Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal1995-199623788 nr. 30b

23 788
Hernieuwde vaststelling van de Oorlogswet voor Nederland ter aanpassing aan de Grondwet en aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Oorlogswet voor Nederland)

23 789
Hernieuwde vaststelling van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ter aanpassing aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag)

23 790
Regels met betrekking tot uitzonderingstoestanden (Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)

23 791
Aanpassing van de noodwetgeving aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en nieuwe regels ter harmonisatie van de terminologie voor buitengewone omstandigheden waarin noodwetgeving kan worden toegepast en de procedures volgens welke noodwetgeving buiten een uitzonderingstoestand in werking wordt gesteld (Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)

nr. 30b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 11 maart 1996

De leden van de VVD-fractie wilden meer duidelijkheid over de rol van de Staten-Generaal bij de afkondiging van noodwetgeving in geval van conflictsituaties tussen regering en parlement, bijvoorbeeld indien de Staten-Generaal bij separate toepassing een verlengingswet weigeren goed te keuren. Zij erkenden dat in een dergelijke situatie de verhouding tussen regering en parlement formeel «normaal» is en beide hun wederzijdse bevoegdheid hebben, doch zij meenden dat materieel in een toestand van nood een en ander toch anders ligt. Zij vroegen of de regering het reëel acht te veronderstellen dat de Staten-Generaal in een dergelijke situatie het vertrouwen in het kabinet zouden opzeggen dan wel dat het kabinet eigener beweging zou aftreden.

Allereerst willen wij erop wijzen dat, mocht in een concreet geval sprake zijn van een verschil in opvatting tussen regering en parlement over de inzet van noodwettelijke bevoegdheden, dit meningsverschil niet pas aan het licht zal komen bij de behandeling van de verlengingswet. Verwacht mag worden dat dit reeds bij de afkondiging van het koninklijk besluit tot inwerkingstelling van noodwettelijke bepalingen zal blijken aangezien, naar men gevoeglijk mag aannemen, het parlement de regering daarvoor in zo'n geval onmiddellijk ter verantwoording zal roepen en daarmee niet zal wachten totdat de verlengingswet is ingediend. Zou in die gedachtenwisseling blijken dat er sprake is van een blijvend verschil in taxatie tussen de regering en (een meerderheid van) het parlement over de noodzaak de zich voordoende crisissituatie het hoofd te bieden met de geactiveerde bevoegdheden, dan is het zeer wel denkbaar dat de vertrouwenskwestie aan de orde komt. Het is immers niet goed voorstelbaar dat in een situatie waarin het aankomt op een zo groot mogelijke eensgezindheid een verschil van opvatting op zo'n essentieel punt zonder politieke gevolgen blijft. Het is evenwel precies om die reden dat de door de leden van de VVD-fractie geschetste situatie toch als betrekkelijk theoretisch kan worden gekenschetst. Het is in de praktijk niet te verwachten dat een kabinet inwerkingstelling van noodwetgeving zal bevorderen als er gerede twijfel mogelijk is of de beschikbaar komende bevoegdheden wel noodzakelijk zijn om de crisissituatie het hoofd te kunnen bieden. Doet het kabinet dat toch, dan zou het geen bevreemding mogen wekken als het kabinet eventueel in politieke moeilijkheden terecht zou komen, ook al zou het zoals altijd van de concrete omstandigheden afhangen hoe ernstig de politieke gevolgen zouden zijn. Daarbij zal, afhankelijk van de ernst van de crisissituatie, mede een rol kunnen spelen het antwoord op de vraag in hoeverre het verantwoord is te achten dat het kabinet in die situatie demissionair zou worden.

De leden van de fracties van de VVD en de PvdA stelden enkele vragen naar aanleiding van de gedachtenwisseling in de Tweede Kamer. Wat betreft de werkgroep van het ministerie en de VNG, die zich tot taak heeft gesteld te onderzoeken of het huidig bestuurlijk en juridisch instrumentarium de burgemeesters voldoende mogelijkheden biedt voor de handhaving van de openbare orde, moge ik verwijzen naar mijn brief van 13 december 1995 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 VII, nr. 30).

Naar aanleiding van de opmerkingen over het project crisisbeheersing en een mogelijke wijziging van de noodwetgeving, moge ik eveneens verwijzen naar genoemde brief van 13 december 1995. Daarin is aangegeven dat vanwege de omvang en de complexiteit van het stelsel van noodbevoegdheden, het algeheel herzien en doorlichten van het gehele stelsel van noodwetgeving een te omvangrijke operatie zou zijn. Ik acht het zinvoller telkens op een afgebakend terrein de noodwetgeving inhoudelijk te beoordelen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de ervaringen die in concrete crisissituaties zijn opgedaan.

De leden van de genoemde fracties vroegen voorts naar de vorderingen van de Adviescommissie Oefenen Rampenbestrijding, ook wel de Commissie-Hermans genoemd. Deze commissie heeft inmiddels advies aan mij uitgebracht over de maatregelen die nodig zijn om de kwantiteit en de kwaliteit van de bestuurlijke, multidisciplinaire en geneeskundige oefeningen voor rampenbestrijding te bevorderen. Het advies is bij brief van 21 december 1995, EB95/2769, aangeboden aan de Tweede Kamer. Ten aanzien van het gevraagde overzicht van oefeningen in crisisbeheersing merk ik op dat er op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau oefeningen worden gehouden. Op nationaal niveau vinden deze plaats in het kader van het project crisisbeheersing alsmede ter voorbereiding op bijvoorbeeld rampen ten gevolge van kernongevallen. In het project wordt momenteel een opleidings- en oefenplan ontwikkeld, dat aangeeft hoe de rijksoverheid zich kan voorbereiden op de besluitvorming in crisisomstandigheden. Daarnaast worden onder leiding van het Crisis Onderzoeks Team door de provincies oefeningen gehouden, terwijl regionaal multidisciplinaire oefeningen – dat wil zeggen de brandweer samen met de politie en/of de geneeskundige partners – worden gehouden op het terrein van de rampenbestrijding. Uit een opgave van het College van Commandanten van Regionale Brandweren blijkt dat in 1995 per brandweerregio gemiddeld ongeveer 5 van deze oefeningen zijn gehouden. Voor 1995 was tevens gepland dat in circa 50% van de gemeenten bestuurlijke oefeningen worden gehouden ter voorbereiding op rampen en andere crisissituaties. Omdat ik nog niet beschik over opgaven van de commissarissen van de Koningin, is mij op dit moment niet bekend of deze oefeningen alle zijn gehouden.

23 789

De leden van de CDA-fractie vroegen of het begrip «volksbestaan» uit artikel 18, eerste lid, nader omschreven kan worden. De woorden «het volksbestaan bedreigende» zijn indertijd ingevoegd om de wet op dit punt aan te passen aan het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950. Volgens artikel 15 van dat Verdrag zijn beperkingen van daarin vervatte grondrechten geoorloofd «in tijd van oorlog of in geval van enige andere algemene noodtoestand, welke het bestaan van het volk bedreigt».

23 791

In antwoord op een daartoe strekkende vraag van de leden van de CDA-fractie wijzen wij op artikel 157 van de wet van 28 augustus 1851 (Stb. 125) regelende de onteigening ten algemeenen nutte waarin is bepaald: Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van «onteigeningswet».

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

De Minister van Defensie,

J. J. C. Voorhoeve