst aan deze situatie een einde zal komen.

In de onderstaande tabel 5 zijn de premies opgenomen zoals deze door het ABP bij ongewijzigd beleid worden geraamd. Hierbij wordt aangetekend dat voor de werkgever en de werknemer nog relevant is dat tot 2001 de afdracht van de premie inzake het ouderdoms- en nabestaandenpensioen, alsmede de vut-premie op een door de Wet FVP/ABP voorgeschreven wijze gemitigeerd wordt. Deze mitigering van de afdracht van die premies is niet in tabel 5 tot uitdrukking gebracht.

In tabel 5 staat OP/NP/IP voor de pensioenbijdrage zoals die tot de Wet FVP/ABP moest worden afgedragen. FAOP staat voor de premie te betalen voor het WAO-deel van het invaliditeitspensioen. IP-exc. is de premie die voor het WAO-overstijgend deel van het invaliditeitspensioen moet worden betaald. De overige afkortingen spreken voor zich.

Tabel 5 Verschuldigde premies in procenten van relevante premiegrondslag

jaarOP/NP/IPOP/NPFAOPIP-exc.vut
198514,40
19908,80
19949,65
1995 11,786,951,784,65
2000 12,205,901,904,70

De gehanteerde franchises voor de bepaling van de premiegrondslagen zijn:

OP/NP/IP:geen
OP/NP:26 500,–
FAOP:25 839,–
IP-exc.:28 000,–
vut:geen

Ramingen van de premieontwikkeling over een periode van langer dan 5 jaar worden in het algemeen niet gemaakt. Wel bestaat aan de zijde van het ABP de verwachting dat de premieniveaus in 2010 niet veel zullen afwijken van die in het jaar 2000, met uitzondering van de vut-premie. Die zal in 2010 zijn toegenomen tot circa 7 procent, waarna ze vervolgens weer langzaam zal dalen.

De leden van de fractie van het CDA vroegen wat het verschil is tussen de Stichting USZO en de Stichting USZO/AOV. Verder wilden zij weten waarom, als het niet mogelijk is om tijdig een Stichting USZO op te richten, het dan wel mogelijk is die andere stichting op te richten. Tevens informeerden zij naar het bestuur van de Stichting USZO/AOV.

Indien de voorgestelde Wet privatisering ABP in werking treedt, dient er een uitvoeringsinstelling te zijn die de WAO-conforme regeling kan uitvoeren. Dit in verband met de scheiding van het huidige invaliditeitspensioen in een wettelijk deel en een bovenwettelijk deel en de noodzaak daarbij rekening te houden met het in de toekomst van toepassing zijn van de WAO op het overheidspersoneel. Het is de bedoeling dat de Stichting USZO per 1 januari 1996 de uitvoeringsinstelling zal zijn, die de WAO-conforme regeling zal uitvoeren. Wanneer dat wordt gerealiseerd, is er geen reden de Stichting USZO/AOV op te richten. De voorgestelde Wet Stichting USZO voorziet om die reden in het vervallen van de bepalingen over de Stichting USZO/AOV in de voorgestelde Wet privatisering ABP.

Voor het onverhoopte geval dat de Stichting USZO pas nà 1 januari 1996 zou kunnen worden opgericht, is in de voorgestelde Wet privatisering ABP een terugvaloptie opgenomen, in de vorm van de Stichting USZO/AOV. De Stichting USZO/AOV zal ontstaan door de verzelfstandiging van uitsluitend het Sociaal Zekerheidsbedrijf (SZ-bedrijf) van het huidige ABP. Het SZ-bedrijf is één van de beoogde fusiepartners van de Stichting USZO. Als terugvaloptie is het dus, op grond van de voorgestelde Wet privatisering ABP en niet op grond van de voorgestelde Wet Stichting USZO, mogelijk om tijdelijk het SZ-bedrijf te doen overgaan in de Stichting USZO/AOV teneinde te garanderen dat de WAO-conforme regeling kan worden uitgevoerd. Dit dus zonder de andere drie USZO-fusiepartners daarbij te betrekken en vooruitlopend op de oprichting van de Stichting USZO.

Zoals uit het voorgaande blijkt, betreft het verschil tussen de Stichting USZO en de Stichting USZO/AOV de omvang en de doelstelling. De Stichting USZO/AOV zal slechts uit één van de USZO-fusiepartners bestaan. De doelstelling van de Stichting USZO/AOV beperkt zich tot de uitvoering van de WAO-conforme regeling, terwijl die van de Stichting USZO het bredere terrein van de sociale zekerheid betreft.

Het bestuur van de Stichting USZO/AOV zal op dezelfde wijze zijn samengesteld als het bestuur van de Stichting USZO. Op het bestuur van de Stichting USZO gaan wij hieronder nader in.

De leden van de CDA-fractie verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer inzake de voorgestelde Wet privatisering ABP, waarin wordt gesproken over «een beeldvorming die niet geheel spoort met het feitensubstraat» (Kamerstukken II 1995/96, 24 205, nr. 7, blz. 1). Zij wensten hieromtrent een nadere uiteenzetting.

Zonder een epistomologische verhandeling te geven over de vraag wanneer er sprake is van een feit, een vraag die naar onze mening door de leden van de CDA-fractie kan worden beantwoord op basis van hetgeen aan kennis-kritische verhandelingen in de filosofische litteratuur is verschenen, wordt hierover het volgende opgemerkt. De aangehaalde zinsnede komt voor in het antwoord op de vragen van het lid van de Tweede Kamer Hendriks omtrent de financiële positie van het ABP. Als kenbare feiten inzake die positie zijn ons inziens in ieder geval aan te merken:

– de formeel wettelijke verlagingen van de pensioenbijdrage die door de werkgever ingevolge artikel C 3 van de Abp-wet, zoals die wet luidde tot en met 31 december 1994, aan het ABP diende te worden afgedragen aan het ABP;

– de balansen die in de jaarverslagen van het ABP zijn opgenomen;

– het gegeven dat de opgebouwde rechten meer dan 100 procent zijn gedekt;

– het gegeven dat bij de opstelling van de balans van lasten en baten wordt uitgegaan van het percentage van de pensioenbijdrage ten tijde van het opstellen van de balans;

– het gegeven dat door de Wet FVP/ABP de pensioenbijdrage op kostendekkend niveau is gebracht.

Het beeld dat de heer Hendriks omtrent de financiële positie van het ABP schetste, leek niet te zijn gebaseerd op deze algemeen kenbare gegevens.

De leden van de CDA-fractie vroegen tevens of de regering niet een bepaalde inkleuring van de feiten geeft, wanneer in dezelfde nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat er sprake lijkt te zijn van enkele misverstanden.

Voorop dient te worden gesteld dat de terminologie «misverstanden» niet is gebezigd ten aanzien van de financiële positie van het ABP, maar ten aanzien van de kennelijke visie van fracties in de Tweede Kamer omtrent de positie van pensioenfondsen en de marktwerking.

Er is naar de mening van de regering geen sprake van dat in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer inzake de voorgestelde Wet privatisering ABP een gekleurde voorstelling van zaken wordt gegeven omtrent een pensioenfonds en de marktwerking. Feit is dat in het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt overlegd over de pensioentoezegging van de werkgever aan de werknemer. Een feit is evenzeer dat een pensioenfonds in het leven wordt geroepen om die pensioentoezegging te waarborgen en dat een pensioenfonds niet als een verzekeraar de markt op kan gaan.

Omdat het hierbij gaat om keuzes van sociale partners omtrent de invulling van de arbeidsvoorwaarden zijn termen als «monopolist» en «gedwongen winkelnering» met betrekking tot pensioenfondsen niet aan de orde. Het is de werkgever die een bepaalde pensioentoezegging doet, niet het pensioenfonds. Van gedwongen winkelnering is eerst dan sprake indien men verplicht wordt gesteld het loon dat men bij een bepaalde werkgever verdient geheel of gedeeltelijk te besteden aan produkten die die werkgever of een met die werkgever gelieerde derde op commerciële basis op de markt brengt. De pensioentoezegging is geen produkt dat een werkgever of een met die werkgever gelieerde derde op de markt brengt, maar vormt een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden die hij aan zijn werknemer biedt. De terminologie «monopolist» en «gedwongen winkelnering» is, wanneer deze wordt gebezigd ten aanzien van het ABP of de Stichting Pensioenfonds ABP, dan ook niet op haar plaats en miskent zowel het karakter van de pensioentoezegging als de functie van het pensioenfonds.

De vraag van de leden van de CDA-fractie of de markt zo transparant is dat sociale partners de prestaties kunnen beoordelen van het pensioenfonds dat onder hun bestuur staat, wordt bevestigend beantwoord. Hierbij gaat het, zoals uit de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer inzake de voorgestelde Wet privatisering ABP blijkt (Kamerstukken II 1995/96, 24 205, nr. 7, blz. 2), om de onderlinge vergelijking van de prestaties van pensioenfondsen. Daarbij zijn onder meer aan de orde het pensioenpakket dat deelnemers aan de onderscheiden fondsen wordt geboden, de pensioenpremie die daarvoor is verschuldigd, de omvang van het deelnemersbestand en de verdeling daarvan in aantallen mannen en vrouwen, de leeftijdsopbouw van het collectief van de deelnemers, de beleggingsresultaten die op het belegd vermogen worden gerealiseerd en de omvang van de beheers- en uitvoeringskosten. De gegevens daarover zijn onder meer opgenomen in de jaarverslagen van de pensioenfondsen zelf, alsmede in vergelijkende studies van daartoe gespecificeerde instellingen en van belangenorganisaties. Bovendien moet worden bedacht dat de besturen van bedrijfspensioenfondsen worden gevormd door vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Binnen die organisaties is er ook sprake van uitwisseling van gegevens.

Overigens wordt hierbij wel aangetekend dat er een duidelijke behoefte is bij de diverse pensioenfondsbesturen om de veelheid van gegevens die men verkrijgt, en die alle hun verschillende grondslagen kennen, meer te standaardiseren. In dat kader moet ook de aansluiting van het ABP bij de World Markets Company worden gezien, welke instelling op een gestandaardiseerde manier de resultaten van de aangesloten pensioenfondsen berekent.

Voorts wordt aangetekend dat het streven van werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers in de besturen van bedrijfspensioenfondsen, vanwege het belang dat zij hebben bij een zo laag mogelijke pensioenpremie, om inefficiënties bij het pensioenfonds tegen te gaan, uiteraard niet wil zeggen dat er geen inefficiënties kunnen optreden mede omdat de kapitaalmarkt niet volkomen transparant is. Overigens lijkt wat dat laatste punt betreft er voor het ABP een schaalvoordeel te bestaan. Het ABP is een zo grote marktpartij dat het daardoor beter dan kleinere pensioenfondsen, alsook beter dan kleinere beleggingsfondsen, de interne en externe deskundigheid kan organiseren die voor een verantwoord beleggingsbeleid heden ten dage noodzakelijk is.

In samenhang met de voorgaande vraag vroegen de aan het woord zijnde leden de regering een vergelijking van de bedrijfsresultaten van het ABP met die van andere Nederlandse pensioenfondsen, waaronder het PGGM.

Onderstaande tabel 6 biedt dit overzicht, dat is samengesteld op basis van gegevens die zijn verstrekt door de Verzekeringskamer. Uitdrukkelijk wordt hierbij aangetekend dat de vermelde cijfers de weerslag zijn van de door de betreffende pensioenfondsen zelf berekende rendementen. Bekend is dat de daarvoor noodzakelijke waardepalingen sterk per pensioenfonds kunnen verschillen, zodat aan deze cijfers zeker geen absolute waarde moet worden toegekend.

Een expliciete vergelijking met het PGGM bleek op deze termijn niet mogelijk.

Tabel 6 Opbrengst van beleggingen in percentage van het gemiddelde bedrag

jaarOndernemings- en bedrijfspensioenfondsenABP
19906,97,9
19917,37,9
19927,07,9
199311,87,6

Een vergelijking van de prestaties van het ABP met andere pensioenfondsen is meer vruchtbaar als hiervoor een gestandaardiseerde berekeningsmethodiek wordt gebruikt. Wat dat betreft is een verwijzing naar het jaarverslag van het ABP over 1994 zinvol. Daarin wordt het beleggingsresultaat van het ABP vergeleken met de WM-index van de World Markets Company, een organisatie waarbij ultimo 1994 200 pensioenfondsen waren aangesloten, met in totaal een pensioenvermogen van ruim 500 miljard gulden. Uit deze vergelijking, die is weergegeven in de onderstaande tabel 7, blijkt dat het ABP relatief goed scoort.

Tabel 7 Totaal rendement 1994 in procenten

  ABPWM-index (excl.ABP)
Vastrentende waarden – 1,8– 3,8
– obligaties, onderhandse leningen– 1,9   
– hypotheken– 0,8   
Aandelen – 1,5– 5,4
Onroerend goed 7,13,7
Beleggingen totaal – 1,0– 3,3

Overigens wordt ter verduidelijking van tabel 7 opgemerkt dat het totaal rendement in 1994 sterk negatief is beïnvloed door de zeer grote koersfluctuaties bij aandelen, obligaties en leningen. Dit kan worden geïllustreerd door het feit dat het totaal rendement in 1994 –1,0 procent bedroeg, waar dit in 1993 nog 16,5 procent was. Exclusief de koersfluctuaties bedroeg het rendement voor het ABP in 1994 7,6 procent.

Met betrekking tot het jaar 1995 kan worden gemeld dat tot eind september het ABP een totaal rendement van 11,4 procent heeft behaald, waar de WM-index 9,8 procent scoorde.

De leden van de CDA-fractie vroegen waarom het eigen belang van de sociale partners zich ook zou uitstrekken tot de gepensioneerden. Ook informeerden zij of niet meer aandacht zou moeten worden gegeven aan de overdracht van de aanspraken van zogenaamde inactieven.

