nr. 87
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 november 1995
De ondergetekenden zeggen de fracties van de Eerste Kamer dank voor de
behandeling van het onderhavige wetsvoorstel.
In het onderstaande zal worden gereageerd op de gestelde vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van het CDA hebben met gemengde gevoelens kennis
genomen van het wetsvoorstel. Zij blijven grote twijfels houden over de noodzaak
van de voorgestelde wettelijke regeling. Alvorens een definitief oordeel te
geven vragen deze leden of een wettelijke regeling, zoals voorgesteld, ook
bestaat voor de besturen van instellingen in andere met het onderwijs vergelijkbare
sectoren, zoals de zorgsector of volkshuisvesting. Indien dat niet het geval
blijkt te zijn, stellen ze de vraag of kan worden aangegeven waarom de ondergetekenden
de regeling voor de onderwijssector wel noodzakelijk achten.
In antwoord hierop merken de ondergetekenden als volgt op.
Een wettelijke regeling, zoals voorgesteld, is de ondergetekenden niet
bekend in met het onderwijs vergelijkbare sectoren. Wel bevat de regelgeving
met betrekking tot de zorgsector in een tweetal gevallen voorschriften die
enigszins doen denken aan de in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen bepalingen.
Artikel 21, tweede lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening bepaalt dat
het bestuur van een samenwerkingsverband bij reglement regelen stelt omtrent
de werkwijze van het jeugdhulpadviesteam. Een reglement kan een nadere regeling
bevatten omtrent de samenstelling en de taak van het jeugdhulpadviesteam,
zo wordt daar nog aan toegevoegd.
Deze bepaling heeft de bedoeling om op regionaal niveau de activiteiten
van de verschillende jeugdhulpadviesteams op elkaar af te stemmen. In een
reglement worden de onderlinge verhoudingen – waartoe bij voorbeeld
ook de financiële aspecten behoren – geregeld.
Naar de mening van de ondergetekenden is in dit geval sprake van een andere
materie dan die van het onderhavige wetsvoorstel. De relatie tussen het bevoegd
gezag van een school en de dagelijkse schoolleiding (de directeur,
de rector, de centrale directie) is dat het bevoegd gezag de directie benoemt
en – op een klein aantal uitzonderingen na – het orgaan is waaraan
de onderwijswetgeving taken en bevoegdheden opdraagt.
In tegenstelling hiermee kan, zo menen de ondergetekenden, de relatie
tussen het bestuur van een samenwerkingsverband en een jeugdhulpadviesteam
niet op dezelfde wijze worden omschreven. Het samenwerkingsverband functioneert
meer als een instantie die in een bepaalde regio de werkzaamheden van de jeugdhulpadviesteams
zo goed mogelijk op elkaar afstemt. Aan de taken van de jeugdhulpadviesteams
kan slechts in zoverre iets worden toegevoegd, dat dat alleen betrekking kan
hebben op de hier bedoelde afstemming c.q. regeling van de onderlinge verhoudingen
tussen de jeugdhulpadviesteams.
De artikelen 57 en 58 van de Ziekenfondswet houden het volgende in. De
Ziekenfondsraad kan door hem ingestelde commissies «machtigen namens
hem te handelen». Volgens artikel 58 stelt de Ziekenfondsraad een reglement
vast voor zijn werkzaamheden. Hierbij kan worden geregeld «dat bepaalde
zijner bevoegdheden worden overgedragen aan de voorzitter, een commissie uit
de raad of de algemeen secretaris».
In deze bepaling zijn elementen te herkennen die reeds op enkele plaatsen
in de huidige onderwijswetgeving voorkomen. Het gaat hier onder meer om de
mogelijkheid dat de uitvoering van bepaalde taken en bevoegdheden wordt overgedragen
aan een orgaan van een rechtspersoon (de Ziekenfondsraad is bij de wet als
rechtspersoon aangewezen). Ter vergelijking: artikel 37c van de Wet op het
voortgezet onderwijs kent reeds de mogelijkheid voor het bevoegd gezag van
een school voor middelbaar beroepsonderwijs of van een school voor voortgezet
algemeen volwassenenonderwijs om de uitvoering van taken over te dragen (te
delegeren) aan de centrale directie van de school.
Wat betreft de sector volkshuisvesting kan niet op een voorziening worden
gewezen die is te vergelijken met de materie van het onderhavige wetsvoorstel.
Hoewel op de noodzaak van het onderhavige wetsvoorstel in de memorie van
toelichting en in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer
reeds was ingegaan, zetten de ondergetekenden hier de argumenten daarvoor
nog eens op een rij.
Ten eerste is er de uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer zelf om in
de wet de verplichting tot het vaststellen van een directiestatuut op te nemen.
Immers, ten grondslag aan het onderhavige wetsvoorstel ligt de motie van het
kamerlid Franssen c.s. die tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wet
medezeggenschap onderwijs 1992 was ingediend (Kamerstukken II 1991/92, 22 461,
nr. 32).
Daarnaast kan worden gewezen op het veranderingsproces dat op de betrokken
scholen moet leiden tot een versterkte en professionelere positie van de schoolleiding
in een moderne arbeidsorganisatie met een eigen organisatie- en personeelsbeleid.
In dat kader achten de ondergetekenden het uiterst wenselijk dat op alle betrokken
scholen een directiestatuut zal worden opgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel
dient daarvoor als wettelijke stimulans. Door de thans voorgestelde bepalingen
wordt – het zij wellicht ten overvloede nog opgemerkt – niet voorgeschreven
in hoeverre het bevoegd gezag de uitoefening van aan hem opgedragen taken
en bevoegdheden zou dienen over te laten aan de schoolleiding. Dit is en blijft
een zaak van het bevoegd gezag. Weliswaar bevat het directiestatuut instructies
voor de schoolleiding voor de taakuitoefening, maar niet is aangegeven hoever
dergelijke instructies kunnen of mogen gaan. Het betreft een aangelegenheid
waarin de wetgever niet treedt. Het bevoegd gezag neemt hierover de besluiten.
Ten slotte past het wetsvoorstel in de afspraken die zijn gemaakt tijdens
het Schevenings Beraad.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
T. Netelenbos
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J. J. van Aartsen