23 953 (R 1524)
Goedkeuring van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien; Luxemburg 15 december 1989 (Trb. 1990, 121)

nr. 94
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN1

Vastgesteld 14 november 1995

Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de commissie van Economische Zaken hadden geconstateerd dat door de Tweede Kamer bij de behandeling van bovengenoemd wetsvoorstel naar verhouding veel aandacht is besteed aan de bescherming van biotechnologische uitvindingen, mede naar aanleiding van de plenaire behandeling in de Eerste Kamer van de Rijksoctrooiwet 1993 (Kamerstuk 22 604 (R 1435) ) (Handelingen EK, 1994–1995, nr. 8). Tevens hadden deze leden moeten vaststellen dat nog (te) veel met betrekking tot biologische uitvindingen niet duidelijk is geworden. In het belang van heldere, eenduidige regelgeving achtten de betrokken leden het wenselijk dat de staatssecretaris antwoord geeft op de volgende vragen:

– Hoe krijgt artikel 3, onderdeel a van de Rijksoctrooiwet, nl. niet vatbaar voor octrooi zijn «uitvindingen waarvan de openbaarmaking of toepassing in strijd zou zijn met de openbare orde of goede zeden» praktisch en juridisch gestalte? Verdient dergelijke octrooiverlening in Nederland en/of door het Europees octrooibureau nadere uitwerking in de wet en in de EU-richtlijn biotechnologie?

– Op welke wijze dient het amendement-Witteveen/Van der Hoeven (Kamerstuk TK, 22 604 (R 1435), nr. 38) op artikel 3, onderdeel b van de Rijksoctrooiwet te worden geïnterpreteerd?

– Wat is de betekenis van de formulering in artikel 3, onderdeel b van de Rijksoctrooiwet: «werkwijzen van wezenlijke biologische aard»?

– Wat behelst de «ethische toets» zoals vastgelegd in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren? Hoe krijgt deze bepaling vorm en inhoud in relatie tot de Rijksoctrooiwet 1993?

Naast antwoorden op het voorgaande moge duidelijk zijn dat de leden van de vaste commissie voor Economische Zaken het van belang achtten dat de staatssecretaris op korte termijn de in december 1994 aan de Eerste Kamer toegezegde notitie het licht doet zien. Deze notitie heeft zoals bekend betrekking op criteria van ecologische, ethische en maatschappelijke aard. Tevens zou inzicht worden gegeven in de wijze waarop deze criteria in relatie tot de Rijksoctrooiwet 1993 tot gelding komen.

Vertrouwende dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Hilarides

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Pit (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van Dijk (CDA), Stevens (CDA), Hilarides (VVD), (voorzitter), Staal (D66), J. van Leeuwen (CDA), Schoondergang-Horikx (GL), Van den Berg (SGP), Loudon (VVD), Ketting (VVD) en Bierman.

Naar boven