De gepensioneerden vormen een substantieel deel van de leden van de centrales van overheidspersoneel. Deze centrales behartigen in het arbeidsvoorwaardenoverleg derhalve tevens de belangen van de gepensioneerden. Ook in het bestuur van het ABP en na de inwerkingtreding van de voorgestelde Wet privatisering ABP in het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP zullen de bestuursleden die door de centrales zijn aangewezen, oog hebben voor de belangen van gepensioneerden.

Van evengroot belang is dat iedere werknemer die deelnemer is in een pensioenfonds hoopt te zijner tijd de vruchten daarvan te plukken. Dat draagt bij tot een levendig besef dat de mate waarin de nog werkzame deelnemers oog hebben voor de belangen van gepensioneerden, ook van belang kan zijn voor de situatie dat die werkzame deelnemers zelf gepensioneerd zullen zijn. Een goede regeling betreffende de belangen van de gepensioneerden houdt in dat de nog werkzame deelnemer ook zelf daarvan de gunstige resultaten mag verwachten. Het belang van de gepensioneerde is in die zin het eigen belang van de actieve deelnemer. Er is derhalve geen tegenstelling van belangen tussen enerzijds nog werkzame deelnemers in een pensioenfonds en anderzijds de gepensioneerden bij dat fonds.

Volledigheidshalve wordt hieraan nog toegevoegd dat de gepensioneerden in die zin bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP zijn betrokken, dat zij rechtstreeks vertegenwoordigd zijn in de voorziene Raad van Advies. Als zodanig kunnen zij zich uitspreken over alle aangelegenheden die het pensioenfonds betreffen.

Indien de leden van de CDA-fractie met «de overdracht van de aanspraken van de zogenaamde inactieven» de overdracht ingevolge artikel 22 van de voorgestelde Wet privatisering ABP van pensioenaanspraken van gepensioneerden, nabestaanden en zogenaamde slapers bedoelen bij een mogelijke beëindiging van de aansluiting van een B 3-lichaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt het volgende opgemerkt. De beslissing de aansluiting bij de Stichting Pensioenfonds ABP te beëindigen, wordt genomen door de sociale partners binnen het B 3-lichaam. Zij nemen alsdan de verantwoordelijkheid voor de pensioenaanspraken van de gehele groep belanghebbenden die pensioenrechten ontlenen aan een nog bestaand of een inmiddels beëindigd dienstverband met het B 3-lichaam. Dit is een verantwoordelijkheid die zich niet onderscheidt van die van andere werkgevers en werknemers die zelfstandig verantwoordelijk zijn voor het overleg over een pensioentoezegging en voor het beheer van een pensioenfonds.

Door de collectieve waarde-overdracht zullen in voorkomend geval de bij de Stichting Pensioenfonds ABP opgebouwde aanspraken worden overgedragen aan het nieuwe fonds of de verzekeraar van het vertrekkende B 3-lichaam. Die aanspraken zijn op het moment van de overdracht volledig gedekt, zodat de startpositie van de nieuwe pensioenregeling in ieder geval gezond kan worden genoemd. Het is dan aan de betrokken sociale partners om die gezonde situatie te continueren, waarbij overigens het toezichtsregiem van de Pensioen- en spaarfondsenwet de nodige waarborgen biedt.

Door de leden van de CDA-fractie is gevraagd om een nadere uiteenzetting inzake de berekening van de overdrachtswaarden volgens de opgebouwde-rechten-methode, alsmede inzake het SDS- en het vier procentscircuit betreft.

Ter zake diene het volgende. In tegenstelling tot de lasten-en-baten-methode geeft de opgebouwde-rechten-methode per individu de waarde van de tot dan toe opgebouwde pensioenaanspraken. Zowel in het SDS-circuit als in het vier procentscircuit wordt voor de vaststelling van de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken een opgebouwde-rechten-methode toegepast. Een verschil tussen beide is gelegen in de toepassing van een rentestandskorting, een correctie voor het verschil in marktrente en rekenrente. De methode die in het vier procentscircuit wordt gevolgd, wordt langzaam maar zeker de standaard in Nederland.

Voor het overige kennen de verschillende overdrachtscircuits hun eigen specifieke technische kenmerken die moeilijk in een korte beschrijving zijn aan te geven. De doelstelling van de onderscheiden methodes is evenwel om zo veel als mogelijk pensioenbreuken als gevolg van het aanvaarden van een andere werkkring te voorkomen.

In aansluiting op het voorgaande werd door de leden van de CDA-fractie gevraagd om de inhoud van het synthesemodel bij de berekening van de normdekkingsgraad nog eens uit te leggen.

Het synthesemodel is gebaseerd op de gedachte dat bij de bepaling van het premiepercentage voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen er een synthese moet zijn tussen twee belangrijke doelstellingen. Enerzijds moet de financiering van de pensioenlasten op de lange termijn zijn veilig gesteld. Anderzijds moeten op ieder moment de opgebouwde rechten, met inachtneming van een veiligheidsmarge, zijn gegarandeerd. De gehanteerde veiligheidsmarge ten aanzien van de opgebouwde rechten vertaalt zich in de te hanteren normdekkingsgraad. Bij een normdekkingsgraad van 110 procent, zoals die door de Stichting Pensioenfonds ABP zal worden gehanteerd, wordt een veiligheidsmarge van tien procent aangehouden boven een honderd procent afdekking van de opgebouwde rechten. Met andere woorden: de normdekkingsgraad is dus niet de uitkomst van een berekening volgens het synthesemodel, maar is een van de criteria die bij de berekening van de pensioenpremie volgens het synthesemodel worden gehanteerd.

Door de leden van de fractie van het CDA werd met betrekking tot de Stichting USZO gewezen op een citaat uit «Het Financieele Dagblad» van 19 september jl. van de algemeen directeur van het ABP, drs. Neervens: «Bovendien is een deel van het geld al uitgegeven». Zij vroegen of het juist is dat in de uitgaven ter zake is vooruitgelopen op de totstandkoming van de wet.

Hierover wordt het volgende opgemerkt. Als onderdeel van de herziening van de uitvoering van de sociale zekerheid bij de overheid is in 1993 door de regering besloten de bestaande uitvoeringsorganisaties (DUO, UO, DSZM en SZ-bedrijf ABP) samen te voegen en te verzelfstandigen. Daarnaast is door de regering besloten het overheidspersoneel per 1 januari 1996 onder de werking van de wettelijke werknemersverzekeringen te brengen. Deze laatste datum is door de huidige regering wegens uitvoeringstechnische redenen gesteld op 1 januari 1998.

Ter realisering van deze besluiten zijn in 1994 en 1995 voorbereidende activiteiten verricht. Zo is dit jaar gewerkt aan de invulling van de centrale staf van de Stichting USZO en de realisatie van het geautomatiseerde systeem ter uitvoering van de WAO-conforme regeling. Aan dit voorbereidingstraject zijn uiteraard kosten verbonden. De invoeringsuitgaven voor de jaren 1994 tot en met 1998 zijn becijferd op f 183,5 miljoen. De uitgaven ad f 23 mln die in 1994 zijn gedaan en die voor 1995 zijn geraamd op f 66,3 miljoen, zijn te beschouwen als noodzakelijk voor de totstandkoming van de Stichting USZO en voor de uitvoering van de WAO-conforme regeling per 1 januari 1996.

De uitgaven voor het jaar 1994 zijn tijdens de begrotingsuitvoering 1994 door de beide Kamers geautoriseerd. Ter dekking van de geraamde uitgaven voor 1995 heeft de regering afgelopen voorjaar besloten een bedrag van f 60 miljoen als voorschot aan de begroting van Binnenlandse Zaken toe te voegen. In het eerste suppletoire begrotingsvoorstel 1995 is dit ter goedkeuring aan de beide Kamers voorgelegd, die dat voorstel hebben aanvaard (zie Stb. 1995, 469). Daarmee is recht gedaan aan het budgetrecht van de beide Kamers.

De leden van de CDA-fractie wensten te vernemen of door de regering ambtenaren als bestuursleden van de Stichting USZO kunnen worden aangewezen. Zij verwezen daarbij naar de nota inzake commissarissen van overheidswege en naar de dissertatie van mr. J.R. Glasz.

De bestuursorganen van de Stichting USZO zullen zijn de directie, die optreedt als bestuur, en de Raad van Toezicht.

In de concept-statuten van de op te richten stichting wordt bepaald dat de directie bestaat uit een door de Raad van Toezicht van de Stichting USZO vast te stellen aantal leden. De leden van de directie worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Raad van Toezicht.

De Raad van Toezicht USZO, die zal bestaan uit twaalf leden, kent tot 1 januari 1998 een paritaire samenstelling. Zes leden worden benoemd door het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (VSO) en zes leden worden benoemd door de centrales van overheidspersoneel. Na 1 januari 1998 zal de Raad van Toezicht op een marktconforme wijze worden samengesteld.

Zoals uit het voorgaande blijkt worden de bestuursleden van de Stichting USZO, of het nu gaat om leden van de directie of leden van de Raad van Toezicht, niet door de regering aangewezen. Voor zover het de leden van de Raad van Toezicht betreft die door het VSO worden benoemd, gaat het om een benoeming door een werkgeversorganisatie, niet om een benoeming van overheidswege. De door de VSO benoemde leden verkeren derhalve niet in de positie van de commissaris van overheidswege. De nota waarnaar de leden van de CDA-fractie verwezen (Kamerstukken II 1990/91, 22 064, nr. 2) en het proefschrift van mr. Glasz lijken derhalve in dezen niet relevant.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of de nieuwe vormgeving van het ABP nog van invloed is op de discussie over het wel of niet betrekken van de ABP-reserves bij de berekening van de staatsschuld als een van de EMU-criteria.

Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. Het ABP is, evenals de andere Nederlandse pensioenfondsen, op grond van internationaal overeengekomen statistische afbakeningscriteria ingedeeld in de sector financiële bedrijven. De voorgestelde privatisering is op die indeling niet van invloed. Het schuldcriterium volgens het Verdrag van Maastricht heeft uitsluitend betrekking op de (bruto) schuld van de sector overheid.

De leden van de PvdA-fractie wensten voorts een uiteenzetting omtrent de vraag of de privatisering van het ABP niet te ver gaat, indien de overheidsinvloed zich beperkt tot die van werkgever. Zij wezen in dat verband op de omvang van het fonds, ook in relatie tot de omvang van de Amsterdamse Beurs.

De omvang van het door het ABP belegde vermogen dan wel van de jaarlijks door het ABP te beleggen middelen wordt door de privatisering op zich niet beïnvloed. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat het beleggingsbeleid van het ABP na de privatisering, in vergelijking tot de huidige situatie, zal leiden tot niet gewenste macro-economische gevolgen.

Waar in de vraagstelling verwezen wordt naar de beleggingsmogelijkheden van het ABP in relatie tot de omvang van de Amsterdamse Beurs, is het van belang op te merken dat de privatisering juist betere voorwaarden schept voor een zo goed mogelijke diversificatie en spreiding van de beleggingen van het ABP. Met name geldt dit voor zowel de mogelijkheden tot het beleggen in zakelijk waarden, als de keuze van verschillende valuta's. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat het ABP functioneert op een open kapitaalmarkt.

Gezien het voorgaande is er op grond van financiële overwegingen geen reden voor de conclusie dat de privatisering van het ABP een niet verantwoorde stap zou zijn.

De leden van de fracties van D66 en GroenLinks merkten op dat het eventueel weglopen van groepen deelnemers een logisch gevolg is van een geprivatiseerd ABP. Zij stelden dat het de vraag is of daardoor de wachtkamers van het ABP in gevaar komen. Zij vroegen naar de visie van de regering ter zake.

De privatisering van het ABP heeft naar onze mening niet het direkte gevolg dat groepen deelnemers bij het ABP zullen vertrekken. In de eerste plaats is er sprake van een verplichte deelneming tot aan 1 januari 2001. Voor zover het gaat om B 3-lichamen, die voor die datum al de aansluiting bij de Stichting Pensioenfonds ABP kunnen doen beëindigen, moet worden bedacht dat deze lichamen op het gezamenlijke verzoek van het bestuur van het desbetreffende lichaam en van het bij dat lichaam in dienst zijnde personeel is aangewezen als lichaam waarvan het personeel ambtenaar in de zin van de Abp-wet is. Met andere woorden: de sociale partners van de B 3-lichamen hebben zelf om toetreding tot het ABP verzocht.

Bovendien geldt dat de pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds ABP als een redelijk goede regeling kan worden aangemerkt. Gevoegd bij de schaalvoordelen die optreden bij een groot pensioenfonds en die van betekenis zijn voor zowel de kostprijs van het pensioenpakket, als de voordelen die de deelnemer aan de deelneming in dat grote fonds ontleent (onder andere het vermijden van pensioenbreuken bij wisseling van dienstbetrekking), lijken er goede argumenten te zijn om de aansluiting bij de Stichting Pensioenfonds ABP te bestendigen.

Afgezien van de vraag wat de hier aan het woord zijnde leden precies bedoelen met de «wachtkamers van het ABP», worden door de regering de zorgen die zij daarvoor hebben derhalve niet gedeeld vanwege het verschil van inzicht inzake de uitgangsstelling.

De leden van de fracties van de SGP, de RPF en het GPV vroegen of in het kader van de privatisering van het ABP is onderzocht of er behoefte bestaat aan een gewetensbezwaardenregeling.

Aan de gewetensbezwaardenregeling is gedacht. Verwezen wordt naar artikel 21, tweede lid, van de voorgestelde Wet privatisering ABP. Van de verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP kan wegens gewetensbezwaren tegen elke vorm van verzekering vrijstelling worden verleend.

De hier aan het woord zijnde leden wezen in dit verband ook op de inhoudingen die ingevolge de Wet FVP/ABP zijn ingevoerd. Deze inhoudingen kunnen evenwel niet worden aangemerkt als premies. Het zijn tijdelijke inkomensmaatregelen die er op gericht zijn het bruto-netto-traject inzake de salarissen van overheidswerknemers gelijk te maken aan dat inzake de salarissen van werknemers in de marktsector. Dit met het oog op het voorkomen van pensioeneffecten op het moment dat het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen zal zijn gebracht. Op deze kwestie is overigens reeds in een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 april 1994 ingegaan naar aanleiding van een door het Tweede Kamerlid Van der Vlies ingediende motie in het kader van de behandeling van de Wet FVP/ABP (Kamerstukken II 1993/94, 23 442, nr. 16).

