23 720
Regels met betrekking tot de geestelijke verzorging in instellingen in de zorgsector, in justitiële inrichtingen en in de krijgsmacht (Wet geestelijke verzorging zorginstellingen, justitiële inrichtingen en krijgsmacht)

nr. 208a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT1

Vastgesteld 23 april 1996

Het voorbereidend onderzoek gaf de commissies aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

1. Algemeen

Met belangstelling en enige verbazing hadden de leden van de VVD-fractie kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij zagen allen aanleiding een aantal vragen te stellen.

Kan de regering nog eens uitleggen waarom dit wetsvoorstel noodzakelijk is? De Raad van State noemt het wetsvoorstel «niet opportuun» (Kamerstukken Tweede Kamer 23 720, B, blz. 1).

En daar voegt de Raad van State aan toe: «Als er al tot nadere regelgeving ...... moet worden overgegaan, is aanvulling per deelterrein van de bestaande .....regelingen meer aangewezen» (Kamerstukken Tweede Kamer, 23 720, B, blz. 1).

De Raad van State adviseerde voordat de Kwaliteitswet zorginstellingen (Kamerstukken Tweede Kamer, 23 633) in de Tweede Kamer werd behandeld. Daar werd via een amendement ook de geestelijke verzorging ingebracht.

Artikel 63 van de gevangenismaatregel bepaalt dat aan iedere inrichting een of meerdere geestelijke verzorgers verbonden zijn. Bovendien zullen in een herziene wetgeving op het gevangeniswezen bepalingen (Kamerstukken Tweede Kamer, 23 445) over geestelijke verzorging worden opgenomen en heeft onderliggende wet op dat gebied dus een tijdelijk karakter.

Wat is in het licht van het bovenstaande nog de meerwaarde van deze wet? Is niet één van de doelstellingen van deze regering om te dereguleren? Past het onderhavige wetsvoorstel daarin?

Hoe denkt de regering om te gaan met de twee verschillende regelingen over geestelijke verzorging, die onderling verschillen (de regeling in de Kwaliteitswet zorginstellingen en onderhavige wet)? Waar hebben instellingen zich aan te houden?

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel geestelijke verzorging in instellingen in de zorginstellingen en in justitiële inrichtingen in de uiteindelijke versie, d.w.z. inclusief de twee aanvaarde amendementen. Gelet op de behandeling van de Kwaliteitswet zorginstellingen en de aan de wettekst verbonden interpretatie in combinatie met dit wetsvoorstel en de gegeven uitleg terzake zeiden deze leden met dit wetsvoorstel te kunnen instemmen.

Ook de leden van de fractie van D66 zeiden het onderhavige wetsvoorstel te steunen. Zij achtten geestelijke verzorging zowel in de zorgsector als in de justitiële inrichting een belangrijke bijdrage aan het welbevinden van betrokkenen.

De leden van de SGP-, de RPF- en GPV-fractie hadden met reserves kennis genomen van het wetsvoorstel. Ofschoon zij op zichzelf genomen konden instemmen met een zekere uitwerking van de in artikel 6 van de Grondwet neergelegde vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in formele wetgeving, waren bij hen toch diverse vragen gerezen omtrent de opportuniteit van dit wetsvoorstel. Zij neigden er sterk toe wat dit betreft het oordeel van de Raad van State bij te vallen. Hun twijfels waren nog in sterke mate toegenomen door het bij nota van wijziging (nr. 8) door de regering toegevoegde artikel 8a enerzijds en de amendering door de Tweede Kamer anderzijds, ten gevolge waarvan het genoemde artikel 8a uit het voorstel is geschrapt (amendement Bremmer, nr. 9) en hoofdstuk IIIA krijgsmacht is ingevoegd (amendement Apostolou, nr. 10). Hierbij betrokken deze leden ook de brief van de minister van Justitie en de staatssecretaris van Defensie aan de Tweede Kamer d.d. 8 februari 1996 (stuk nr. 11), welke de aankondiging bevat dat de genoemde bewindslieden op korte termijn met een voorstel tot regeling van de geestelijke verzorging bij Defensie zullen komen.

Gezien deze stand van zaken, gevoegd bij de voornemens, deels reeds in bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstellen vorm gegeven, tot nadere specifieke regelgeving in afzonderlijke wetten, had bij deze leden de sterke behoefte opgeroepen aan een inhoudelijk beargumenteerd en procedureel samenhangend beeld van de regelgeving die tenslotte de bereikbaarheid, toegankelijkheid en beschikbaarheid zal beheersen.

Concreet stelden deze leden de vraag hoe de regering de amendering door de Tweede Kamer beoordeelt en welke gevolgen deze amendering zal hebben voor de eigen voornemens met betrekking tot verdere regelgeving. Daarbij zouden zij graag de vraag in beschouwing genomen zien of er, gezien de bestaande voornemens, nog wel behoefte bestaat aan het onderhavige wetsvoorstel en zo ja, wat, indien het voorstel kracht van wet zou krijgen, de geschatte «levensduur» van de diverse onderdelen van de wet zal zijn.

Voorzover de vragen van bovengenoemde leden betrekking hebben op het bij amendement ingevoegde hoofdstuk IIIA sloten de leden van de commissie zich bij deze vragen aan.

2. Financiële consequenties

In de toelichting noemt de regering, aldus de leden van de VVD-fractie, de financiële consequenties van het wetsvoorstel. Ook op dit onderdeel heeft de Raad van State forse kritiek.

Wat kunnen de financiële consequenties voor de instellingen zijn? Zal het niet zo zijn, dat de instellingen nu moeten gaan betalen voor geestelijke verzorging, daar waar tot nu toe ook kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag een deel van de financiële verantwoordelijkheid op zich nemen? Heeft de regering inzicht in de financiële verhoudingen tussen kerk en instellingen in dit verband?

Is het niet zo, dat zorginstellingen het laatste jaar al overspoeld zijn met wetgeving (zoals Arbo wet, Klachtrecht, medezeggenschap en kwaliteitswet), die allen een lastenverzwaring voor de instellingen betekenen? Deelt de regering de zorg van de VVD-fractie dat dit kan leiden tot kwaliteitsverlies in de zorginstellingen?

De voorzitter van de commissie voor Justitie,

Heijne Makkreel

De voorzitter van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Ter Veld

De griffier van de commissie voor Justitie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Justitie: Heijne Makkreel (VVD) (voorzitter), Talsma (VVD), Glasz (CDA), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Holdijk (SGP), Vrisekoop (D66), Pitstra (GL), Le Poole (PvdA), Cohen (PvdA), De Wit (SP), Hirsch Ballin (CDA) en De Haze Winkelman (VVD).

Volksgezondheid, Welzijn en Sport: Van de Zandschulp (PvdA), Heijmans (VVD), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Boorsma (CDA), Tuinstra (D66), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Werner (CDA), Batenburg Schoondergang-Horikx (GL), Van den Berg (SGP), Hendriks Ter Veld (PvdA) (voorzitter), Dees (VVD) en De Wit (SP).

Naar boven