23 720
Regels met betrekking tot de geestelijke verzorging in instellingen in de zorgsector, in justitiële inrichtingen en in de krijgsmacht (Wet geestelijke verzorging zorginstellingen, justitiële inrichtingen en krijgsmacht)

nr. 208
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

21 februari 1996

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen ter verzekering van de toegankelijkheid en beschikbaarheid van geestelijke verzorging in instellingen in de zorgsector, in justitiële inrichtingen en in de krijgsmacht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. cliënten: personen ten behoeve van wie de instelling bij de verwezenlijking van haar doelstelling werkt;

b. gedetineerden: personen die zijn ingesloten in gevangenissen of huizen van bewaring als bedoeld in artikel 6 van de Beginselenwet gevangeniswezen;

c. verpleegden: personen die zijn opgenomen in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

d. jeugdigen: personen die zijn opgenomen in een inrichting voor justitiële kinderbescherming als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening;

e. vreemdelingen: personen die gehouden zijn te verblijven in een grenslogies als bedoeld in artikel 7a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet;

f. instelling:

1°. een op grond van de Ziekenfondswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten erkende of als erkend aangemerkte instelling, zijnde:

– een ziekenhuis;

– een verpleeginrichting;

– een instelling voor verstandelijk gehandicapten;

– een instelling voor revalidatie;

– een instelling voor blinden en slechtzienden;

– een instelling voor doven en slechthorenden;

– «Het Dorp»;

– een psychiatrisch ziekenhuis; voor zover het betreft verblijf gedurende het etmaal;

2°. een bejaardenoord als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de bejaardenoorden;

3°. een tot de residentiële jeugdhulpverlening behorende voorziening, zijnde:

– een voorziening voor crisisopvang als bedoeld onder II, onderdeel 1, van de bijlage bij de Wet op de jeugdhulpverlening;

– een observatietehuis als bedoeld onder II, onderdeel 2, van de bijlage bij de Wet op de jeugdhulpverlening;

– een tehuis voor opvoeding en verzorging als bedoeld onder II, onderdeel 3, van de bijlage bij de Wet op de jeugdhulpverlening;

– een gezinshuis als bedoeld onder II, onderdeel 5, van de bijlage bij de Wet op de Jeugdhulpverlening;

– een medisch kindertehuis als bedoeld onder II, onderdeel 12, van de bijlage bij de Wet op de jeugdhulpverlening;

g. inrichting:

1°. een gevangenis of huis van bewaring als bedoeld in artikel 6 van de Beginselenwet gevangeniswezen;

2°. een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

3°. een rijksinrichting of een particuliere inrichting voor justitiële kinderbescherming als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening;

4°. een grenslogies als bedoeld in artikel 7a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet.

HOOFDSTUK II. ZORGINSTELLINGEN

Artikel 2

1. Cliënten genieten de vrijheid om geestelijke verzorging van de godsdienst of levensovertuiging van hun keuze te ontvangen en persoonlijk contact met geestelijke verzorgers te onderhouden.

2. Degene die een instelling in stand houdt draagt zorg dat in de instelling geestelijke verzorging beschikbaar is, die, de aard en de doelstelling van de instelling alsmede de personen die daar verblijven in aanmerking genomen, zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de cliënten.

HOOFDSTUK III. JUSTITIËLE INRICHTINGEN

Artikel 3

1. Gedetineerden, verpleegden, jeugdigen en vreemdelingen worden in de gelegenheid gesteld op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:

a. persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van de godsdienst of levensovertuiging van hun keuze, die aan de inrichting is verbonden;

b. contact met een andere dan de onder a genoemde geestelijke verzorger te onderhouden volgens de in de inrichting geldende bepalingen inzake bezoek;

c. in de inrichting te houden godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten van hun keuze bij te wonen.

2. De directeur dan wel de geneesheer-directeur kan het bijwonen van bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder c, verbieden in verband met de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.

