23 953 (R 1524)
Goedkeuring van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien; Luxemburg 15 december 1989 (Trb. 1990, 121)

nr. 94a
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 8 januari 1996

Het verslag van het voorbereidend onderzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken geeft ondergetekenden aanleiding tot de volgende opmerkingen. Terecht constateerden de leden van de vaste commissie dat bij de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel in de Tweede Kamer verhoudingsgewijs veel aandacht is besteed aan de bescherming van biotechnologische uitvindingen. Deze leden stelden vast dat nog veel niet duidelijk is geworden met betrekking tot biotechnologische uitvindingen. In verband daarmee stelden zij enkele vragen over deze problematiek.

Ondergetekenden wijzen er op dat de discussie over de biotechnologische uitvindingen in het kader van de behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel tot goedkeuring van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien, vooral van procedurele aard is geweest. De eerste ondergetekende heeft bij die gelegenheid bevestigd, dat ook de Tweede Kamer een afschrift zal ontvangen van de notitie inzake de wenselijkheid en mogelijkheid van het toevoegen van criteria van ecologische, ethische en maatschappelijke aard. Deze notitie zal worden uitgebracht na ontvangst en verwerking van het advies van de Raad van State terzake. Dit advies is nog niet uitgebracht maar zal naar verwachting binnenkort het licht zien. Indien deze verwachting uitkomt, zal het parlement de toegezegde notitie in de eerste helft van 1996 tegemoet kunnen zien.

Aan de Tweede Kamer is tevens toegezegd dat tegelijk met de toezending van bovengenoemde notitie, de Tweede Kamer een nadere uiteenzetting zal ontvangen over de uitleg van artikel 3 van de Rijksoctrooiwet 1995. Op verzoek van de Tweede Kamer zal de gehele inhoud van dit artikel, met inbegrip van de wijzigingen die daarin bij het amendement Witteveen/Van der Hoeven (Kamerstukken II 1993/94, 22 604, nr. 38) zijn aangebracht, belicht worden. De tweede en derde vraag van de leden van de vaste commissie hebben eveneens betrekking op de inhoud van artikel 3 van de Rijksoctrooiwet 1995. Het heeft gelet op bovengenoemde toezegging de voorkeur van de eerste ondergetekende om deze vragen te beantwoorden door toezending van een afschrift aan de Eerste Kamer van bovenbedoelde uiteenzetting.

De onderwerpen die in de eerste en de vierde vraag van de leden van de vaste commissie zijn aangeroerd, zullen behandeld worden in de notitie over de mogelijke introduktie van ethische, ecologische en maatschappelijke criteria in het octrooirecht. Ook wat dit betreft geeft de eerste ondergetekende er de voorkeur aan om deze vragen niet nu inhoudelijk te behandelen maar in de context van deze notitie.

Deze werkwijze vraagt nog enig geduld van de leden van de Eerste Kamer maar heeft naar het oordeel van de eerste ondergetekende het grote voordeel, dat na ontvangst van de toegezegde stukken een totaal overzicht verkregen kan worden en, indien gewenst, een debat kan worden gevoerd over alle aspecten van het vraagstuk van de bescherming van biotechnologische uitvindingen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

A. van Dok-van Weele

De Minister van Buitenlandse Zaken,

H. A. F. M. O. van Mierlo

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven