24 205
Privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Wet privatisering ABP)

24 217*
Vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (Wet kaderregeling vut overheidspersoneel)

24 222**
Regels met betrekking tot de oprichting van de Stichting Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (Wet Stichting USZO)

24 227***
Wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet (invoering partnerpensioen), alsmede van de Uitkeringswet gewezen militairen (rechtspositionele erkenning van andere relatievormen dan het huwelijk)

nr. 83a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT1

Vastgesteld 27 november 1995

Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

Gezien de samenhang van de vier wetsvoorstellen heeft de commissie besloten één verslag uit te brengen. De vragen en opmerkingen die betrekking hebben op de specifieke wetsvoorstellen zijn daarom opgenomen in hoofdstuk 2 (Samenhang met andere operaties).

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie verklaarden met misnoegen kennis te hebben genomen van het feit, dat het convenant tussen alle betrokken partijen reeds is gesloten op 10 februari 1993, waarbij als ingangsdatum toen is vastgelegd 1 januari 1996, en dat het daarna ruim twee jaren heeft geduurd (tot 15 maart 1995) voordat die partijen over de uitwerking overeenstemming hebben bereikt, zonder de invoeringsdatum te wijzigen, en dat vervolgens eerst op 6 juni 1995 het wetsvoorstel is ingediend.

Mede gezien het zomerreces blijft er niet veel meer dan vier maanden beschikbaar voor de gehele parlementaire behandeling. Wat is de reden van deze gang van zaken?

Welke dringende en bijzondere redenen zijn er om de geplande ingangsdatum niet te wijzigen?

De leden van de fracties van het CDA en GroenLinks sloten zich bij deze vragen aan.

De leden van de CDA-fractie wilden in dit verband weten welke wijzigingen dan wel vertragingen sinds 1994 in het Convenant zijn aangebracht door de zgn. sociale partners. Is constitutioneel geen merkwaardige situatie ontstaan, in die zin dat de uitkomsten van het overleg van de zgn. sociale partners aan het parlement wordt voorgelegd als een wetsvoorstel dat bijna niet amendeerbaar is voor de Tweede Kamer?

Over de inhoud van het wetsvoorstel wilden de leden van de VVD-fractie enkele vragen stellen op het gebied van het beleggen van de beschikbare gelden. Is het waar dat het ABP in grootte het tweede pensioenfonds ter wereld is? Kunnen hierover nadere gegevens en cijfers worden verstrekt?

Willen de bewindslieden een overzicht verstrekken van de pensioenfondsen in Nederland met een belegd vermogen van twintig of meer miljard guldens?

Op welke wijze zal worden voorzien in de zeer belangrijke en niet gemakkelijk te verkrijgen superdeskundigheid op beleggingsgebied, en op welke wijze zal het toezicht daarop worden geregeld (bedoeld is hier niet het toezicht van de Verzekeringskamer maar het toezicht op de kwaliteit van het te voeren beleggingsbeleid)?

Zal gezien de zeer omvangrijke te beleggen bedragen en voorts het algemeen beleggingsbeleid niet ook in de toekomst een aanmerkelijk deel worden belegd in obligaties en onderhandse leningen?

Hoe zal, indien het voornemen van de regering slaagt om het financieringstekort van het rijk terug te brengen tot drie procent (de minister van Financiën en de president van De Nederlandse Bank spreken zelfs van één procent), de daardoor belangrijk minder groot geworden financieringsbehoefte van het rijk door het ABP worden opgevangen?

Blijft het ABP-pensioen in de nieuwe situatie een pensioen «ten laste van de openbare kas», met name met betrekking tot de verdragen inzake dubbele belasting?

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de wetsvoorstellen en de daarop betrekking hebbende stukken. Zij brachten in herinnering dat zij reeds in 1987 hadden aangedrongen op verdere verzelfstandiging van het ABP. Voor de vorming van een duidelijk standpunt wensten zij een antwoord op de volgende vragen.

Aan de gelijkwaardigheid van de aanspraken is veel aandacht geschonken, zowel door de Raad van State, als door de regering in de memorie van toelichting, als door de Tweede Kamer. Wil de regering aan de hand van enkele concrete casus nader uiteenzetten, wat voor verschillen in de praktijk kunnen optreden? Deze leden waren daarbij vooral geïnteresseerd in de pensioenaanspraken en andere aanspraken van gepensioneerden dan wel nabestaanden.

Hoe is de ontwikkeling van de totale verschuldigde premies voor nabestaandenpensioen, partnerpensioen, WAO-conform invaliditeitspensioen en bovenwettelijk IP, VUT-uitkeringen e.d., in 1985, 1990, 1994, 1995, 2000, 2010?

Wat is het verschil tussen de Stichting USZO en de Stichting USZO/AOV? Deze leden vonden vooral de bespreking van dit punt erg onduidelijk. Als het niet mogelijk is tijdig een Stichting USZO op te richten, waarom is het dan wel mogelijk die andere stichting op te richten? Welke zijn de verschillen? Wie vormen het bestuur van USZO/AOV?

De nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken Tweede Kamer, 24 205, nr. 7) spreekt over een beeldvorming «die niet geheel spoort met het «feitensubstraat». Wil de regering eerst meer algemeen-methodologisch vertellen hoe een «feitensubstraat» kenbaar is? Voorts vroegen deze leden zich af of de regering niet een bepaalde inkleuring van de zgn. feiten geeft, vooral als ze schrijft dat er sprake lijkt te zijn van «enkele misverstanden». De nota stelt op blz. 2 dat sociale partners «vanwege hun eigen belang bij een zo laag mogelijke pensioenpremie» inefficiëntie niet zouden toestaan. Is de markt dan zo transparant dat ze dat zouden kunnen beoordelen? Wil de regering een poging doen om de «performance» van het ABP en het PGGM en enkele grote bedrijfspensioenfondsen te vergelijken voor enkele jaren? De regering noemt op dezelfde bladzijde «de onderlinge vergelijkbaarheid van de prestaties van pensioenfondsen» als garantie voor marktwerking. Deze leden zouden die vergelijking graag zien, om de beweringen van de regering te toetsen. Waarom zou er in het geval van het ABP tot nu toe geen sprake zijn van een «monopolist» met «gedwongen winkelnering»?

Als de regering overigens uitgaat van dat eigen belang van de sociale partners als garantie voor marktwerking, waarom zou dat eigen belang zich dan uitstrekken tot de gepensioneerden? Is daarmee niet geïndiceerd dat meer aandacht moet worden gegeven aan de overdracht van de aanspraken van de zgn. inactieven?

Wil de regering de passage in de nota naar aanleiding van het verslag op blz. 11, over de berekening van overdrachtswaarden volgens de opgebouwde-rechten-methode, en over het SDS- en het vier-procents-circuit, nader uitleggen? Wil de regering ook nog eens uitleggen wat de zgn. synthetische methode inhoudt bij de berekening van de normdekkingsgraad?

Met betrekking tot de USZO wordt in het Financieel Dagblad van 19 september jl. (blz. 11) door de algemeen directeur van het ABP drs. Neervens opgemerkt: «Bovendien is een deel van het geld al uitgegeven.» Is het juist dat in de uitgaven terzake is vooruitgelopen op de totstandkoming van de wet?

Zullen in het bestuur van de Stichting ambtenaren als bestuursleden door de regering kunnen worden aangewezen? Wil de regering in haar antwoord de nota inzake commissarissen van overheidswege betrekken? Deze leden verwezen terzake ook naar de dissertatie van mr. J.R. Glasz, en naar de daarin weergegeven discussie zoals die door de Eerste Kamer met de regering is gevoerd.

De leden van de PvdA-fractie hadden bij de behandeling van de FVP/ABP al laten blijken, dat zij konden instemmen met de privatisering van het ABP. Zij zagen in de voorliggende wetsvoorstellen dan ook vooral een formele uitwerking van het principe-besluit.

De eerste vraag is of de nieuwe vormgeving van het ABP nog invloed heeft op de discussie over het wel of niet betrekken van de ABP-reserves bij de berekening van de staatsschuld als een van de EMU-criteria.

Gaat de privatisering niet te ver als de overheidsinvloed zich beperkt tot die van werkgever, nu het gaat om een fonds dat alléén al veel meer belegt dan de overige bedrijfspensioenfondsen samen en dus in z'n eentje – met inachtneming van alle micro-economisch toezicht – in staat is belangrijke macro-economische effecten teweeg te brengen (vergelijk bijvoorbeeld de omvang van de Amsterdamse Beurs met de beleggingsmogelijkheden van het ABP)?

De leden van de fractie van D66 merkten op dat het eventueel weglopen van groepen deelnemers een logisch gevolg is van een geprivatiseerd ABP. De vraag is wel of daardoor de wachtkamers van het ABP mee in gevaar komen. Wat is de visie van de minister daarop? De leden van de fractie van GroenLinks sloten zich bij deze vraag aan.

De leden van de SGP-, RPF- en GPV-fractie stelden de vraag of in het kader van de privatisering van het ABP door de indiener dan wel door de Raad van State is onderzocht of er behoefte bestaat aan een gewetensbezwaardenregeling. Deze leden meenden te weten dat de Raad van State zich te laat heeft gerealiseerd dat een onderzoek op dit punt had behoren te worden uitgevoerd en een regeling ter zake had behoren te worden opgenomen. Deze leden dachten in het bijzonder aan het facet van inhouding van (pseudo-)premies t.b.v. het invaliditeitspensioen.

De heer Hendriks zei zich in het algemeen te kunnen vinden in de wetsvoorstellen zoals deze voorliggen. In feite achtte hij het een voor de hand liggende, logische ontwikkeling dat de verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het overheidspersoneel aan de sociale partners wordt overgedragen.

De heer Bierman wilde nog de volgende vraag voorleggen.

Heeft de rijksoverheid als werkgever niet een speciale verantwoordelijkheid jegens (potentiële) pensioengerechtigden om het privatiseringsproces met de grootst mogelijke zorg te omkleden en zo weinig mogelijk onrust bij betrokkenen op te roepen?

2. Samenhang met andere operaties

2.1. Wet Kaderregeling VUT Overheidspersoneel

Hoewel de leden van de CDA-fractie de teneur van wetsvoorstel 24 217 konden onderschrijven, hebben zij zich verbaasd over enkele zaken, waarover ze vragen wilden stellen.

De memorie van toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer 24 217, nr. 3) schenkt geen aandacht aan de budgettaire consequenties van het wetsvoorstel, zoals wel is voorgeschreven in de Comptabiliteitswet. Denkt de minister dat deze Wet niet geldt voor door hem ingediende wetten? Of heeft hij, wat deze leden vermoedden, gedacht dat de paragraaf weg kan blijven omdat er geen budgettaire consequenties aan verbonden zijn? Hadden dan niet ten minste toch de budgettaire consequenties vermeld moeten worden welke alreeds zijn geregeld bij de Wet Financiële Voorzieningen Privatisering ABP?

Sprekend over budgettaire consequenties, betekent artikel 11 van wetsvoorstel 24 217 een verlichting van de begroting van O&W, of van het ABP, en in dat laatste geval van de begroting van Binnenlandse Zaken of O&W? Wordt hier niet ten onrechte een wijziging t.o.v. het Convenant ingevoerd?

In de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 24 217, blzz. 7–8, is aandacht geschonken aan het feit dat bepaalde partijen genoemd in artikel 1 geen zelfstandige rechtspersoon zijn, en wel als contractpartner kunnen optreden. Dergelijke partijen kunnen volgens dezelfde memorie van toelichting als «zelfstandig bevoegde rechtssubjecten» worden beschouwd. Daartegen zou volgens de memorie van toelichting geen bezwaar bestaan, aangezien de betrokken partijen alleen rechten en verplichtingen kunnen aangaan voor de eigen instellingen en personeelsleden. Deze leden vroegen zich af of deze redenering voldoende sterk is en of er overeenkomstige bepalingen in andere wetten zijn. Is er jurisprudentie over «zelfstandig bevoegde rechtspersonen» die geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben? Is het mogelijk dat lopende VUT-uitkeringen door partijen worden beknot? Welke status hebben dan die zgn. zelfstandig bevoegde rechtspersonen in een geding?

De leden hier aan het woord hadden met aandacht de passages in de memorie van toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer 24 217, nr. 3) gelezen over de centrale en de decentrale VUT-lasten, en de aanwending van de bijdrage i.v.m. de reductie van het VUT-bijdrageverhaal. Deze leden hadden behoefte aan een meer integrale formulering van artikel 9, derde en vierde lid. Hoe zouden deze twee onderdelen van artikel 9 luiden als niet eenvoudigweg wordt verwezen naar de Wet FVP/ABP? Zij merkten op als medewetgever te hechten aan een zorgvuldige formulering als ware het een wettekst, met het oog op eventuele interpretatie in de toekomst.

2.2. Wet Stichting USZO

Hoewel de leden van de CDA-fractie konden begrijpen dat de regering de genoemde bestaande uitvoeringsorganisaties wil samenvoegen, waren zij geschrokken van de stand van zaken. Zij begrepen de kritische bewoordingen waarin de woordvoerders van de meeste partijen in de Tweede Kamer zich over dit voorstel hadden uitgelaten. Teneinde zich een scherper oordeel te kunnen vormen, wilden zij enkele vragen aan de regering voorleggen.

In het algemeen deel van dit verslag hadden deze leden alreeds een vraag gesteld over de Stichting USZO/AOV. Hoe behandelt de regering de uitkeringen terzake van de sociale zekerheid (WAO-conforme uitkeringen, ziektewet-uitkeringen, herplaatsingstoelagen e.d.), indien de Wet Stichting USZO niet tijdig wordt vastgesteld? Welke wetsgrond heeft de regering alsdan daartoe?

Welke stappen heeft de regering gezet vooruitlopend op vaststelling van deze Wet? Als daarvan inderdaad sprake is, hoe kan de regering dat rijmen met het budgetrecht van de Eerste Kamer, met eerder daarover gedane uitspraken en een daaraan gewijde motie (Kamerstuk 22 923, Eerste Kamer nr. 133D)?

De paragraaf in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 24 222, nr. 3) met betrekking tot de financiële gevolgen van dit wetsvoorstel had deze leden verbaasd, omdat geen enkel bedrag wordt genoemd, ook niet waar het gaat om de gevolgen voor de rijksbegroting. Dat laatste verbaast des te meer omdat leden van de Tweede Kamer in het verslag (Kamerstukken Tweede Kamer 24 222, nr. 4) wel een bedrag noemen. Waarom heeft de regering zich op dit punt zo afgemaakt van hetgeen verplicht is gesteld bij wet? Zijn overigens de PM-bedragen voor de openingsbalans inmiddels wel te specificeren?

Deze leden hadden vanwege deze kritiek met belangstelling kennis genomen van paragraaf 4 van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken Tweede Kamer 24 222, nr. 5). Welke wijzigingen dan wel aanvullingen zijn inmiddels te geven op de aldaar verstrekte informatie? Zijn de PM-posten genoemd in de verwachte realisatie voor de exploitatie-uitgaven van de USZO inmiddels te schatten? Over de additionele kosten wordt in de nota opgemerkt dat die worden voorgefinancierd. Door wie? Zo de Staat de voorfinanciering verzorgt, waar zijn die uitgaven geautoriseerd, op welk begrotingsartikel? Aldaar wordt opgemerkt dat aan de verdeling van de invoeringskosten wordt gewerkt. Wat is daarvan de uitkomst? Aangezien de regering voortdurend spreekt over financiering in plaats van bekostiging, rees bij deze leden de vraag of de Stichting de bevoegdheid krijgt langlopend geld te lenen.

In de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 24 222 wordt gesproken over Najaarsoverleg. Wat is thans de stand van zaken met betrekking tot de voorgenomen samenvoeging van de verschillende diensten?

Het had deze leden verbaasd dat de memorie van toelichting ook geen informatie verstrekte over de aantallen ambtenaren die in deze privatiseringsaktie zouden overgaan. Waarom heeft de regering die informatie niet verstrekt?

Het was deze leden opgevallen dat dit wetsvoorstel vooral artikelen bevat die de overgang van het personeel betreffen. Waar het eigenlijk om gaat in de nieuwe stichting wordt genoemd in artikel 2, tweede lid. Zijn er niet uitvoeriger wetsbepalingen nodig om de geprivatiseerde en gefuseerde diensten te regelen?

Wie vormt het bestuur van de nieuwe Stichting? Welke onafhankelijkheid t.o.v. de Staat wordt daarbij in acht genomen?

Wil de regering deze leden die kennis hadden genomen van de discussie in de Tweede Kamer, nog eens uiteenzetten welke btw-verplichting deze nieuwe uitvoeringsorganisatie heeft, en welke de btw-verplichting is voor andere uitvoeringsorganisaties.

Artikel 4 van dit wetsvoorstel regelt de overgang van het personeel, artikel 5 het eventuele beroep en ontslag. In welke mate kan deze wet worden gebruikt voor het ontslaan van minder geschikt geacht personeel?

Wordt de USZO bekostigd uit prijzen, verbonden aan de overeenkomst, of uit premies? Indien de bekostiging uit premies is, waar en hoe is dat geregeld?

De leden van de PvdA-fractie wilden weten of de regering al enig inzicht kan verschaffen in de organisatorische haalbaarheid van de datum 1 januari 1996 voor de start van de USZO.

De leden van de fractie van D66 wilden met betrekking tot het wetsvoorstel Stichting USZO het volgende aan de regering voorleggen.

Is de huidige (administratieve) organisatie van de organen DUO en UO geen reden om voorshands bij de uitvoering van de wet te kiezen voor een start met een smalle variant (b.v. eerst alleen voor de arbeidsongeschiktheidsregeling)? Moet niet gekozen worden voor onafhankelijke uitvoeringsorganisaties, voor een betere aansluiting op de markt?

De heer Bierman vroeg of niet een andere instantie met de uitvoering kan worden belast, zodat oprichting van de stichting USZO kan worden vermeden en haast niet langer is geboden.

2.3. Invoering partnerpensioen

De leden van de CDA-fractie hadden zich, na kennis te hebben genomen van wetsvoorstel 24 227, afgevraagd of het niet mogelijk zou zijn geweest de onderhavige materie later met terugwerkende kracht te regelen, aangezien het wetsvoorstel slechts betrekking heeft op gevallen die zich hebben voorgedaan na 30 juni 1994 tot het moment waarop de Wet Privatisering ABP van kracht wordt, 1 januari 1996.

Waarom geldt het voorstel niet voor een samenwonende ouder en kind, als dat kind de ouder verzorgt?

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de regering al overeenkomstig de wens van de Tweede Kamer bij de sociale partners heeft aangedrongen op terugwerkende kracht van het partnerpensioen tot 1990 en zo ja, wat is het resultaat van dit overleg.

3. De aanspraken tegenover het ABP

3.1. De indexatie

De leden van de commissie vroegen of de minister de (lange termijn)gevolgen van het amendement Schutte/Bakker (Kamerstukken Tweede Kamer, 24 205, nr. 13) voor gewezen deelnemers nader kan expliciteren.

Een belangrijke vraag betreft de welvaartsvastheid van de ABP-pensioenen. Het is voor de ouderen en de aanstaande ouderen in onze samenleving, die onder de ABP-regeling vallen, van het grootste belang te kunnen rekenen op continuering van de indexatie van hun pensioen. Kan de minister hier nader op ingaan?

Het wordt mogelijk, zulks ter beoordeling van het bestuur, de indexering te wijzigen.

Is de zeggenschap van betrokken (potentieel) gepensioneerden niet te veel beperkt via een Adviesraad. Is het niet verkieslijker om rechtstreeks in dat bestuur zetels voor gepensioneerden te reserveren?

3.2. De financiering van het fonds

In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken Tweede Kamer, 24 205, nr. 7) wordt, aldus de leden van de CDA-fractie, op blz. 30 e.v. ingegaan op de bekostiging van het fonds. Verwezen wordt naar de uitvoerige behandeling van de Wet FVP/ABP, Kamerstukken II 1993/1994 23 442 etc. Waarom wordt niet ook verwezen naar de behandeling in de Eerste Kamer, zowel waar het gaat om de schriftelijke voorbereiding als om de plenaire behandeling? Zou dat de zgn. solide financiering niet in een wat ander daglicht zetten, gegeven de erkenning door de vorige minister van Binnenlandse Zaken dat de voorstelling van zaken m.b.t. de premie-ontwikkeling zoals geschetst door de woordvoerder van de CDA-fractie juist was, zodat het misverstand dat door de regering aanvankelijk werd verondersteld, geheel bij Binnenlandse Zaken lag? Is het m.a.w. niet zo, dat de normdekkingsgraad voor het ABP wordt gehaald door een verzwaring van de premies in de komende jaren, t.w. voor de VUT en het invaliditeitspensioen?