3. De directeur dan wel de geneesheer-directeur draagt zorg dat in de inrichting geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerden, verpleegden, jeugdigen of vreemdelingen.

Artikel 4

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in verband met het in artikel 3, derde lid, bepaalde, nadere regels worden gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke verzorging.

2. Deze regels, die voor de te onderscheiden categorieën van inrichtingen verschillend kunnen zijn, kunnen betrekking hebben op:

a. de verlening van geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging;

b. de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging;

c. de aanstelling van geestelijke verzorgers bij een inrichting.

HOOFDSTUK IV. KRIJGSMACHT

Artikel 5

1. Personen behorende tot het militair personeel van de krijgsmacht, die in werkelijke dienst zijn, genieten de vrijheid om geestelijke verzorging van de godsdienst of levensovertuiging van hun keuze te ontvangen en persoonlijk contact met geestelijke verzorgers te onderhouden, tenzij omstandigheden van operationele aard zich hiertegen verzetten.

2. Onze Minister van Defensie draagt zorg dat ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personen geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van die personen.

HOOFDSTUK V. TOEZICHT

Artikel 6

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:

a. voor wat betreft de instellingen als bedoeld in artikel 1, onder f, sub 1, de hoofdinspecteurs, de inspecteurs en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren van het staatstoezicht op de volksgezondheid;

b. voor wat betreft de bejaardenoorden de ambtenaren als bedoeld in artikel 13 alsmede artikel 24d jo. artikel 13 van de Wet op de bejaardenoorden;

c. voor wat betreft de in artikel 1, onder f, sub 3 genoemde residentiële voorzieningen voor jeugdhulpverlening de Inspectie jeugdhulpverlening als bedoeld in artikel 54 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

d. voor wat betreft de inrichtingen de door Onze Minister van Justitie aan te wijzen ambtenaren;

e. voor wat betreft de toepassing van artikel 5 de door Onze Minister van Defensie aan te wijzen ambtenaren.

2. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd inlichtingen te verlangen en inzage te vorderen van bescheiden en daarvan afschrift te nemen, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

3. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner, voor zover dit voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 7

1. Een ieder is verplicht aan toezichthoudende ambtenaren alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs nodig hebben bij de uitoefening van hun bevoegdheden.

2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.

HOOFDSTUK VI. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 8

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Artikel 9

De artikelen 39 en 40 van de Beginselenwet gevangeniswezen vervallen.

Artikel 10

Indien het bij koninklijke boodschap van 12 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en overige verpleegden strafrechtstoepassing en daarmee verband houdende wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en de Beginselenwet gevangeniswezen (Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden) (23 445) tot wet wordt verheven, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

a

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c vervalt.

2. De onderdelen d tot en met g worden geletterd c tot en met f.

3. Onderdeel g, sub 2, vervalt, onder vernummering van sub 3 en 4 tot 2 en 3.

b

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid en derde lid vervalt telkens «verpleegden,».

2. In het eerste, tweede en derde lid vervalt telkens «dan wel de geneesheer-directeur».

Artikel 11

Indien het bij koninklijke boodschap van 1 augustus 1995 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een Penitentiaire beginselenwet en daarmee verband houdende intrekking van de Beginselenwet gevangeniswezen met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 5 wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering alsmede enige andere wetten (Penitentiaire beginselenwet) (24 263) tot wet wordt verheven, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

a

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt.

2. De onderdelen c tot en met f worden geletterd b tot en met e.

3. Onderdeel f, sub 1, vervalt, onder vernummering van sub 2 en 3 tot 1 en 2.

b

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Gedetineerden, jeugdigen en vreemdelingen» vervangen door: Jeugdigen en vreemdelingen.

2. In het derde lid vervalt «gedetineerden».

Artikel 12

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 13

Deze wet wordt aangehaald als: Wet geestelijke verzorging zorginstellingen, justitiële inrichtingen en krijgsmacht.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Staatssecretaris van Defensie

Naar boven