De heer Bierman vroeg of de overheid als werkgever niet een speciale verantwoordelijkheid jegens (potentiële) pensioengerechtigden heeft om het privatiseringsproces betreffende het ABP met de grootst mogelijke zorg te omkleden en zo weinig mogelijk onrust bij betrokkenen op te roepen.

Naar de mening van de regering is dit geen speciale verantwoordelijkheid van de overheid als werkgever. Het is een verantwoordelijkheid die op iedere werkgever rust die wenst te komen tot een andere regeling en onderbrenging van de pensioenaanspraken van zijn personeel.

Hieraan wordt toegevoegd dat de overheidswerkgevers zich met betrekking tot de privatisering van het ABP die verantwoordelijkheid zeer wel bewust zijn. Gedurende het gehele proces dat heeft geleid tot de stand van zaken tot nu toe, is er dan ook sprake geweest van een intensief en open overleg met de centrales van overheidspersoneel.

Voorts is er op toegezien dat de belanghebbenden zullen worden geïnformeerd. Dit heeft ten aanzien van de aspecten die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de aanspraken ingevolge de Abp-wet en voor de omrekening daarvan naar aanspraken ingevolge het pensioenreglement, dan ook geleid tot dwingende regelingen inzake het informeren van de belanghebbenden. Bovendien dient bepaalde informatie van een toereikende toelichting te zijn voorzien.

2. Samenhang met andere operaties

2.1. Wet kaderregeling vut overheidspersoneel

De leden van de CDA-fractie wezen er op dat in de memorie van toelichting bij de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel geen aandacht is besteed aan de budgettaire consequenties van het wetsvoorstel. Zij wezen op de verplichtingen ingevolge de Comptabiliteitswet en stelden daarover enkele vragen.

Hieromtrent wordt het volgende opgemerkt. Hetgeen met de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel wordt beoogd, kort gezegd: een juridische systeemwijziging, heeft als zodanig geen financiële gevolgen voor het Rijk. Erkend wordt dat ten onrechte is verzuimd dit uitdrukkelijk in de memorie van toelichting te vermelden. De vraag of de budgettaire consequenties van de Wet FVP/ABP hadden moeten worden vermeld, dient evenwel ontkennend te worden beantwoord. Die consequenties houden geen verband met de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel.

De leden van de CDA-fractie vroegen of artikel 11 van de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel gevolgen had voor de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken of voor die van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Artikel 11, eerste lid, van het onderhavige wetsvoorstel bevat een wijziging van artikel 11, tweede lid, van de Wet FVP/ABP. Die bepaling luidt: «Het Vut-fonds heeft ten doel de middelen bijeen te brengen en te beheren, die nodig zijn voor de dekking van de uitgaven van het ABP ter zake van de uitvoering van de Vut-wet.» Bij de voorgestelde wijziging wordt daaraan toegevoegd: «de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel en de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel II».

Uitkeringen op grond van die wetten, zogenaamde dop-uitkeringen, zijn in wezen vut-uitkeringen. De financiering ervan was vanouds verweven met die van de vut-uitkeringen. Dat wil zeggen dat de kosten van uitkeringen aan personen jonger dan 61 jaar door het Rijk (het ministerie van Binnenlandse Zaken onderscheidenlijk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen), of door andere lichamen, volledig worden vergoed aan het ABP en dat de overige kosten van vut- en dop-uitkeringen ten laste blijven van het ABP. Dit laatste dan behoudens de vaste vergoeding, met indexatie, van het Rijk ingevolge artikel 18 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden, zoals die wet luidde tot 1 januari 1995.

Artikel 11 van het wetsvoorstel strekt ertoe om buiten twijfel te stellen dat ook de dop-uitkeringen in het door de Wet FVP/ABP ingevoerde omslagstelsel worden betrokken. Materieel heeft het artikel dan ook geen financiële gevolgen als door de leden van de CDA-fractie bedoeld. Evenmin is er sprake van een wijziging ten opzichte van het Convenant privatisering ABP.

De leden van de CDA-fractie stelden vragen over de opmerking in de memorie van toelichting bij de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, dat het geen bezwaar is dat de beoogde partijen bij een vut-overeenkomst – hoewel zij niet alle rechtspersoonlijkheid hebben – binnen het met dit wetsvoorstel te scheppen kader zelfstandig als bevoegde rechtssubjecten worden beschouwd. Gevraagd werd of er overeenkomstige bepalingen in andere wetten zijn.

Zulke bepalingen bestaan, voor zover thans bekend, niet. Dat hoeft evenwel geen verwondering te wekken, aangezien het hier gaat om een betrekkelijk unieke operatie, te weten het mogelijk maken dat delen van de rechtspositie van ambtenaren op privaatrechtelijke wijze worden geregeld. Wel kan gewezen worden op wettelijke bepalingen waarin aan bepaalde maatschappelijke entiteiten een beperkte processuele bevoegdheid wordt verleend. In dit verband kan de ondernemingsraad worden genoemd, die op grond van artikel 36, tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden bepaalde verzoeken kan doen aan de kantonrechter. Verder kan worden gewezen op de Commissie gelijke behandeling, die op grond van artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling bepaalde vorderingen kan instellen.

Waar het in het onderhavige wetsvoorstel om gaat, is dat aan sectorwerkgevers en centrales, als representatieve entiteiten in arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheden, wordt toevertrouwd om bij overeenkomst bepaalde onderwerpen te regelen. Dat zij niet alle rechtspersoonlijkheid hebben, is vermogensrechtelijk geen bezwaar, omdat zij geen rechten en verplichtingen voor zich zelf in het leven roepen.

Gezien het voorgaande is het niet goed voorstelbaar dat een sectorwerkgever of een centrale van overheidspersoneel eiser of gedaagde is in een procedure inzake de vut-regeling voor de burgerlijke rechter. Uitzondering hierop zal wellicht het geval kunnen zijn waarin het onderwerp van geschil wordt gevormd door de manier waarop partijen gebruikmaken van hun bevoegdheid inzake de totstandbrenging van een vut-regeling. In procedures waarbij het gaat om individuele rechten en verplichtingen, zal een sectorwerkgever of een centrale van overheidspersoneel niet met succes kunnen worden betrokken. Een (gewezen) personeelslid zal ter zake van zijn rechten en verplichtingen uit een vut-overeenkomst de uitvoerder van de overeenkomst in rechte kunnen aanspreken. Die uitvoerder is, zoals beoogd, vooralsnog het Vut-fonds of anders de eigen werkgever.

Het is niet mogelijk dat lopende uitkeringen door partijen worden beknot. Deze uitkeringen zullen worden beschermd door wettelijk overgangsrecht.

De leden van de CDA-fractie gaven te kennen behoefte te hebben aan een meer integrale formulering van artikel 9, derde en vierde lid, van de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel en stelden hierover enkele vragen.

Een integrale formulering van artikel 9, derde en vierde lid, zou de volgende kunnen zijn:

3. De lasten die voor het Vut-fonds ontstaan door artikel 8, tweede lid, van deze wet worden gedekt door:

a. bijdragen van de organen, bedoeld in artikel A 1, onderdeel d, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, met verhaal op de ambtenaren, bedoeld in de artikelen B 1, B 2 en B 3 van de evengenoemde wet, en op degenen die ambtenaar zijn ingevolge de krachtens artikel B 7, onderdeel b, van die wet gestelde regels;

b. vergoedingen aan het Vut-fonds van de kosten wegens uitkeringen aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 8, tweede lid, die jonger zijn dan 61 jaar maar niet hun recht op uitkering ontlenen aan artikel 3, eerste lid, vierde volzin van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (vut bij veertig dienstjaren).

Een vergoeding als bedoeld in de eerste volzin wordt verstrekt door een orgaan, als bedoeld in de eerste volzin, door of namens welke aan de belanghebbende, op wiens recht op uitkering de vergoeding betrekking heeft, ontslag werd verleend, tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin die belanghebbende de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Indien ten aanzien van een ambtenaar geen orgaan als bedoeld in de eerste volzin kan worden aangewezen, geldt als zodanig de instantie die de bezoldiging, of wat daarmee overeenkomt, betaalt.

4. De lasten die voor het Vut-fonds ontstaan door artikel 8, vierde lid, van deze wet worden gedekt overeenkomstig de dekking van de lasten, bedoeld in het derde lid. Het bestuur van het Vut-fonds bepaalt evenwel op verzoek van de gezamenlijke sectorwerkgevers en centrales dat vanaf een bij dat verzoek aan te geven tijdstip de bijdragen worden verstrekt door de organen die behoren tot de sector waaruit de belanghebbenden, bedoeld in artikel 8, vierde lid, afkomstig zijn.

Ter toelichting wordt hierbij opgemerkt dat, mede om tot uitdrukking te doen komen dat de financiering van de onderhavige vut-lasten zal plaatsvinden volgens het bij de Wet FVP/ABP geregelde omslagstelsel, begrippen uit die wet zijn gebruikt.

Omdat de Wet FVP/ABP verwijst naar begrippen uit de Abp-wet en de voorgestelde Wet privatisering ABP in de intrekking van de Abp-wet voorziet, wordt overwogen om in het voorstel inzake de Aanpassingswet privatisering ABP (Kamerstukken II 1995/96, 24 441, nrs. 1–2) alsnog een wijziging op te nemen van artikel 9, derde en vierde lid, van de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, indien deze tot wet is verheven. Die leden zouden dan kunnen komen te luiden als volgt:

3. De lasten die voor het Vut-fonds ontstaan door artikel 8, tweede lid, van deze wet worden gedekt door bijdragen van de overheids- en onderwijsinstellingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en van de instellingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, met verhaal op het personeel van die instellingen.

4. De lasten die voor het Vut-fonds ontstaan door artikel 8, vierde lid, van deze wet worden gedekt overeenkomstig de dekking van de lasten, bedoeld in het derde lid. Het bestuur van het Vut-fonds bepaalt evenwel op verzoek van de gezamenlijke sectorwerkgevers en centrales dat vanaf een bij dat verzoek aan te geven tijdstip de bijdragen worden verstrekt door de instellingen die behoren tot de sector waaruit de belanghebbenden, bedoeld in artikel 8, vierde lid, afkomstig zijn.

2.2. Wet Stichting USZO

De leden van de fractie van het CDA gaven aan dat zij waren geschrokken van de stand van zaken met betrekking tot het USZO-traject.

De regering heeft kennis genomen van de mededeling dat de leden van de CDA-fractie geschrokken waren van de stand van zaken met betrekking tot het USZO-project. De regering verwijst naar de recente beslisinformatie, meer in het bijzonder de meest recente stand van zaken zoals deze wordt weergegeven in de tweede voortgangsrapportage Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) en uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (USZO). Het is de bedoeling dat die voortgangsrapportage op 1 december 1995 wordt aangeboden aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Op grond van de tweede voortgangsrapportage en de daarbij aangedragen beslisinformatie komen wij tot de conclusie dat de oprichting van de Stichting USZO per 1 januari 1996 noodzakelijk is, onder de gelijktijdige aantekening dat de nog te overwinnen problemen ook nà die datum aanzienlijk zijn, doch ook dat in het laatste half jaar door een forse tussensprint van velen (medewerkers van de werkmaatschappijen en sociale partners) voor 1 januari 1996 zodanige condities zullen zijn geschapen dat verwacht mag worden:

– dat de uitvoering van de «going business» (huidige lopende werkzaamheden) verzekerd is;

– dat de verbeteringen uitgebouwd zullen worden;

– dat de voorbereiding op OOW (met als invoeringsdatum 1 januari 1998) zal plaatsvinden.

Uiteindelijk is voor ons doorslaggevend dat uitstel van de oprichting tot nà 1 januari 1996 contra-produktief zou zijn.

Voor de onderbouwing van onze hiervoor aangegeven conclusie verwijzen wij naar de inhoud van de tweede voortgangsrapportage OOW/USZO en naar hetgeen hierover verderop in deze memorie is vermeld.

Ook vroegen de hier aan het woord zijnde leden hoe de regering de uitkeringen ter zake van de sociale zekerheid behandelt, indien de Wet Stichting USZO niet tijdig wordt vastgesteld en welke wetsgrond de regering alsdan daartoe heeft.

Indien de Stichting USZO niet op tijd, dat wil zeggen per 1 januari 1996, kan worden opgericht, wordt zoals hierboven in het algemeen deel aangegeven tijdelijk de Stichting USZO/AOV opgericht, die de WAO-conforme regeling zal uitvoeren. De wetsgrond hiervoor is de Wet privatisering ABP. In het hier bedoelde geval blijft voor de uitvoering van de regelingen ter zake van ontslag en werkloosheid tijdelijk de huidige situatie gehandhaafd.

De leden van de CDA-fractie wensten te vernemen welke stappen de regering heeft gezet vooruitlopend op vaststelling van de Wet Stichting USZO. Tevens vroegen zij hoe de regering, indien daarvan inderdaad sprake is, dat rijmen kan met het budgetrecht van de Eerste Kamer, met eerder daarover gedane uitspraken en een daaraan gewijde motie.

Op de vraag welke stappen zijn gezet vooruitlopend op de vaststelling van de Wet Stichting USZO, is reeds in het algemeen deel ingegaan. Tevens is daar aangegeven op welke manier is voorzien in de wettelijke goedkeuring van de daarmee gepaard gaande uitgaven en dat het budgetrecht van beide Kamers volkomen is gerespecteerd. Bij deze uitgaven gaat het hier dus niet om autorisatie van verplichtingen en uitgaven achteraf, waarover in de bewuste motie van de Eerste Kamer wordt gesproken.

Door de leden van de fractie van het CDA werd naar voren gebracht dat de paragraaf in de memorie van toelichting met betrekking tot de financiële gevolgen van de voorgestelde Wet Stichting USZO deze leden had verbaasd, omdat geen enkel bedrag wordt genoemd, ook niet waar het gaat om de gevolgen voor de rijksbegroting. Zij stelden hierover verschillende vragen.

Ter zake wordt het volgende opgemerkt. Op het moment dat de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel werd opgesteld, bestond er weliswaar op hoofdlijnen inzicht in de financiële aspecten, doch te weinig in detail om een indicatieve openingsbalans te kunnen opstellen. Inmiddels is door de projectdirectie USZO in overleg met de fusiepartners een door de Raad van Toezicht i.o. geaccordeerde, indicatieve openingsbalans en een exploitatiebegroting voor het jaar 1996 opgesteld. Op die indicatieve openingsbalans zijn de meeste P.M.-posten ingevuld.

Wat de onderscheiden posten betreft kan het volgende worden aangegeven. Aangezien de materiële activa om niet worden overgedragen en uitgangspunt is dat aan de Stichting USZO geen werkkapitaal wordt meegegeven, is wat de vermogensstructuur betreft uitgegaan van 100 procent eigen vermogen. De inbrengwaarde van de materiële activa zal worden vastgesteld door een externe taxateur, aan te wijzen door de dienst der Domeinen. Nadat deze waarde is vastgesteld, alsmede de omvang van de debiteuren, crediteuren, overlopende posten en de omvang van de voorzieningen, zal de definitieve openingsbalans worden opgesteld en gecertificeerd. De indicatieve openingsbalans is als bijlage opgenomen bij de tweede voortgangsrapportage OOW/USZO.

Bij de Voorjaarsnota 1995 is een bedrag van f 60 miljoen aan de begroting van Binnenlandse Zaken als voorschot toegevoegd voor de invoeringskosten. De projectdirectie van USZO rapporteert maandelijks over de voortgang van het project, uiteindelijk aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Uit de maandrapportage oktober 1995 blijkt dat naar alle waarschijnlijkheid het voor 1995 begrote bedrag van f 66,3 miljoen niet geheel benodigd is. Zeker is dat echter nog niet. Voorlopig wordt er vanuit gegaan dat de invoeringsuitgaven dit jaar binnen het voorschot van f 60 miljoen zullen blijven. Bij het opstellen van de rekening over 1995 zal definitief duidelijk zijn hoe hoog de invoeringsuitgaven in 1995 zijn uitgekomen.

De invoeringsuitgaven worden in 1995 voorgefinancierd door de rijksoverheid. In het eerste suppletoire begrotingsvoorstel 1995 zijn deze uitgaven door de Tweede en Eerste Kamer geautoriseerd. Het gaat hier om het begrotingsartikel 07.19 Samenvoeging uitvoeringsorganisaties sociale zekerheid overheidspersoneel (USZO), op de begroting van Binnenlandse Zaken.

Over de voorgefinancierde invoeringsuitgaven 1995 heeft de regering besloten deze uitgaven in 1996 en 1997 jaarlijks voor de helft via de premies en declaraties te verrekenen. Uitgaande van de f 60 miljoen invoeringsuitgaven 1995 leidt dit voor de jaren 1996 tot en met 1998 tot het in tabel 8 weergegeven financieringsbeeld.

Tabel 8 Financiering invoeringsuitgaven USZO in miljoenen guldens

 199619971998
Invoeringsuitgaven46,543,84,0
Financiering kosten 199530,030,0 
Totaal76,573,84,0

Een onderverdeling naar de WAO/arbeidsongeschiktheidsregelingen en de WW/wachtgeldregelingen is opgenomen in onderstaande tabel 9.

Tabel 9 Invoeringsuitgaven WAO en WW in miljoenen guldens

 199619971998
WAO29,924,41,7
WW46,649,42,3
Totaal76,573,84,0

De kosten toegedeeld aan de WAO zullen worden verdeeld naar rato van de (geraamde) programma-uitgaven voor 1996 bij het FAOP, ABP (inzake bovenwettelijke IP) en Defensie.

De kosten toegedeeld aan de WW zullen naar rato van de (verwachte) bestanden ultimo 1996 bij de opdrachtgevers in rekening worden gebracht.

De Stichting USZO krijgt, op basis van de concept-statuten, de bevoegdheid langlopend geld te lenen.

Door de leden van de fractie van het CDA is gevraagd wat de stand van zaken is met betrekking tot de voorgenomen samenvoeging van de verschillende diensten.

De startsituatie per 1 januari 1996 zal een stichting zijn met een aantal onderdelen, te weten USZO Groningen (voorheen UO), USZO Zoetermeer (voorheen DUO), USZO Defensie (voorheen DSZM), USZO Heerlen (voorheen het SZ-bedrijf) en de districtskantoren. De samenstellende onderdelen van de Stichting USZO zullen in de loop van de komende jaren integreren. In de loop van 1996 en 1997 zal derhalve de materiële fusie worden geëffectueerd door een verdere regionalisatie van de uitvoering.

Vanuit het USZO-hoofdkantoor in Heerlen zal, onder leiding van de USZO-directie, worden zorggedragen voor de coördinatie en de aansturing van de gedecentraliseerde uitvoering.

De leden van de fractie van het CDA spraken hun verbazing uit over het gegeven dat de memorie van toelichting geen informatie verstrekte over de aantallen ambtenaren die in deze privatiseringsoperatie zouden overgaan. Zij wilden weten waarom de regering die informatie niet heeft verstrekt.

In de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer inzake de Wet Stichting USZO zijn de meest recente gegevens weergegeven. Van het personeel van de vier uitvoeringsinstellingen dat over zal gaan naar de Stichting USZO, is hieronder in tabel 10 de samenstelling aangegeven. Het gaat hierbij om personeelsleden van de uitvoeringsinstellingen, die in de maand september of oktober 1995 een arbeidsovereenkomst met de Stichting USZO aangeboden hebben gekregen.

Tabel 10 Overzicht personeel Stichting USZO

 DUOUODSZMSZ-bedr.Totaal
 BiZaIB-grp.Def. ABP 
Totaal2671872279661 649
Vast1851861949271 480
Tijdelijk8213339169

Onderzoek heeft uitgewezen dat de Stichting USZO, teneinde haar taken na 1 januari 1996 naar behoren te kunnen vervullen, behoefte heeft aan versterking van het personeelsbestand. De Stichting USZO zal immers nieuwe taken op het gebied van het volume- en handhavingsbeleid ter hand nemen en bovendien de reeds ontwikkelde inspanningen op dat gebied intensiveren. Voorts zal de Stichting USZO haar taken dichter bij de cliënt, in de districtskantoren, gaan verrichten. Het huidige personeelsbestand blijkt, tenminste tijdelijk, ontoereikend om die deels nieuwe en deels geïntensiveerde taken adequaat ter hand te kunnen nemen.

Voorts wordt opgemerkt dat de huidige uitvoeringsorganisaties op dit moment voorwaardenscheppende en ondersteunende taken veelal betrekken van de basisorganisaties waarvan zij thans deel uitmaken. Dit betekent dan ook dat, nog los van de hiervoor aangegeven overwegingen, een beperkte uitbreiding ten opzichte van het huidige aantal werknemers bij de uitvoeringsinstellingen noodzakelijk zal zijn.

Het was de leden van de fractie van het CDA opgevallen dat de voorgestelde Wet Stichting USZO vooral artikelen bevat die de overgang van het personeel betreffen. Zij vroegen of er niet uitvoeriger wetsbepalingen nodig zijn om de geprivatiseerde en gefuseerde diensten te regelen.

De regering kan de leden van de CDA-fractie op dit punt gerust stellen. Er zijn geen uitvoeriger wetsbepalingen nodig. Het doel van de toekomstige stichting dient in de wet te worden geregeld. Het doel van de Stichting USZO staat vermeld in artikel 2, tweede lid.

Nadere afspraken over de uitvoering van bepaalde regelingen zullen tussen de desbetreffende opdrachtgever en de Stichting USZO bij overeenkomst worden gemaakt, hetgeen in de marktsector in de toekomst gebruikelijk zal zijn.

Door de leden van de fractie van het CDA is gevraagd wie het bestuur van de nieuwe stichting vormt en welke onafhankelijkheid van de Staat daarbij in acht wordt genomen.

In het algemeen deel is reeds op de samenstelling van het bestuur van de Stichting USZO ingegaan. In aanvulling daarop wordt het volgende opgemerkt.

In de statuten van de Stichting USZO wordt, vooruitlopend op de erkenningsvoorwaarden van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bepaald dat het lidmaatschap van de directie niet verenigbaar is met de functie van bestuurder of werknemer van het FAOP/NBVO in oprichting. Indien de directie van de stichting uit meer dan één lid bestaat, benoemt de Raad van Toezicht één van de leden van de directie tot voorzitter.

Tot lid van de Raad van Toezicht kunnen uitsluitend natuurlijke personen worden benoemd die geen lid zijn van de directie en niet in een gezagsverhouding staan tot de directie en die evenmin bestuurder of werknemer zijn van het FAOP.

Met betrekking tot de taakverdeling tussen de directie en de Raad van Toezicht is in de concept-statuten opgenomen dat de directie de stichting bestuurt met inachtneming van een door de Raad van Toezicht vast te stellen reglement. In het concept van dat reglement is neergelegd dat het aan de Raad van Toezicht is voorbehouden om het tweejaarlijkse strategische plan vast te stellen. Verder behoeft een besluit tot het aangaan van een strategische samenwerking met een andere instantie de goedkeuring van de Raad van Toezicht. Het sluiten van een overeenkomst met een opdrachtgever behoeft eveneens de instemming van de Raad van Toezicht, indien het bedrag van de vergoeding op jaarbasis de 10 miljoen te boven gaat. Jaarlijks dient de directie de begroting en het activiteitenplan voor te leggen aan de Raad van Toezicht.

De directie van de Stichting USZO en de Raad van Toezicht USZO zijn onafhankelijk ten opzichte van de Staat. Zo zal de Minister van Binnenlandse Zaken in de toekomstige Raad van Toezicht USZO vertegenwoordigd zijn vanuit zijn rol als sectorwerkgever/sociale partner (voor de sectoren Rijk en Politie) en niet vanuit zijn rol als coördinerend en verantwoordelijk bewindspersoon.

De Minister van Binnenlandse Zaken heeft recentelijk, in overleg met de Raad van Toezicht i.o., de algemeen directeur benoemd.

Los hiervan merkt de regering, ten overvloede, op dat de Minister van Binnenlandse Zaken een eigen verantwoordelijkheid houdt vanuit zijn rol als bewindspersoon, belast met de voorbereiding van de OOW.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een uiteenzetting inzake de BTW-verplichting voor de Stichting USZO en voor andere uitvoeringsorganisaties.

Hieromtrent kan het volgende worden opgemerkt. Door de privatisering in de vorm van een stichting komt de Stichting USZO zodanig los te staan van de overheid dat deze stichting ten opzichte van de overheid als onafhankelijke derde moet worden aangemerkt. Hiermee treedt wat de BTW betreft de Stichting USZO voor haar werkzaamheden op als ondernemer.

Gezien echter de wijze van samenwerking, de aard van de werkzaamheden en het feit dat de Stichting USZO van degenen die in deze stichting samenwerken slechts terugbetaling zal vragen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, vallen de diensten van de Stichting USZO onder de BTW-vrijstelling voor samenwerkingsverbanden van vrijgestelde of niet-ondernemers (artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet op de omzetbelasting 1968). Als samenwerkenden worden in dit verband aangemerkt de opdrachtgevers, zoals genoemd in de paragraaf «Gevolgen van de rijksbegroting» van de memorie van toelichting bij de voorgestelde Wet Stichting USZO.

Tegenover deze vrijstelling staat dat geen aftrek van voorbelasting zal kunnen plaats vinden voor de ten behoeve van de vrijgestelde prestaties gebezigde goederen en diensten.

De diensten die de Stichting USZO jegens derden verricht, dus anderen dan degenen die samenwerken in deze stichting, vallen niet onder een BTW-vrijstelling.

Wat de BTW-verplichtingen voor andere uitvoeringsorganisaties betreft, is het volgende van belang. Ingevolge de nieuwe Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) moeten de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen de aan de uitvoering van de werknemersverzekeringen verbonden taken volledig afstoten. Nadat deze ontvlechting een feit is, moeten de bedrijfsverenigingen de voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen noodzakelijke werkzaamheden op contractbasis betrekken van de zogenaamde uitvoeringsinstellingen. De huidige positie van de uitvoeringsinstellingen zal wezenlijk veranderen. Daarmee verandert ook de fiscale positie van de uitvoeringsinstellingen. Vanaf 1 januari 1996 zullen de erkende uitvoeringsinstellingen in de relatie met de bedrijfsverenigingen steeds optreden in het economische verkeer, terwijl de uitvoeringsinstellingen niet langer kunnen worden aangemerkt als een samenwerkingsverband van bedrijfsverenigingen.

De juridische, financiële en bestuurlijke banden tussen de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstelling worden overeenkomstig de Osv volledig verbroken. Dit was reden om de omzetbelastingtechnische positie van de uitvoeringsinstellingen opnieuw te bezien. De wetgeving ter zake kent geen vrijstelling voor de diensten die de erkende uitvoeringsinstellingen zullen gaan verrichten. Dit betekent dat zonder nadere voorziening de erkende uitvoeringsinstellingen ter zake van hun prestaties jegens de bedrijfsverenigingen omzetbelasting in rekening zouden moeten brengen. De Staatssecretaris van Financiën heeft echter te kennen gegeven dat hij nog eens wil bezien wat de exacte reikwijdte is van artikel 13, A, eerste lid, onderdeel g, van de Zesde richtlijn inzake de omzetbelasting. Bij de aldaar genoemde vrijstellingsbepaling gaat het onder andere om prestaties die nauw samenhangen met de sociale zekerheid.

In afwachting van een definitief oordeel ter zake heeft de Staatssecretaris van Financiën er mee ingestemd dat gedurende de overgangsperiode, welke eindigt op 31 december 1999, de heffing van omzetbelasting ter zake van de activiteiten van de erkende uitvoeringsinstellingen jegens de bedrijfsverenigingen vooralsnog achterwege blijft, voor zover deze betrekking hebben op de wettelijke taken van de bedrijfsverenigingen.

De leden van de CDA-fractie merkten op dat artikel 4 van de voorgestelde Wet Stichting USZO de overgang van het personeel regelt en artikel 5 het eventuele beroep en ontslag. Zij vroegen in welke mate deze wet kan worden gebruikt voor het ontslaan van minder geschikt personeel.

De regering kan de leden van de CDA-fractie zonder voorbehoud meedelen dat deze wet niet kan worden gebruikt voor het ontslaan van minder geschikt personeel. De bedoeling van de artikelen vier en vijf is het garanderen van een zorgvuldige overgang van de thans bij de vier uitvoeringsorganisaties in dienst zijnde medewerkers. Hierbij zij opgemerkt dat op een enkeling na alle medewerkers na de privatisering dezelfde functie als thans zullen gaan uitoefenen. Voor het bepalen of een medewerker minder geschikt is, zijn thans en ook in de CAO van de Stichting USZO andere procedures voorgeschreven.

Ten slotte vroegen de leden van de CDA-fractie met betrekking tot de Stichting USZO of deze wordt bekostigd uit prijzen, verbonden aan de overeenkomst, of uit premies. Indien de bekostiging uit premies plaatsvindt, wensten zij tevens te vernemen, waar en hoe dat is geregeld.

De regering vraagt zich af of de term bekostiging in dit verband wel gebruikt zou moeten worden. Wat hier ook van zij, de wijze waarop de Stichting USZO geld ontvangt voor de apparaatskosten is de volgende. Uit het overzicht van activiteiten de Stichting USZO voor 1996 (bijlage 8 bij de tweede voortgangsrapportage OOW/USZO) blijkt dat deze in 1996 een betekenend aantal regelingen zal gaan uitvoeren. Ter zake van deze uitvoering is reeds een aantal contracten gesloten met diverse opdrachtgevers. Ten aanzien van een aantal andere contracten zijn de onderhandelingen nog niet afgerond. In deze contracten is uiteraard de vergoeding voor de Stichting USZO geregeld voor de te verrichten werkzaamheden. In de termen van de vragenstellers: de Stichting USZO wordt bekostigd uit prijzen verbonden aan de overeenkomst(en).

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of de regering al enig inzicht kan verschaffen in de organisatorische haalbaarheid van de datum 1 januari 1996 voor de start van de Stichting USZO.

Zonder hieromtrent garanties te kunnen geven, zijn naar de taxatie van de regering binnen de grenzen van het mogelijke en redelijke al die stappen gezet om een werkbare overdracht te doen plaatsvinden, waarbij uitgangspunt is dat de werkmaatschappijen hun taken op het terrein van de primaire processen ten minste even goed zullen uitoefenen als in de huidige situatie. Met andere woorden de regering meent dat de USZO-organisatie gereed is om per 1 januari 1996 van start te gaan. Voor een meer uitvoerige beschouwing van de regering over deze problematiek wordt verwezen naar de tweede voortgangsrapportage OOW en USZO.

De leden van de fractie van D66 stelden de vraag of de huidige (administratieve) organisatie van de organen DUO en UO geen reden is om voorshands bij de uitvoering van de wet te kiezen voor een start met een smalle variant.

Deze vraag wordt door de regering ontkennend beantwoord. Starten met een smalle variant leidt tot uitstel van de Stichting USZO. Uitstel zou alleen dan beter uitpakken dan het voorstel van de regering, indien de problemen bij de verschillende uitvoeringsorganisaties daardoor minder zouden worden en indien de voorbereiding van de invoering van de OOW per 1 januari 1998 onverminderd zou kunnen worden voortgezet. De ervaring bij de huidige fusiepartners, met name bij UO en DUO, leert dat de operationele problemen hardnekkig zijn. Een goedkeurende accountantsverklaring is waarschijnlijk over 1995 nog niet te verwachten. Uitstel onder handhaving van de overige condities zal ons slechts marginaal verder helpen.

De regering is ervan overtuigd dat uitstel afbreuk doet aan de hoogst noodzakelijke oriëntatie van de vier basisorganisaties op de Stichting USZO. Uitstel zal derhalve het integratieproces belemmeren. De regering acht het effectiever om zo snel mogelijk een nieuwe organisatie de problemen te laten oplossen. Deze opvatting wordt versterkt door de conclusie van de gezamenlijke accountants in de managementletter USZO (zie de tweede voortgangsrapportage). Zij stellen vast dat elke fusiepartner specifieke kennis heeft op een bepaald gebied. De andere partners kunnen deze kennis gebruiken om verbeteringen aan te brengen. Naar het oordeel van de gezamenlijke accountants is deze kennis van groot belang voor het welslagen van de Stichting USZO. De fusiepartners kunnen elkaar positief beïnvloeden, hetgeen naar de opvatting van de gezamenlijke accountants de kwaliteit van de partners zelf en die van de Stichting USZO ten goede komt. De regering onderschrijft dit.

Alles afwegend is naar het oordeel van de regering de oprichting van de Stichting USZO per 1 januari 1996, gegeven de thans geldende omstandigheden, de beste stap naar een betere en uiteindelijk goed functionerende uitvoeringsorganisatie.

Zowel de leden van de D66-fractie als het lid Bierman stelden de vraag of wel gekomen zou moeten worden tot de oprichting van de Stichting USZO. Zou niet beter een andere instantie met de uitvoering kunnen worden belast, zo vroegen deze leden zich af.

In de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer inzake de voorgestelde Wet Stichting USZO (paragraaf 4, blz. 7 tot en met 12), tijdens de mondelinge behandeling van dat wetsvoorstel in de Tweede Kamer en in de tweede voortgangsrapportage inzake OOW en USZO is uitvoerig ingegaan op de mogelijke alternatieven voor de Stichting USZO. Er zijn twee alternatieven onderkend. Het ene alternatief gaat uit van aansluiting bij een andere, bestaande uitvoeringsinstelling in de marktsector. Het andere alternatief gaat, zoals hierboven reeds is aangegeven, uit van uitstel van de oprichting van de Stichting USZO onder instandhouding van de huidige uitvoeringsorganisaties binnen de overheidssector. Ons oordeel over beide alternatieven is helder: geen van beide alternatieven levert naar onze mening een substantieel voordeel op in vergelijking met de Stichting USZO.

De regering benadrukt dat destijds een reële afweging is gemaakt en is gekozen voor verwezenlijking van de Stichting USZO. De regering is van mening dat er inmiddels geen alternatieven voor die stichting zijn. Volgens de regering is er geen reden waarom de oprichting van de Stichting USZO zou moeten worden vermeden. De regering is van opvatting dat oprichting van de Stichting USZO per 1 januari 1996 noodzakelijk is onder de gelijktijdige aantekening dat de nog te overwinnen problemen ook na 1 januari 1996 aanzienlijk zijn.

2.3. Invoering partnerpensioen

De leden van de fractie van het CDA vroegen of het niet mogelijk was geweest de onderhavige materie later met terugwerkende kracht te regelen.

De vraag wordt aldus begrepen dat deze leden vroegen of deze materie niet aan het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP overgelaten had kunnen worden. Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. Op het moment dat overeenstemming werd bereikt in het CGOA over de invoering per 1 juli 1994 van het partnerpensioen voor het overheidspersoneel, op 4 mei 1994, was de Abp-wet nog van kracht. Wijziging van de Abp-wet was derhalve in de eerste plaats noodzakelijk teneinde een wettelijke basis te verlenen aan de toekenning vanaf 1 juli 1994 van nabestaandenpensioen aan nabestaanden die samenleefden met een ambtenaar in de zin van de Abp-wet, maar niet met deze gehuwd waren.

In de tweede plaats was en is een belangrijk element van de regeling dat de betrokken ambtenaar zijn of haar partner moet aanmelden bij het pensioenfonds om bij zijn of haar vooroverlijden recht op nabestaandenpensioen voor de partner te kunnen laten ontstaan. Deze aanmelding dient plaats te hebben voor ontslag (tenzij sprake is van een der nauw omschreven uitzonderingen). Bij de aanmelding dient aan alle betreffende voorwaarden te zijn voldaan; op dat moment kan een en ander ook eenvoudig worden getoetst. Een toetsing achteraf kan aanzienlijke uitvoerings- en bewijsproblemen met zich brengen, problemen die groter zijn naarmate de periode van terugwerkende kracht langer is.

Ten slotte zou het niet bepaald getuigen van goed bestuur om, nadat de Minister van Binnenlandse Zaken met de centrales van overheidspersoneel in het centraal georganiseerd overleg in ambtenarenzaken tot een akkoord was gekomen over het partnerpensioen, vervolgens ruim anderhalf jaar niets te doen en ook alle betrokkenen in onzekerheid te laten.

De leden van deze fractie vroegen tevens waarom het wetsvoorstel inzake het partnerpensioen niet geldt voor een ouder die met zijn of haar kind samenwoont en waarbij dat kind de ouder verzorgt.

In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag is uitgebreid stilgestaan bij de keuze voor de doelgroep voor het partnerpensioen. Hier wordt nog het volgende opgemerkt. De doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel is om uitzicht of recht op nabestaandenpensioen te bieden aan de nabestaanden van (gewezen) ambtenaren in de zin van de Abp-wet, welke nabestaanden niet met die (gewezen) ambtenaren waren gehuwd, maar samenleefden in een relatievorm die met die van gehuwden te vergelijken is qua onderlinge zorg en verantwoordelijkheid. Alhoewel niet ontkend wordt dat buiten huwelijks- en partnerrelaties ook andere verzorgingsrelaties kunnen bestaan, is het uitdrukkelijk niet de bedoeling geweest om een algemeen verzorgingspensioen in het leven te roepen. Bij samenlevingsrelaties in de rechte lijn, waarbij een kind de (groot)ouder verzorgt, kan niet worden gesproken van een gelijkwaardige relatie, zoals bij gehuwden het geval is. Bij het bepalen van de doelgroep voor het partnerpensioen heeft ook meegewogen hetgeen in de marktsector in deze gebruikelijk is.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of de regering al bij de sociale partners heeft aangedrongen op terugwerkende kracht van het partnerpensioen tot 1990 en, zo ja, wat het resultaat is van dat overleg.

Bij brief van 6 november jl. heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de centrales van overheidspersoneel opgeroepen om over deze kwestie te overleggen. Dit overleg zal plaatsvinden in het CGOA op 13 december a.s.

3. De aanspraken tegenover het ABP

3.1. De indexatie

De leden van de commissie vroegen of de minister de (lange termijn) gevolgen van het amendement Schutte/Bakker (Kamerstukken II 1995/96, 24 205, nr. 13) voor gewezen deelnemers kan expliciteren.

Directe gevolgen van het genoemde amendement voor de indexatie van pensioenaanspraken van gepensioneerden en van gewezen deelnemers aan de Stichting Pensioenfonds ABP worden niet voorzien. Waar het om gaat is dat het amendement een minder terughoudende toetsing door de rechter mogelijk maakt in het geval een belanghebbende de rechter adieert inzake een geschil met het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP over de wijze waarop dat bestuur in het concrete geval toepassing geeft aan de bepalingen van het pensioenreglement betreffende de indexatie. Of dat in voorkomend geval ook zal leiden tot een ander oordeel van de rechter dan in de situatie die zou zijn ontstaan indien de zinsnede «naar het oordeel van dat bestuur» in artikel 10, eerste lid, van de voorgestelde Wet privatisering ABP zou zijn gehandhaafd, valt thans niet te beantwoorden. Verwacht mag worden dat de rechter die in een dergelijk geschil dient te oordelen, niet anders dan op grond van zwaarwegende argumenten zal afwijken van het oordeel van het bestuur van het pensioenfonds ten aanzien van de vooronderstellingen die in het kader van iedere beoordeling van de financiële positie van een pensioenfonds dienen te worden gehanteerd.

Het lid Hendriks vroeg om een nadere uiteenzetting inzake de indexatie van de pensioenen.

De regering merkt op dat het onderwerp indexatie reeds uitvoerig aan de orde is gesteld in het kader van de behandeling van de Wet FVP/ABP (Kamerstukken II 1993/94, 23 442, B, blz. 19 t/m 22), in het nader rapport inzake de voorgestelde Wet privatisering ABP (Kamerstukken II 1994/95, 24 205, B, blz. 3 t/m 9), in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel (Kamerstukken II 1994/95, 24 205, nr. 3, blz. 19 tot en met 22) en in de desbetreffende nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994/95, 24 205, nr. 7, blz. 26 t/m 29). Daaraan valt in redelijkheid niets toe te voegen. De regering is samen met de sociale partners in de overheidssector er van overtuigd dat de regeling inzake de aanpassing van de pensioenen zoals neergelegd in het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, ook in de toekomst zal leiden tot eenzelfde welvaartsontwikkeling voor de gepensioneerden als voor de deelnemers aan dat fonds.

Het lid Bierman merkte op dat het, zulks ter beoordeling van het bestuur, mogelijk wordt de indexatie te wijzigen. Met het oog daarop vroeg dit lid of de zeggenschap van gepensioneerden niet te veel beperkt is en of het niet verkieslijker is om gepensioneerden een plaats toe te kennen in het bestuur.

In de eerste plaats dient naar aanleiding van deze vraagstelling te worden opgemerkt dat het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP niet bij machte is om zelfstandig wijzigingen aan te brengen in de regeling inzake de indexatie. De inhoud van het pensioenreglement wordt bepaald door de sociale partners in de overheidssector. Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP is weliswaar bevoegd tot de vaststelling van het pensioenreglement, maar is daarbij gebonden aan de overeenkomst die ter zake door de sociale partners wordt bereikt.

Bovendien geldt hierbij ten aanzien van de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en reeds bestaande uitzichten op pensioen, de garantie die is neergelegd in artikel 10, eerste lid, van de voorgestelde Wet privatisering ABP. Het gaat hierbij om een wettelijke garantie waarvan ook de sociale partners niet kunnen afwijken.

Gezien het voorgaande, daarbij tevens gelet op hetgeen omtrent de positie van de gepensioneerden is opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer inzake het onderhavige wetsvoorstel (Kamerstukken II 1994/95, 24 205, nr. 7, blz. 46, 47), achten wij het niet noodzakelijk thans een andere regeling treffen inzake de positie van de gepensioneerden ten aanzien van het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP.

3.2. De financiering van het fonds

De leden van de CDA-fractie wezen er op dat op blz. 30 van de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer inzake de Wet privatisering ABP wordt verwezen naar de behandeling van de Wet FVP/ABP in de Tweede Kamer. Zij vroegen waarom niet ook is verwezen naar de behandeling van die wet in de Eerste Kamer. Dit mede omdat huns inziens de degelijkheid van de financiering van de privatiseringsoperatie daardoor in een ander daglicht zou worden geplaatst. Tevens vroegen de hier aan het woord zijnde leden of de normdekkingsgraad van het ABP niet wordt gehaald door een verzwaring van de premies in de komende jaren, te weten die voor de vut en het invaliditeitspensioen.

De behandeling van de Wet FVP/ABP in de Tweede Kamer biedt wat betreft de financiële positie van het ABP een volledig beeld. Een verwijzing naar de behandeling van die wet in de Eerste Kamer was wat dat betreft niet noodzakelijk. Integendeel, aangezien de bespreking van de premie-ontwikkeling in de Eerste Kamer, waarop deze leden wezen, naast enige verheldering ook enige verwarring heeft geschapen. De opvatting dat de solide financiering van deze privatiseringsoperatie door het debat over de Wet FVP/ABP in de Eerste Kamer in een ander daglicht wordt gesteld, wordt door de regering volstrekt niet gedeeld. Anders zou de regering de privatisering van het ABP zeker niet verder hebben bevorderd.

In de eerste plaats geldt immers dat niet zozeer de premie-ontwikkeling van belang is voor de beoordeling van de financiële positie van het ABP, als wel het gegeven dat door de Wet FVP/ABP de premies op kostendekkend niveau zijn gebracht en dat dat kostendekkende niveau is bepaald met inachtneming van de ontwikkelingen op de langere termijn. Het synthesemodel bepaalt na de herstructurering van de financiering van het ABP, die inmiddels per 1 januari 1995 heeft plaatsgevonden, de verdere premie-ontwikkeling inzake het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Voor het aanvullend invaliditeitspensioen geldt het rentedekkingssysteem. Anders dan de leden van de CDA-fractie kennelijk menen, gezien hun suggestie in het verslag dat de normdekkingsgraad voor het ABP wordt gehaald door een verzwaring van de vut- en invaliditeitspremie, staan de pensioenpremies geheel los van de vut-premie. Bovendien worden ook de premie voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de premie voor het aanvullend invaliditeitspensioen geheel zelfstandig bepaald. Daarbij is de normdekkingsgraad uitsluitend van belang in het kader van de vaststelling van de premie voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Met andere woorden: de vut-premie en de premie voor het invaliditeitspensioen hebben niets van doen met de normdekkingsgraad.

In de tweede plaats was de bijdrage van de CDA-fractie in de Eerste Kamer tijdens de plenaire behandeling van de Wet FVP/ABP niet altijd verhelderend. Zo werd in die bijdrage uitgegaan van een niet kostendekkende premie van 8,8 procent in het jaar 1993, een premie die aanmerkelijk was verlaagd in vergelijking met de 21,5 procent van artikel C 3 van de Abp-wet zoals dat artikel tot en met 30 april 1994 luidde. Vervolgens werd betoogd dat de premie van in totaal 16,4 procent in 1994 stijgt naar 22 procent. Tenslotte werd door die woordvoerder geconcludeerd dat er sprake was van een verdubbeling van de premie (Handelingen I 1993/94, blz. 1653). Een niet geheel zuivere benadering, aangezien werd uitgegaan van een verlaagde premie die als zodanig geen enkel verband hield met de kosten van de pensioenen en de vut-uitkeringen. Bovendien werd in het totaal van de premies door de woordvoerder namens de CDA-fractie tevens de vut-premie betrokken, een premie die uiteraard niet zonder meer bij die voor de pensioenen kan worden opgeteld. Er is tot 1 januari 1995 immers nooit voor de centrale vut-regeling door de overheidswerkgevers een vut-premie of vut-bijdrage betaald. Er was in die tijd slechts sprake van een rijksbijdrage ingevolge artikel 18 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden, die ongeveer 15 procent van de vut-lasten dekte. Voor het overige deel van de vut-uitgaven van het ABP was tot 1 januari 1995 geen structurele financiering geregeld. Verder geldt uiteraard dat, waar wordt gesproken over de financiële positie van het pensioenfonds en dat fonds niet meer verantwoordelijk zal zijn voor de financiering van de vut-uitgaven, de ontwikkeling van de vut-premie in het geheel niet relevant is voor de beoordeling van de financiële positie van het pensioenfonds.

Ten slotte bracht de woordvoerder namens de CDA-fractie in de Eerste Kamer tijdens de plenaire behandeling van de Wet FVP/ABP een verband aan tussen premie-afdracht en premiemitigatie die niet verhelderend was. Er werd gesproken over een premie die «gemitigeerd naar het hogere niveau kan worden gebracht» (Handelingen I 1993/94, blz. 1653). Daarmee werd in ieder geval niet aangesloten bij de invulling van het begrip «mitigering» van regeringszijde, hetgeen niet bevorderlijk lijkt voor een goede gedachtenwisseling. Van regeringszijde is steeds betoogd dat de pensioenpremie door de Wet FVP/ABP terstond op kostendekkend niveau is gebracht, met dien verstande dat de premie-afdracht door de werkgevers aan het ABP gedurende een overgangstermijn is gemitigeerd. Deze mitigatie is gefinancierd vanuit het vermogen bij het ABP dat is vrijgevallen door de herstructurering van de financiering van dat fonds, welk vrijgevallen vermogen f 10,3 miljard bedroeg. Met andere woorden: de kostendekkende premie voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen wordt gedurende het overgangstraject gerealiseerd door de premie-afdracht door de werkgevers aan het ABP en een overheveling bij het pensioenfonds vanuit de f 10,3 miljard naar de voorziening ten behoeve van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen.

Met de voorgaande beantwoording zou kunnen worden volstaan, ware het niet dat de vraagstelling ook de suggestie in zich draagt dat de overstap als zodanig naar de omslagfinanciering voor de vut en het WAO-deel van het invaliditeitspensioen een premieverhogend effect voor de toekomst heeft. Dat dit laatste niet het geval is, moge uit het volgende blijken.

Het effect van een overstap van kapitaaldekking op omslagfinanciering kan in eerste instantie beschreven worden aan de hand van een veronderstelde situatie dat de uitgaven voor de invaliditeitspensioenen en vut-uitkeringen in de loop van de tijd constant zijn en het bedrag x vergen. In dat geval moet bij een omslagstelsel in elk jaar een bedrag x aan premie voor de lopende lasten worden opgebracht. Bij een kapitaaldekkingsstelsel moet een premiebedrag worden opgebracht voor de komende uitkeringslasten van de nieuw ingetreden actieven. Bij gelijkblijvende kansen op deelname aan deze regelingen (dus bij een gelijkblijvend uitkeringsvolume) is hiervoor een premielast nodig van eveneens x (dit afgezien van de rente-inkomsten). In een stabiele situatie is dus, onder voorbijzien van rente-inkomsten, geen verschil in premielast tussen een omslagstelsel en een kapitaaldekkingsstelsel. Het spreekt overigens vanzelf dat bij de financiële oplossing zoals vastgelegd in de Wet FVP/ABP wel met het effect van de rente-inkomsten is rekening gehouden.

Uiteraard is dit voorbeeld van stabiele uitkeringslasten een theoretisch voorbeeld omdat uitgaven zelden stabiel blijven. Heel duidelijk is dat het geval bij de uitgaven inzake ouderdoms- en nabestaandenpensioen, die vanwege de vergrijzing over enige tijd fors zullen oplopen. Een kapitaaldekkingsstelsel is hier dus zeker op zijn plaats. Ook de vut-uitgaven zullen, indien de bestaande regeling behouden zou blijven, gaan oplopen, maar die uitgavenstijging treedt pas op na de tijdshorizon die voor de kapitaaldekking bij de vut was ingebouwd. Met andere woorden: het financieringsstelsel voor de vut tot 1 januari 1995 bood ook al geen garantie tegen oplopende premielasten, die in dat stelsel tot uitdrukking zouden zijn gekomen in een hogere pensioenpremie. De ontwikkeling van de omslagpremie zal daardoor niet fundamenteel anders zijn dan bij de oude financieringssystematiek van de vut het geval zou zijn geweest.

Voor het invaliditeitspensioen wordt volgens de huidige inzichten een iets ingewikkelder patroon voorspeld. Enerzijds wordt verwacht dat bij een toenemende vergrijzing de invaliditeitsuitkeringen te zijner tijd zullen oplopen. Anderzijds valt te constateren dat het aangescherpte beleid, dat op eenzelfde wijze als bij de WAO ten aanzien van de invaliditeitspensioenen wordt gevoerd, duidelijk effecten heeft zowel in volumetermen als in uitkeringshoogte bij het WAO-deel. Voor 1996 wordt de FAOP-premie als gevolg daarvan beduidend lager vastgesteld dan in 1995. De verwachtingen zijn dat deze premie de komende jaren eerder nog iets zal gaan dalen, dan dat ze zal gaan oplopen.

De hier aan het woord zijnde leden stelden tevens enkele vragen inzake de uitbesteding van de uitvoering van het Vut-fonds aan het ABP.

Dat de keuze van het bestuur van het Vut-fonds op het ABP is gevallen, is eenvoudig verklaarbaar. Bij die instelling is een grote kennis en deskundigheid op het gebied van (de uitvoering van) vut-regelingen voor overheids- en onderwijspersoneel aanwezig. Het is niet ondenkbaar dat er andere instellingen zijn die de onderhavige uitvoeringstaak even goed of efficiënter zouden kunnen uitvoeren. Zeker op termijn is dit een belangrijk aandachtspunt. Het gaat hier echter om een zelfstandige beoordelings- en beslissingsbevoegdheid van het bestuur van het Vut-fonds.

De Europese richtlijn voor aanbesteding van werken is ons inziens op deze uitbesteding niet van toepassing. Voor zover de leden van de CDA-fractie ook de Richtlijn 92/50/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening op het oog hebben, wordt opgemerkt dat voor beide richtlijnen gelijke criteria gelden voor de beantwoording van de vraag of een voorgeschreven procedure voor het plaatsen van een opdracht moet worden gevolgd.

Naar onze mening is hier geen sprake van een overheidsopdracht als waarop de richtlijnen betrekking hebben. De uitbesteding van de uitvoering van het Vut-fonds zou eerst dan als een overheidsopdracht kunnen worden beschouwd, indien het Vut-fonds aangemerkt kan worden als een «aanbestedende dienst» in de zin van de richtlijnen. Als zo'n dienst beschouwen die richtlijnen: de Staat, de territoriale lichamen, publiekrechtelijke instellingen en verenigingen gevormd door een of meer van deze lichamen of instellingen.

Ten aanzien van het Vut-fonds komt toetsing aan het begrip «publiekrechtelijke instelling» in aanmerking. Onder zo'n instelling verstaat de richtlijn iedere instelling die:

– is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard, en

– rechtspersoonlijkheid heeft, en

– waarvan de activiteiten in hoofdzaak door de Staat of de territoriale of andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd, of wel het beheer is onderworpen aan toezicht door deze laatste, of wel de leden van de directie, de raad van bestuur of de raad van toezicht voor meer dan de helft door de Staat, de territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen.

Ons inziens is het Vut-fonds niet zo'n instelling. Het is niet een instelling die een specifieke overheidstaak vervult in bestuurlijke zin, gefinancierd door of onder overwegende invloed van de overheid via bestuur of toezicht. Het bestuur wordt gevormd door de sociale partners bij de overheid en het onderwijs. De werkgeversleden representeren niet de overheden als zodanig, maar specifiek de overheden in hun rol van werkgever. De financiering vindt plaats door omslag over de overheids-, onderwijs- en andere instellingen, eveneens in hun werkgeversrol, alsook over het personeel van die instellingen.

Het zou overigens ook haaks staan op het beleid van normalisering, waaruit het Vut-fonds voortkomt, dit fonds te beschouwen als een instelling waarop de onderhavige richtlijnen betrekking hebben.

4. De positie van het militair personeel

De leden van de CDA-fractie vroegen of inmiddels meer kon worden gezegd over de onderbrenging van de militaire pensioenen bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

Het onderzoek over de ouderdoms- en invaliditeitspensioenen van militairen is nog gaande. Verwacht wordt dat medio 1996 voldoende gegevens voorhanden zullen zijn om daarover besluiten te kunnen nemen.

5. De Algemene Rekenkamer

De leden van de fractie van de VVD vroegen naar het standpunt van de regering inzake de brief van de Algemene Rekenkamer van 10 november 1995 (kenmerk 1273R), betreffende de eventuele medewerking van de Stichting Pensioenfonds ABP inzake de controle door de Algemene Rekenkamer op het transformatieproces tot en met 31 december 1995.

De Stichting Pensioenfonds ABP kan als rechtsopvolger van het ABP worden beschouwd. Als zodanig acht de regering het vanzelfsprekend dat wordt tegemoetgekomen aan verzoeken van de Algemene Rekenkamer inzake het beschikbaar stellen van bescheiden betreffende de periode tot en met 31 december 1995.

De leden van de fractie van het CDA vroegen of het op grond van de Grondwet is toegestaan om een privaatrechtelijke heffing in te voeren. Zij verwezen daarbij naar een passage in de memorie van toelichting (blz. 17), waarin vermeld staat dat de Stichting USZO/AOV feitelijk, zij het op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst, geheel zal worden bekostigd uit heffingen ingevolge artikel 23 van de Wet FVP/ABP.

De regering neemt aan dat hier sprake is van een misverstand. Er is namelijk geen sprake van dat een privaatrechtelijke heffing wordt ingevoerd. Ter verduidelijking wordt onderstaand kort uiteengezet wat de regering met de aangegeven passage heeft bedoeld.

De door de Stichting USZO/AOV te maken apparaatsuitgaven komen ten laste van de opdrachtgever van de WAO-conforme regeling, in casu het FAOP. Het FAOP betaalt die apparaatsuitgaven vanuit de middelen die hij verkrijgt door de heffing van de invaliditeitspremies ingevolge artikel 23 van de Wet FVP/ABP. Anders gezegd: de invaliditeitspremies zijn bedoeld om de uitgaven van het FAOP, inclusief de apparaatsuitgaven, te dekken.

De wet verstaat onder de apparaatsuitgaven formeel de apparaatsuitgaven van het FAOP. Omdat de uitvoering van de WAO-conforme regeling op basis van een overeenkomst naar burgerlijk recht door de Stichting USZO/AOV wordt verricht, betreft het de facto de apparaatsuitgaven die gemaakt worden door de Stichting USZO/AOV. De grondslag voor de bekostiging van de apparaatsuitgaven van die stichting door het FAOP is neergelegd in de genoemde overeenkomst.

Het vorenstaande geldt op overeenkomstige wijze ingeval de uitvoering van de WAO-conforme regeling door de Stichting USZO in plaats van de Stichting USZO/AOV plaats vindt.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering nog eens precies kan uiteenzetten waar in de toekomst de grenzen liggen tussen ministeriële verantwoordelijkheid, de bevoegdheden van het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP en de mogelijkheden van rechterlijke toetsing van bestuursbesluiten. Zij wezen daarbij op een mogelijk verband met de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer. De leden van de fractie van D66 sloten zich bij deze vraagstelling aan.

Zoals in de memorie van toelichting inzake de voorgestelde Wet privatisering ABP is uiteengezet (Kamerstukken II 1995/95, 24 205, nr. 3, blz. 16, 17), zal er geen sprake zijn van een verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken voor de gang van zaken bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Door de privatisering van het ABP houdt die specifieke ministeriële verantwoordelijkheid voor het pensioenfonds voor het burgerlijk overheidspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel op te bestaan. Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP zal immers bij uitsluiting de verantwoordelijkheid voor dat fonds dragen. Een bestuur dat ingevolge de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) bestaat uit een gelijk aantal bestuursleden dat is benoemd op de voordracht van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties.

Dit laatste maakt overigens duidelijk dat de Minister van Binnenlandse Zaken ook niet de bevoegdheid heeft om zelf rechtstreeks de bestuurders van de Stichting Pensioenfonds ABP van werkgeverszijde of één van hen te benoemen. Het VSO, dat daartoe in artikel 56, tweede lid, van het wetsvoorstel nadrukkelijk als werkgeversvereniging is aangemerkt, bezit die bevoegdheid. Binnen dat verbond is de Minister van Binnenlandse Zaken één van de sectorwerkgevers. De Minister van Binnenlandse Zaken kan dan ook niet verantwoordelijk worden gesteld voor de benoeming van bestuursleden bij de Stichting Pensioenfonds ABP, wel voor de voorstellen die hij ter zake binnen het VSO doet en de steun die hij aan de benoeming van bestuursleden geeft of onthoudt. Dit laatste is dan overigens geen specifieke ministeriële verantwoordelijkheid voor uitsluitend de Minister van Binnenlandse Zaken, maar een ministeriële verantwoordelijkheid die ook geldt voor de ministers van Defensie, van Justitie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de inhoud van het pensioenreglement, dat wil zeggen voor de pensioentoezegging die aan het overheidspersoneel wordt gedaan, geldt na de privatisering van het ABP een ministeriële verantwoordelijkheid die vergelijkbaar is met die ten aanzien van de benoeming van bestuursleden. De ministers die sectorwerkgevers zijn, kunnen uitsluitend worden aangesproken op de voorstellen die zij met betrekking tot de pensioenen in het VSO ter tafel brengen, steunen of verwerpen. De individuele minister kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de voorstellen die het VSO aan de centrales van overheidspersoneel inzake de pensioenen voorleggen, noch voor de eindresultaten van het overleg daarover tussen het VSO en de centrales. Het VSO en de centrales van overheidspersoneel dragen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van de pensioenregeling.

Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van het pensioenreglement, maar is daarbij gebonden aan de uitkomst van het overleg tussen de sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel. Deze bevoegdheid tot vaststelling van het pensioenreglement is dus een formele bevoegdheid, hetgeen overigens niet wegneemt dat de sociale partners er voor kunnen kiezen de preciese verwoording van hun overeenkomst inzake wijziging of herziening van de pensioenregeling, over te laten aan het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP. Voor het overige is het bestuur van het fonds verantwoordelijk voor het besturen van het fonds, waaronder met name ook de deugdelijke financiering daarvan, en de juiste uitvoering van het pensioenreglement. Deze uitvoering betreft niet alleen de toekenning van pensioenen en dergelijke, maar ook de toepassing van de in het reglement neergelegde bepalingen inzake de indexatie.

Het voorgaande neemt overigens niet weg dat de Minister van Binnenlandse Zaken, zoals ook in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer is gesteld (Kamerstukken II 1995/96, 24 205, nr. 7, blz. 39), als sectorwerkgever betrokken is bij het pensioenfonds en zich er derhalve van dient te vergewissen dat er sprake is van een goede gang van zaken. Zou blijken dat zich problemen voordoen bij de Stichting Pensioenfonds ABP, dan is de Minister van Binnenlandse Zaken als sectorwerkgever uiteraard gehouden alles te doen wat in zijn vermogen ligt om die problemen uit de weg te ruimen. Dit geldt overigens dan ook voor de andere ministers die sectorwerkgever zijn. Zij zijn voor hun optreden ter zake verantwoording verschuldigd tegenover de Staten-Generaal.

Voorts is er in algemene zin de ministeriële verantwoordelijkheid voor iedere bewindspersoon ten aanzien van zijn beleidsterrein. Indien zich de omstandigheid zou voordoen dat specifiek ten aanzien van de Stichting Pensioenfonds ABP wettelijke maatregelen dienen te worden getroffen, is de minister op wiens beleidsterrein die maatregelen liggen daarvoor verantwoordelijk.

Wat betreft de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van beslissingen van het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt opgemerkt dat iedere beslissing van dat bestuur door degene die daarbij belang heeft, ter toetsing aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.

Wat betreft de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer wordt verwezen naar het advies van de Raad van State en het nader rapport (Kamerstukken II 1994/95, 24 205, B, blz. 14), de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1994/95, 24 205, nr. 3, blz. 14 t/m 17) en de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1995/96, 24 205, nr. 7, blz. 35 t/m 38). De Algemene Rekenkamer heeft geen bevoegdheden ten aanzien van de Stichting Pensioenfonds ABP, behoudens enkele geringe uitzonderingen in verband met de overgang van publiekrechtelijk geregeld pensioenfonds naar privaatrechtelijk fonds.

Het lid Bierman vroeg of een speciale procedure op weg naar marktverhoudingen van meer dan vijf jaar niet gewenst is. In dat verband stelde hij dat de bemoeienis van de Algemene Rekenkamer aldus voor een langere periode van kracht zou kunnen blijven.

De regering acht het niet wenselijk om de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds later van toepassing te doen zijn dan de in artikel 21, derde lid, van de voorgestelde Wet privatisering ABP gestelde datum van 1 januari 2001. Zij acht de termijn van vijf jaar een alleszins redelijke termijn.

Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat het gegeven dat de verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP voor de periode tot aan 1 januari 2001 op de Wet privatisering ABP zal zijn gebaseerd, niet inhoudt dat de Algemene Rekenkamer tot die datum controlebevoegdheden zal hebben ten aanzien van dat fonds. Voor die bevoegdheden is uitsluitend van belang of de Stichting Pensioenfonds ABP een bij of krachtens wet geregelde taak uitoefent en daartoe geheel of gedeeltelijk wordt bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen.

De heer Hendriks gaf aan van mening te zijn dat toezicht door de Algemene Rekenkamer op de Stichting Pensioenfonds ABP van blijvend belang is.

Deze opvatting wordt, zoals bekend, door de regering niet gedeeld.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

BIJLAGE

VOORBEELDEN VAN OMREKENING VAN PENSIOENAANSPRAKEN

Bijgaand een 8-tal voorbeelden met betrekking tot omrekening van pensioenaanspraken die per 31 december 1995 zijn gevestigd op grond van de Abp-wet naar aanspraken per 1 januari 1996 ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Voorbeeld 1: omrekening aanspraken van een op 31-12-1995 actieve ambtenaar

1.1. Diensttijdgegevens

01-01-1974 aanvang ambtenaarschap

01-01-1986 invoering deeltijd en franchise

deeltijdfactor = 1,0 (volledige betrekking)berekeningsgrondslag over 1994 (BG'94) = 68 000,00

bruteringsfactor bij BG'94 = 1,54

01-01-1995 bruteringsactie

berekeningsgrondslag over 1995 (BG'95) = 70 000,00

debruteringsfactor bij BG'95 = 0,99

01-01-1996 voortzetting dienstverhouding

1.2. Pensioenaanspraken ingevolge de Abp-wet

De pensioenaanspraken worden gebaseerd op de diensttijd tot en met 31-12-1995 en het gemiddelde inkomen over 1994 en 1995. Uitgegaan wordt van de aanspraken voor een gehuwde ambtenaar.

De BG'94 na brutering bedraagt:

68 000,00 x 101,54/100 = 69 047,20

De middelsom over 1994 en 1995 bedraagt:

(69 047,20 + 70 000,00)/2 = 69 523,60

Aanpassing o.g.v. de algemene salarismaatregelen tot het peil 31-12-1995 (AMS):

69 523,60 x 1,0024 = 69 690,46

De debruteringsfactor bij een AMS van 69 690,46 bedraagt: 0,99.

De AMS voor de periode 01-01-1986 tot 01-01-1995 bedraagt:

69 690,46 x 100/100,99 – 69 007,29

De AMS voor de periode 01-01-1974 tot 01-01-86 bedraagt:

69 007,29 x 100/110 x 1,0 = 62 733,90

Op 31-12-1995 gelden de volgende bedragen:

AOW voor gehuwden : 23 222,64

franchise gehuwd : 33 175,20

uniforme franchise: 26 500,00

Het pensioen bedraagt dan:

01-01-95 tot 01-01-96 = 1 x 1,75% x (69 690,46–26 500,00) =  755,83
01-01-86 tot 01-01-95 =9 x 1,75% x (69 007,29–33 175,20) = 5 643,55
01-01-74 tot 01-10-86 =12 x 1,75% x 62 733,90 =13 174,12
  19 573,50
Af: inbouw over de periode 01-01-74 tot 01-01-86:  
12 x 2% x 23 222,64 = 5 573.43
Totaal pensioen14 000,07

1.3. Vaststelling correctiefactoren

«Bruto pensioen» conform Abp-wet op basis BG'95: 70 000,00

De AMS voor de periode 01-01-86 tot 01-01-95 bedraagt:

70 000 x 100/100,99 = 69 313,79

De AMS voor de periode 01-01-74 tot 01-01-86 bedraagt:

69 313,79 x 100/100 = 63 012,54

Het «bruto pensioen» bedraagt dan:

01-01-95 tot 01-01-96 = 1 x 1,75% x 70 000,00 =1 225,00
01-01-86 tot 01-01-95 = 9 x 1,75% x 69 313,79 =10 916,91
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 1,75% x 63 012,54 =13 232,64
Totaal: 25 374,55

Het ongecorrigeerde «bruto pensioen» conform reglement:

01-01-74 tot 01-01-96 =22 x 1,75% x 70 000,00 =26 950,00

Correctiefactor «bruto pensioen»:

25 374,55/26 950,00 = 0,9415

«AOW-aftrek» conform Abp-wet:

01-01-95 tot 01-01-96 = 1 x 1,75% x 26 500,00 =  463,75
01-01-86 tot 01-01-95 = 9 x 1,75% x 33 175,20 =5 225,09
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 2% x 23 222,64 =5 573,43
Totaal: 11 262,27

De ongecorrigeerde «AOW-aftrek» conform reglement:

01-01-74 tot 01-01-96 =22 x 1,75% x 26 500,00 =10 202,50

Correctiefactor «AOW-aftrek» gehuwd:

11 262,27/10 262,27 = 1,1039

1.4. Pensioenaanspraken ingevolge het reglement

«Bruto pensioen»:   
01-01-74 tot 01-01-96 =22 x 0,9415 x 1,75% x 69 690,46 =26 261,22
«AOW-aftrek»:  
01-01-74 tot 01-01-96 =22 x 1,1039 x 1,75% x 26 500,00 =11 262.54
Pensioen: 13 998,68

Voorbeeld 2: omrekening van een per 31-12-1995 bestaand ouderdomspensioen (ongehuwde man)

2.1. Diensttijdgegevens

01-01-1974 aanvang ambtenaarschap

01-01-1986 invoering deeltijd en franchise

deeltijdfactor = 0,9 (betrekking in deeltijd)

berekeningsgronds1ag over 1987 = 68 000,00

berekeningsgrondslag over 1988 = 72 000,00

01-01-1990 ontslag met recht op pensioen

2.2. Pensioen ingevolge de Abp-wet

Het pensioen is gebaseerd op de diensttijd van 01-01-74 tot 01-01-90 en het gemiddelde van de berekeningsgrondslagen over de jaren 1987 en 1988. Het betreft een ongehuwde man.

