nr. 94
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN1
Vastgesteld 14 november 1995
Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende
vragen en opmerkingen.
De leden van de commissie van Economische Zaken hadden geconstateerd dat
door de Tweede Kamer bij de behandeling van bovengenoemd wetsvoorstel naar
verhouding veel aandacht is besteed aan de bescherming van biotechnologische
uitvindingen, mede naar aanleiding van de plenaire behandeling in de Eerste
Kamer van de Rijksoctrooiwet 1993 (Kamerstuk 22 604 (R 1435) ) (Handelingen
EK, 1994–1995, nr. 8). Tevens hadden deze leden moeten vaststellen dat
nog (te) veel met betrekking tot biologische uitvindingen niet duidelijk is
geworden. In het belang van heldere, eenduidige regelgeving achtten de betrokken
leden het wenselijk dat de staatssecretaris antwoord geeft op de volgende
vragen:
– Hoe krijgt artikel 3, onderdeel a van de Rijksoctrooiwet, nl.
niet vatbaar voor octrooi zijn «uitvindingen waarvan de openbaarmaking
of toepassing in strijd zou zijn met de openbare orde of goede zeden»
praktisch en juridisch gestalte? Verdient dergelijke octrooiverlening in Nederland
en/of door het Europees octrooibureau nadere uitwerking in de wet en in de
EU-richtlijn biotechnologie?
– Op welke wijze dient het amendement-Witteveen/Van der Hoeven (Kamerstuk
TK, 22 604 (R 1435), nr. 38) op artikel 3, onderdeel b van de Rijksoctrooiwet
te worden geïnterpreteerd?
– Wat is de betekenis van de formulering in artikel 3, onderdeel
b van de Rijksoctrooiwet: «werkwijzen van wezenlijke biologische aard»?
– Wat behelst de «ethische toets» zoals vastgelegd in
de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren? Hoe krijgt deze bepaling vorm
en inhoud in relatie tot de Rijksoctrooiwet 1993?
Naast antwoorden op het voorgaande moge duidelijk zijn dat de leden van
de vaste commissie voor Economische Zaken het van belang achtten dat de staatssecretaris
op korte termijn de in december 1994 aan de Eerste Kamer toegezegde notitie
het licht doet zien. Deze notitie heeft zoals bekend betrekking op criteria
van ecologische, ethische en maatschappelijke aard. Tevens zou inzicht worden
gegeven in de wijze waarop deze criteria in relatie tot de Rijksoctrooiwet
1993 tot gelding komen.
Vertrouwende dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de
commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende
voorbereid.
De voorzitter van de commissie,
Hilarides
De griffier van de commissie,
Hordijk
XNoot
1Samenstelling: Pit (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van Dijk (CDA), Stevens (CDA),
Hilarides (VVD), (voorzitter), Staal (D66), J. van Leeuwen (CDA), Schoondergang-Horikx
(GL), Van den Berg (SGP), Loudon (VVD), Ketting (VVD) en Bierman.