nr. 72b
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 17 november 1995
Mede namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken spreken wij onze
erkentelijkheid uit aan de leden van de vaste commissie voor Financiën
voor de voortvarende wijze waarop zij hebben gereageerd op het onderhavige
voorstel. Hierna zullen wij, eveneens mede namens de Staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken, ingaan op de door deze leden gestelde vragen.
Met betrekking tot de vraag van de leden van de vaste commissie voor Financiën
hoe het kan zijn dat een wetsvoorstel met een ingangsdatum van 1 december
1995, op 31 januari 1995 bij de Tweede Kamer wordt ingediend en pas op 6 november
de Eerste Kamer bereikt, merken wij het volgende op.
In het wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer is ingediend lag een houderschapsheffing
besloten met verplichte jaarkaarten voor in Nederland geregistreerde vrachtwagens
en was belasting verschuldigd voor het gebruik van alle wegen. In het licht
van de kritische reactie hierop van de vaste commissie voor Financiën
uit de Tweede Kamer in het verslag van 13 maart 1995 (Kamerstukken II 1994/95,
24 070, nr. 4), hebben wij reden gezien het wetsvoorstel te wijzigen.
Deze wijzigingen kwamen er op neer dat de aanschaf van een jaarkaart niet
langer verplicht werd gesteld en de belasting slechts verschuldigd zou zijn
als gebruik gemaakt wordt van de autosnelweg.
Dit vergde evenwel een ingrijpende aanpassing van het wetsvoorstel. Daarnaast
moest duidelijkheid worden verkregen of het gewijzigde systeem zou passen
binnen de randvoorwaarden van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De wijzigingen
zijn bij de op 22 september 1995 ingediende nota van wijziging in het wetsvoorstel
aangebracht, gelijktijdig met de indiening van de nota naar aanleiding van
het verslag (Kamerstukken II 1995/96, 24 070, nr. 6 en nr. 7). Daarbij
is tevens de oorspronkelijk voorziene ingangsdatum van 1 juli 1995 verschoven
naar een latere datum. Dat hiervoor gekozen is voor de datum van 1 december
1995 en niet bij voorbeeld voor 1 januari 1996, hangt samen met de betalingssystematiek
die in het gewijzigde stelsel is neergelegd. De belasting dient namelijk vóór
de aanvang van het autosnelweggebruik te worden betaald. De in het voorstel
opgenomen periode van 1 maand tussen de inwerkingtreding van de wet op 1 december
1995 en de aanvang van het eerste tijdvak op 1 januari 1996 biedt
de wettelijke basis om de ondernemer de aangifte en betaling ook daadwerkelijk
vóór 1 januari 1996 te kunnen laten doen.
De leden van de VVD-fractie vragen of de perceptiekosten van 10% eenmalig
zijn, of dat zij verhoudingsgewijs hoog blijven.
De perceptiekosten van 10% van de opbrengst betreffen structurele kosten.
De relatief hoge kosten worden met name veroorzaakt door de wijze van de heffing
van de belasting, waarbij per aangifte een certificaat wordt verstrekt, de
aanvang van het tijdvak niet vooraf vastligt en bovendien de belastingplicht
is gekoppeld aan uitsluitend het gebruik van de autosnelweg. Daardoor kan
bij voorbeeld niet worden volstaan met het sturen van een aangiftebiljet en
het innen van de belasting. Bovendien is het kleinst mogelijke tijdvak één
dag, zodat het aantal te verstrekken certificaten flink kan oplopen.
De hiervoren omschreven aspecten hebben ook gevolgen voor de intensiteit
van de controle. Om een goede naleving van de wetgeving te bewerkstelligen,
is een relatief hoge controlefrequentie nodig. Van de 14,7 mln structurele
kosten is 9,5 mln bestemd voor heffing en inning van de belasting (met inbegrip
van de verstrekking van certificaten) en 5,2 mln voor de controle door de
Belastingdienst en de rijksverkeersinspectie.
Deze leden vragen voorts naar onze opvatting ten aanzien van mogelijke
tariefverhogingen in de toekomst. Dit met het oog op de voornemens die hierover
in Duitsland zijn geuit. Zoals wij in de nota naar aanleiding van het verslag
aan de vaste commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer hebben aangegeven,
is voor een verhoging van het maximumtarief voor het jaarcertificaat –
dit maximum is met de huidige tarieven reeds bereikt – wijziging van
de aan het onderhavige voorstel van wet ten grondslag liggende richtlijn1 noodzakelijk. In artikel 8, onderdeel f,
van de richtlijn is voorzien dat het maximumtarief om de twee jaar wordt bezien,
voor de eerste maal op 1 januari 1997. Voor een aanpassing is de goedkeuring
van alle EU-lidstaten nodig. De kans op een substantiële verhoging van
het maximum achten wij dan ook gering. Wat betreft de toekomstige ontwikkelingen
gaat onze voorkeur uit naar invoering van een systeem van elektronische road-pricing.
De leden van de VVD-fractie wijzen tenslotte op de vrijstellingen welke
op ruime schaal worden verleend. Zij vragen hoe het dienaangaande met de fraudegevoeligheid
is gesteld.
De in artikel 15 van het nader gewijzigde voorstel van wet opgenomen vrijstellingen
zijn feitelijk niet zo talrijk. Het betreft een zestal categorieën vervoermiddelen
waarvoor ook in de sfeer van de motorrijtuigenbelasting een vrijstelling,
een verlaagd tarief of een bijzondere regeling van toepassing is. Voor het
merendeel van deze categorieën geldt dat de vervoermiddelen zich door
middel van bijzondere kentekens of andere uiterlijke kenmerken onderscheiden
van andere vervoermiddelen. De fraudegevoeligheid achten wij dan ook gering,
mede gezien de ervaringen bij de motorrijtuigenbelasting.
Naast de hiervoor genoemde vrijstellingen is in de memorie van toelichting
en in de nota naar aanleiding van het verslag ter zake van het onderhavige
wetsvoorstel (Kamerstukken II 1994/95, 24 070, nr. 3, respectievelijk
1995/96, 24 070 nr. 6) een aantal categorieën vervoermiddelen genoemd
waarop de belasting zware motorrijtuigen niet van toepassing is. Dit zijn
vervoermiddelen welke niet uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen
over de weg en reeds uit dien hoofde buiten de werkingssfeer van de belasting
vallen. Het betreffen dan ook geen vrijstellingen in formele zin. Ook met
betrekking tot deze categorieën vervoermiddelen geldt dat
zij zich qua uiterlijke kenmerken onderscheiden van andere vervoermiddelen.
Ook hier achten wij de fraudegevoeligheid gering.
De Staatssecretaris van Financiën,
G. Zalm
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink