nr. 184a
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 16 februari 1996
De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling maar ook met bezorgdheid
kennis genomen van het wetsvoorstel. Hoewel zij in het algemeen het streven
naar beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen van harte ondersteunen
hadden zij ernstige bedenkingen tegen dit wetsvoorstel. Ik deel niet de opvatting
van deze leden dat een landelijk gecoördineerd beleid geboden is op grond
van de rechtsgelijkheid. Op het niveau van de gemeenten en waterschappen zelf
moet natuurlijk sprake zijn van rechtsgelijkheid, maar dat sluit niet uit
dat tussen gemeenten en waterschappen onderling verschillen kunnen bestaan.
Ook nu is dat al het geval, ook ten aanzien van de bevoegdheid tot het kwijtschelden
van belastingschulden. De huidige artikelen 255 Gemeentewet en 144 Waterschapswet
maken het immers nu ook al mogelijk dat een strenger kwijtscheldingsbeleid
wordt gevoerd dan door het Rijk. Ook de mate waarin de gemeenten en waterschappen
van die bevoegdheid gebruik maken kan verschillen.
Meer in het algemeen wijs ik er op dat ook de mogelijkheid van onderlinge
tariefverschillen bij de lokale belastingen al een verschil in belastingdruk
kan opleveren. Het ligt voor de hand de gemeenten en waterschappen dan ook
de bevoegdheid te geven als tegenhanger tevens – tot op zekere hoogte –
een eigen kwijtscheldingsbeleid te voeren, zodat het lokale bestuur een eigen
afweging kan maken voor wat betreft alle facetten van de lokale belastingdruk
en de gevolgen daarvan. Ik zie niet in waarom het kwijtschelden van belastingschulden
zich niet zou lenen voor democratische besluitvorming op lokaal niveau, zoals
deze leden zich afvroegen. Als een lokaal bestuurslichaam bevoegd is tot heffing
en invordering van belastingen is het naar mijn mening niet meer dan vanzelfsprekend
dat dan ook kwijtschelding door hetzelfde bestuurslichaam op dezelfde democratische
basis gestalte krijgt.
Op zich zelf is het mogelijk, zoals deze leden deden, om op het punt van
de kwijtschelding een onderscheid te maken tussen retributies en overige belastingen,
gelet op het verschil in karakter tussen die twee. Ik acht het ook zeer wel
denkbaar, en dat is voor zover mij bekend ook in diverse gemeenten de praktijk,
dat gemeenten gebruik maken van de mogelijkheid een strenger kwijtscheldingsbeleid
te voeren dan het Rijk, door de retributies van kwijtschelding
uit te sluiten. De wetgever had die mogelijkheid ook uitdrukkelijk voor ogen
toen de huidige regeling in de wet werd opgenomen (Kamerstukken II, 1988/89,
21 135, nr. 3, blz. 27 en 36). Ik meen echter dat de besluitvorming hierover
behoort plaats te vinden op hetzelfde niveau als dat waarop tot heffing en
over de hoogte daarvan wordt besloten. Voor de belastingschuldigen geldt immers
dat de retributies een zelfde invloed hebben op de persoonlijke omstandigheden
als de overige heffingen. Bovendien gaat het soms om een vergoeding voor diensten
waarvan men moeilijk kan afzien (rioolrechten, reinigingsrechten). De heffende
instantie moet naar mijn oordeel met dit alles dan rekening kunnen houden.
Ik ben het eens met het door de leden van de fracties van de SGP, het
GPV en de RPF geformuleerde uitgangspunt dat het kwijtscheldingsbeleid op
lokaal niveau niet het karakter mag hebben van een inkomenspolitieke maatregel.
De vrees van de leden van de VVD-fractie voor lokale inkomenspolitiek acht
ik dan ook ongegrond. Elke aanvraag voor het verlenen van kwijtschelding zal
individueel moeten worden beoordeeld. Het kwijtscheldingsbeleid kan dus niet
het karakter gaan aannemen van, zoals de leden van de SGP-, GPV- en RPF-fracties
aangeven, een generale maatregel voor gehele categorieën contribuabelen.
Dat neemt niet weg dat kwijtschelding geschiedt op basis van algemene regels,
die op lokaal niveau hetzelfde uitwerken voor belastingschuldigen die in dezelfde
omstandigheden verkeren. In die zin is er dus sprake van rechtsgelijkheid
op lokaal niveau, zoals hierboven ook al is aangegeven.
Verheugd heb ik kennisgenomen van de mededeling dat de leden van de fractie
van het CDA zich kunnen vinden in de voorgestelde verruiming van de beleidsvrijheid
van gemeenten en waterschappen met betrekking tot het kwijtschelden van belastingschulden.
Zij vroegen zich echter af of het niet tegenstrijdig en ondoorzichtig is dat
twee van elkaar afwijkende regimes dezelfde materie regelen. Zij vroegen zich
af of het niet meer voor de hand had gelegen hiervan één regeling
te maken.
Mijns inziens is er niet zonder meer sprake van twee van elkaar afwijkende
regimes die dezelfde materie regelen. De Gemeentewet en de Waterschapswet
geven de hoofdregel voor het kwijtscheldingsbeleid en bepalen tevens in hoeverre
er ruimte is daarvan af te wijken. Voor zover gemeenten en waterschappen geen
gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid binnen die ruimte een eigen regeling
te treffen is de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 van toepassing.
Dat past in de algemene systematiek van de Gemeentewet en de Waterschapswet
op het punt van heffings- en invorderingsbepalingen: voor zover mogelijk wordt
verwezen naar bepalingen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de
Invorderingswet 1990, maar voor zover het bijzondere karakter van de lokale
heffingen dat vergt zijn aanvullende en eventueel afwijkende regels neergelegd
in bepalingen in of krachtens de Gemeentewet en Waterschapswet zelf.
In antwoord op de daartoe strekkende vraag van de leden van de fracties
van de SGP, het GPV en de RPF teken ik aan dat, als een belastingschuldige
teruggave wenst van teveel betaalde belasting omdat hij geen gebruik meer
maakt, of in het geheel geen gebruik heeft gemaakt van de dienst ter zake
waarvan de belasting is geheven, kwijtschelding inderdaad niet aan de orde
is. Als iemand een aanslag ontvangt ter zake van het gebruik maken van een
dienst, terwijl die dienst in feite niet is verleend, is hij ten onrechte
aangeslagen. In een dergelijk geval kan via een bezwaarschrift vernietiging
van de aanslag worden gevraagd. Als een belastingplichtige wordt aangeslagen
voor het gedurende een jaar gebruik maken van een bepaalde dienst terwijl
hij in feite slechts voor een deel van dat jaar daarvan gebruik
heeft gemaakt, zal hij in het algemeen ontheffing kunnen verzoeken voor een
evenredig deel van de verschuldigde belasting.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A. G. M. van de Vondervoort