De middelsom over 1987 en 1988 bedraagt:

(68 000,00 + 72 000,00)/2 = 70 000,00

Aanpassing o.g.v. de algemene salarismaatregelen tot het peil 31-12-1995 (AMS):

73 000,00

De AMS voor de periode 01-01-86 en 01-01-90 bedraagt:

73 000,00

De AMS voor de periode 01-01-74 tot 01-01-86 bedraagt:

73 000 x 100/110 x 0,9 = 59 727,27

Op 31-12-1995 gelden voorts de volgende bedragen:

AOW voor gehuwden : 23 222,64

AOW voor ongehuwden: 16 211,64

franchise gehuwd : 33 175,20

franchise ongehuwd : 23 159,49

uniforme franchise : 26 500,00

Het pensioen bedraagt dan:

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x (73 000–23 159,49) = 3 139,95
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 1,75% x 59 727,27 =12 542.73
  15 682,68
Af: inbouw over de periode van 01-10-74 tot 01-01-86:  
12 x 2% x 16 211,64 =  3 890.79
Totaal pensioen: 11 791,89

2.3. Vaststelling correctiefactoren

«Bruto pensioen» conform Abp-wet op basis AMS: 73 000,00

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x 73 000,00 = 4 599,00
01-01-74 tot 01-01-86 = 12 x 1,75% x 59 727,27 =12 542,73
Totaal:17 141,73

Het ongecorrigeerde «bruto pensioen» conform reglement:

01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,75% x 73 000,00 =19 929,00

Correctiefactor «bruto pensioen»:

17 141,73/19 929,00 = 0,8601

«AOW-aftrek» conform Abp-wet:

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x 23 159,49 =1 459,05
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 2% x 16 211,64 =3 890,79
Totaal: 5 349,84

De ongecorrigeerde «AOW-aftrek» conform reglement:

01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,75% x 26 500,00 =7 234,50

Correctiefactor «AOW-aftrek» ongehuwd:

5 349,84/7 234,50 = 0,7395

2.4. Pensioen ingevolge het reglement

«Bruto pensioen»:   
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 0,8601 x 1,75% x 73 000,00 =17 140,93
«AOW-aftrek»:  
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 0,7395 x 1,75% x 26 500,00 =5 349,91
Pensioen: 11 791,02

Voorbeeld 3: omrekening van een per 31-12-1995 bestaand ouderdomspensioen (gehuwde vrouw)

3.1. Diensttijdgegevens

Uitgegaan wordt van dezelfde diensttijdgegevens als voorbeeld 2.

3.2. Pensioen ingevolge de Abp-wet

Het pensioen is gebaseerd op de diensttijd van 01-01-74 tot 01-01-90 en het gemiddelde van de berekeningsgrondslagen over de jaren 1987 en 1988. Het betreft een gehuwde vrouw.

Het pensioen bedraagt dan:

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x (73 000–33 175,20) = 2 508,96
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 1,75% x 59 727,27 =12 542,73
  15 051,69
Af: inbouw over de periode van 01-01-74 tot 01-01-86:  
12 x 2% x 16 211,64 = 3 890,79
Totaal pensioen: 11 160,90

3.3. Vaststelling correctiefactoren

Correctiefactor «bruto pensioen»:

conform voorbeeld 2: 0,8601

«AOW-aftrek» conform Abp-wet:

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x 33 175,20 =2 090,04
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 2% x 23 222,64 =5 573,43
Totaal: 7 663,47

De ongecorrigeerde «AOW-aftrek» conform reglement:

01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,75% x 26 500,00 =7 234,50

Correctiefactor «AOW-aftrek» gehuwd:

7 663,47/7 234,50 = 1,0593

3.4. Pensioen ingevolge het reglement

«Bruto pensioen»:

01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 0,8601 x 1,75% x 73 000,00 =17 140,93
«AOW-aftrek»:   
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,0593 x 1,75% x 26 500,00 =7 663,51
Pensioen: 9 477,42
Toeslag o.g.v. artikel 18.10: 
12 x 2% x (23 222,64–16 211,64) =1 682,64
Totaal pensioen: 11 160,06

Voorbeeld 4: omrekening van een per 31-12-1995 bestaand ouderdomspensioen (gehuwde vrouw met samenloop pensioen)

4.1. Diensttijdgegevens

Uitgegaan wordt van dezelfde diensttijdgegevens als voorbeeld 2.

4.2. Pensioen ingevolge de Abp-wet

Het pensioen is gebaseerd op de diensttijd van 01-01-74 tot 01-01-90 en het gemiddelde van de berekeningsgrondslagen over de jaren 1987 en 1988. Het betreft een gehuwde vrouw met recht op toepassing van artikel J 15 (vermindering inbouw AOW in verband met samenloop van een ABP-pensioen met een ander pensioen) voor de periode 01-01-74 tot 01-01-84. De vermindering op het externe pensioen is groter dan de vermindering op het Abp-pensioen.

Het pensioen bedraagt dan:

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x (73 000–33 175,20) = 2 508,96
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 1,75% x 59 727,27 =12 542,73
  15 051,69
Af: inbouw over de periode van 01-01-74 tot 01-01-84:  
nihil i.v.m. toepassing J 15  
inbouw over de periode van 01-01-84 tot 01-01-86: 
2 x 2% x 16 211,64 =648,47
Totaal pensioen: 14 403,22

4.3. Vaststelling correctiefactoren

Correctiefactor «bruto pensioen»:

conform voorbeeld 2: 0,8601

Correctiefactor «AOW-aftrek» gehuwd:

conform voorbeeld 3: 1,0593

4.4. Pensioen ingevolge het reglement

«Bruto pensioen»:

01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 0,8601 x 1,75% x 73 000,00 =17 140,93
«AOW-aftrek»:   
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,0593 x 1,75% x 26 500,00 =7 663,51
Pensioen:  9 477,42
Toeslag o.g.v. artikel 18.8, tweede lid, onderdeel b, 2°:10 x 2% x 16 211,64 = 3 242,33
Toeslag o.g.v. artikel 18.10:12 x 2% x (23 222,64–16 211,64) = 1 682,64
Totaal pensioen: 14 402,39

Voorbeeld 5: omrekening van een per 31-12-1995 bestaand ouderdomspensioen (gehuwde man met samenloop pensioen)

5.1. Diensttijdgegevens

Uitgegaan wordt van dezelfde diensttijdgegevens als voorbeeld 2.

5.2. Pensioen ingevolge de Abp-wet

Het pensioen is gebaseerd op de diensttijd van 01-01-74 tot 01-01-90 en het gemiddelde van de berekeningsgrondslagen over de jaren 1987 en 1988. Het betreft een gehuwde man met recht op toepassing van artikel J 14 (vermindering inbouw AOW in verband met samenloop van ABP-pensioenen) voor de periode 01-01-74 tot 01-01-84.

Het pensioen bedraagt dan:

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x (73 000–33 175,20) = 2 508,96
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 1,75% x 59 727,27 =12 542,73
  15 051,69
Af: inbouw over de periode van 01-01-74 tot 01-01-84:  
10 x 1% x 23 222,64 = 2 322,26
inbouw over de periode van 01-01-84 tot 01-01-86:  
2 x 2% x 23 222,64 =  928,91
Totaal pensioen: 11 800,52

5.3. Vaststelling correctiefactoren

Correctiefactor «bruto pensioen»:

zie voorbeeld 2: 0,8601

Correctiefactor «AOW-aftrek» gehuwd:

zie voorbeeld 3: 1,0593

5.4. Pensioen ingevolge het reglement

«Bruto pensioen»:

01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 0,8601 x 1,75% x 73 000,00 =17 140,93
«AOW-aftrek»:   
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,0593 x 1,75% x 26 500,00 =7 663,51
Pensioen:  9 477,42
Toeslag o.g.v. artikel 18.8, tweede lid, onderdeel a, 1°:  
10 x 1% x 23 222,64 =2 322,26
Totaal pensioen: 11 799,68

Voorbeeld 6: omrekening van een per 31-12-1995 bestaand nabestaandenpensioen

6.1. Diensttijdgegevens

01-01-1974 aanvang ambtenaarschap

01-01-1986 invoering deeltijd en franchise

deeltijdfactor = 0,9 (betrekking in deeltijd)

berekeningsgrondslag over 1987 = 68 000,00

berekeningsgrondslag over 1988 = 72 000,00

01-01-1990 ontslag met recht op pensioen

15-05-1993 overlijden van de gepensioneerde ambtenaar

6.2. Pensioen ingevolge de Abp-wet

Het pensioen is gebaseerd op de diensttijd van 01-01-74 tot 01-01-1990 en het gemiddelde van de berekeningsgrondslagen over de jaren 1987 en 1988. De nabestaande is ouder dan 65 jaar.

Voor de basisgegevens zie voorbeeld 2.

Het pensioen bedraagt dan

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x (73 000–33 175,20) = 2 508,96
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 1,75% x 59 727,27 =12 542,73
Ouderdomspensioen: 15 051,69
   
Nabestaandenpensioen: 5/7 x 15 051,69 =10 751,21
Af: inbouw over de periode 01-01-74 tot 01-01-86:  
12 x 2% x 16 211,64 = 3 890,79
Totaal nabestaandenpensioen:6 860,42

6.3. Vaststelling correctiefactoren

Correctiefactor «bruto pensioen»:

conform voorbeeld 2: 0,8601

Correctiefactor «AOW-aftrek» gehuwd:

conform voorbeeld 3: 1,0593

6.4. Pensioen ingevolge het reglement

«Bruto pensioen»:

01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 0,8601 x 1,75% x 73 000,00 =17 140,93
«AOW-aftrek»:   
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,0593 x 1,75% x 26 500,00 =7 663,51
Ouderdomspenpioen: 9 477,42
   
Nabestaandenpensioen: 5/7 x 9 477,42 = 6 769,59
Toeslag o.g.v. artikel 18.11, tweede lid, onderdeel c:  
(5/7 x 2% x 23 222,64 - 2% x 16 211,64) x 12 =   90,24
Totaal nabestaandenpensioen:6 859,83

Voorbeeld 7: omrekening van een per 31-12-1995 bestaand nabestaandenpensioen (hertrouwen)

7.1. Diensttijdgegevens

Uitgegaan wordt van dezelfde diensttijdgegevens als voorbeeld 6.

7.2. Pensioen ingevolge de Abp-wet

Uitgegaan wordt van dezelfde gegevens als van voorbeeld 6. De nabestaande is op 01-01-1994 hertrouwd.

Het pensioen bedraagt dan:

01-01-86 tot 01-01-90 = 4 x 0,9 x 1,75% x (73 000–33 175,20) = 2 508,96
01-01-74 tot 01-01-86 =12 x 1,75% x 59 727,27 =12 542,73
Ouderdomspensioen:15 051,69
   
Nabestaandenpensioen: 5/7 x 15 051,69 =10 751,21
Af: inbouw over de periode 01-01-74 tot 01-01-1986:  
12 x 2% x 16 211,64 = 3 890,79
Totaal pensioen:6 860,42

7.3. Vaststelling correctiefactoren

Correctiefactor «bruto pensioen»:

conform voorbeeld 2: 0,8601

Correctiefactor «AOW-aftrek» gehuwd:

conform voorbeeld 3: 1,0593

7.4. Pensioenaanspraken conform reglement vastgesteld:

«Bruto pensioen»:   
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 0,8601 x 1,75% x 73 000,00 =17 140,93
«AOW-aftrek»:  
01-01-74 tot 01-01-90 =15,6 x 1,0593 x 1,75% x 26 500,00 = 7 663,51
Ouderdomspensioen: 9 477,42
   
Nabestaandenpensioen: 5/7 x 9 477,42 = 6 769,59
Toeslag o.g.v. artikel 18.10:  
12 x 2% x (23 222,64–16 211,64) =  1 682,64
Korting o.g.v. artikel 18.11, derde lid, onderdeel b:  
(2% x 23 222,64 – 5/7 x 2% x 23 222,64) x 12 = 1 592,40
Totaal nabestaandenpensioen:6 859,83

Voorbeeld 8: omrekening van een op 31-12-1995 bestaand invaliditeitspensioen

8.1. Basisgegevens

middelsom:48 500,-
invaliditeitsgraad:80% of meer
deeltijdfactor:1,0000

8.2. Invaliditeitspensioen per 31-12-1995

Invaliditeitspensioen: 48 500,00 x 70% x 1,0429 =35 406,46
70% is uitkeringspercentage behorend bij 80% of meer recht op de factor van 1,0429 komt voort uit de wet van 20-12-1984, Stb.657  
Toeslag 4,5%:1 593,29
recht op de toeslag komt voor uit art. F 9a Abp-wet  
Totaal invaliditeitspensioen:36 999,75

8.3. WAO-conform en aanvullend invaliditeitspensioen per 01-01-96

WAO-conform: 48.500,- x 70%33 950,00
– ingevolge art. 37 Wet privatisering ABP is de middelsom van het invaliditeitspensioen de grondslag van het dagloon (hier op jaarbasis);  
– 70% is het percentage ingevolge art. 21 WAO  
  
Invaliditeitspensioen: 48 500,- x (70% x 1,0429)35 406,46
– 70% is het percentage op grond van art. 18.16, eerste lid, pensioenregl.  
– recht op de factor van 1,0429 op grond van art. 18.16, derde lid, pensioenregl.  
Toeslag 4,5%: 1 593,29
– recht op toeslag komt voort uit art. 18.16 lid 4 pens.regl.  
 36 999,75
  
Minus WAO-conform33 950,00
Totaal invaliditeitspensioen3 049,75
  
Totaal WAO-conform + invaliditeitspensioen  
WAO-conform33 950,00
invaliditeitspensioen 3 049,75
totaal36 999,75

8.4. Bruto-netto-berekening

 31-12-9501-01-95  
 IPtotaalWAO-cfm.Aanv. IP
     
bruto per maand3 083,313 083,302 829,16254,14
werkgeversaandeel ZFW89,4387,7087,700,00
pseudopremie WAO87,4263,5463,540,00
pseudopremie WW80,1773,5673,560,00
pseudopremie ZW30,8328,2928,290,00
grondslag OHT2 974,153 005,622 751,48254,14
overhevelingstoeslag343,25347,33317,3330,00
werknemersaandeel ZFW31,7331,1231,120,00
loonheffing1 039,161 052,33945,00107,33
netto per maand2 157,252 181,792 004,98176,81
Naar boven