Waarom wordt de uitvoering van het VUT-fonds uitbesteed aan het ABP? Zijn er geen andere fondsen die dat net zo goed of efficiënter kunnen? Houdt privatisering niet in dat aanbesteding op de markt zou moeten plaatsvinden. Waarom is de Europese Richtlijn voor aanbesteding van werken niet van toepassing?

4. De positie van het militair personeel

De leden van de CDA-fractie wilden weten of inmiddels meer te melden is over de aansluiting van de militaire pensioenen bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

5. De Algemene Rekenkamer

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de reactie van de bewindslieden op de brief van de Algemene Rekenkamer van 10 november 19951 betreffende de (eventuele) medewerking van het geprivatiseerde ABP na 1 januari 1996 inzake de controle door de Rekenkamer op het transformatieproces tot en met 31 december 1995. De leden van de fractie van D66 sloten zich bij deze vraag aan.

De leden van de CDA-fractie verwezen in dit verband naar blz. 17 van de memorie van toelichting waar staat dat de Stichting USZO/AOV «feitelijk, zij het op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst, geheel zal worden bekostigd uit heffingen ingevolge artikel 23 Wet FVP/ABP». Is dit toegestaan op grond van de Grondwet, een privaatrechtelijke heffing?

De leden van de fracties van de PvdA en D66 sloten zich daarbij aan, en waren van mening dat het debat in de Tweede Kamer, met name tussen de minister en de woordvoerder van de GPV-fractie, niet geheel duidelijk is geworden als het gaat om de grenzen tussen de ministeriële verantwoordelijkheid, de bevoegdheden van het nieuwe bestuur en de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van bestuursbesluiten. Wellicht dat hier ook een verband ligt met de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer. Waar zullen in de toekomst die grenzen liggen?

De heer Bierman vroeg of een speciale procedure op weg naar marktverhoudingen van meer dan vijf jaar niet gewenst is. Aldus zou de bemoeienis van de Rekenkamer voor een langere periode van kracht kunnen blijven en zouden onverwachte neveneffecten tijdig bij de werkgever/wetgever bekend kunnen zijn om procesverstoring te voorkomen.

De heer Hendriks was van mening dat toezicht door de Algemene Rekenkamer op de exploitatie door het (geprivatiseerde) ABP van blijvend belang is. De Rekenkamer dient hierover, waar nodig, verslag uit te brengen aan de Staten-Generaal, de regering en het ABP zelf. Ook in de overgangsfase naar de geprivatiseerde status van het ABP dient deze overdrachtsoperatie door de Rekenkamer kritisch te worden gevolgd.

De voorzitter van de commissie,

Van den Berg

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Postma (CDA), Holdijk (SGP), Van Dijk (CDA), Staal (D66), Van den Berg (PvdA), (voorzitter), De Beer (VVD), Batenburg (AOV), Rensema (VVD), Schoondergang-Horikx (GL), Grewel (PvdA), Hendriks, Bierman, Wiegel (VVD), De Wit (SP) en Hirsch Ballin (CDA).

* Het eerder verschenen stuk met betrekking tot dit wetsvoorstel is gedrukt onder nr. 84, vergaderjaar 1995–1996.

** De eerder verschenen stukken met betrekking tot dit wetsvoorstel zijn gedrukt onder de nrs. 77 en 77a, vergaderjaar 1995–1996.

*** Het eerder verschenen stuk met betrekking tot dit wetsvoorstel is gedrukt onder nr. 85, vergaderjaar 1995–1996.

XNoot
1

Deze brief is ter kennis gebracht van de regering en ter inzage gelegd op het Centraal Informatiepunt onder nr. 116 507.1.

Naar boven