nr. 94a
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Het verslag van het voorbereidend onderzoek van de vaste commissie voor
Economische Zaken geeft ondergetekenden aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Terecht constateerden de leden van de vaste commissie dat bij de behandeling
van het onderhavige wetsvoorstel in de Tweede Kamer verhoudingsgewijs veel
aandacht is besteed aan de bescherming van biotechnologische uitvindingen.
Deze leden stelden vast dat nog veel niet duidelijk is geworden met betrekking
tot biotechnologische uitvindingen. In verband daarmee stelden zij enkele
vragen over deze problematiek.
Ondergetekenden wijzen er op dat de discussie over de biotechnologische
uitvindingen in het kader van de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel
tot goedkeuring van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien, vooral
van procedurele aard is geweest. De eerste ondergetekende heeft bij die gelegenheid
bevestigd, dat ook de Tweede Kamer een afschrift zal ontvangen van de notitie
inzake de wenselijkheid en mogelijkheid van het toevoegen van criteria van
ecologische, ethische en maatschappelijke aard. Deze notitie zal worden uitgebracht
na ontvangst en verwerking van het advies van de Raad van State terzake. Dit
advies is nog niet uitgebracht maar zal naar verwachting binnenkort het licht
zien. Indien deze verwachting uitkomt, zal het parlement de toegezegde notitie
in de eerste helft van 1996 tegemoet kunnen zien.
Aan de Tweede Kamer is tevens toegezegd dat tegelijk met de toezending
van bovengenoemde notitie, de Tweede Kamer een nadere uiteenzetting zal ontvangen
over de uitleg van artikel 3 van de Rijksoctrooiwet 1995. Op verzoek van de
Tweede Kamer zal de gehele inhoud van dit artikel, met inbegrip van de wijzigingen
die daarin bij het amendement Witteveen/Van der Hoeven (Kamerstukken II 1993/94,
22 604, nr. 38) zijn aangebracht, belicht worden. De tweede en derde
vraag van de leden van de vaste commissie hebben eveneens betrekking op de
inhoud van artikel 3 van de Rijksoctrooiwet 1995. Het heeft gelet op bovengenoemde
toezegging de voorkeur van de eerste ondergetekende om deze vragen te beantwoorden
door toezending van een afschrift aan de Eerste Kamer van bovenbedoelde uiteenzetting.
De onderwerpen die in de eerste en de vierde vraag van de leden van de
vaste commissie zijn aangeroerd, zullen behandeld worden in de notitie
over de mogelijke introduktie van ethische, ecologische en maatschappelijke
criteria in het octrooirecht. Ook wat dit betreft geeft de eerste ondergetekende
er de voorkeur aan om deze vragen niet nu inhoudelijk te behandelen maar in
de context van deze notitie.
Deze werkwijze vraagt nog enig geduld van de leden van de Eerste Kamer
maar heeft naar het oordeel van de eerste ondergetekende het grote voordeel,
dat na ontvangst van de toegezegde stukken een totaal overzicht verkregen
kan worden en, indien gewenst, een debat kan worden gevoerd over alle aspecten
van het vraagstuk van de bescherming van biotechnologische uitvindingen.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok-van Weele
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager