nr. 190b
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ondergetekenden hebben met belangstelling kennis genomen van het voorlopig
verslag van de vaste commissie voor Justitie en beantwoorden de daarin gestelde
vragen als volgt.
Alvorens tot de beantwoording van de vragen over te gaan merken wij op
dat met het oog op de leesbaarheid de op 15 juni 1990 te Dublin tot stand
gekomen Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk
is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten
van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend, zal worden aangeduid als de
Dublin-overeenkomst.
Gevraagd door de leden van de Commissie naar de reactie van de partners
in Unieverband op het Nederlandse voorstel voor een aanvullend protocol bij
de Dublinovereenkomst inzake de bevoegheden voor het EG-Hof van Justitie kunnen
wij berichten dat inmiddels is gebleken dat er bereidheid bestaat het voorstel
te bespreken. Het Italiaanse voorzitterschap van de Raad heeft, conform de
opdracht van de Europese Raad te Cannes, absolute voorrang gegeven aan het
overleg over het Hof-protocol bij de Europol-overeenkomst, opdat tijdens de
Europese Raad te Florence van juni 1996 de besluitvorming terzake kon worden
afgerond. Wij hebben met die prioriteitstelling ingestemd, omdat wij het ook
in Nederlands belang achtten dat overeenstemming over de bevoegdheden van
het EG-Hof inzake prejudiciële beslissingen betreffende de Europolovereenkomst
werd bereikt.
De reactie op ons voorstel voor een protocol bij de Dublin-overeenkomst
waarderen wij als positief en wij zullen ons er voor inzetten dat de inhoudelijke
besprekingen daarover spoedig voortgang zullen vinden.
De aan de brief van de Permanente commissie van deskundigen in internationaal
vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht van 26 maart 1996 aan de leden
van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, waarover u ons oordeel vraagt, kennelijk
ten grondslag liggende gedachten heeft bij ons enige verbazing. Genoemde commissie
lijkt ervan uit te gaan dat in het Comité, als bedoeld in artikel 18
van de Dublinovereenkomst ambtelijke vertegenwoordigers zitting hebben. Dit
is niet het geval. Voorts gaat de Commissie er van uit dat het Comité
van artikel 18 «onderwerpen van vluchtelingenrecht bij besluiten van
het Comité bindend voor de Lid-Staten zullen worden vastgelegd».
Uit het bepaalde in artikel van 18 van de Dublin-overeenkomst blijkt evenwel
dat de aan het Comité toegekende bevoegdheden niet het vluchtelingenrecht
als zodanig betreffen, maar beperkt zijn tot de Dublin-overeenkomst zelf.
Ten slotte stelt genoemde commissie voor dat Nederland een verklaring aflegt
van de strekking dat de Nederlandse rechter niet gebonden is door besluiten
van het Comité. Wij achten een dergelijke verklaring overbodig. Wij
vermogen niet in te zien, waarom aan de besluiten van het Comité van
de Dublin-overeenkomst een andere verbindende kracht zou moeten worden toegekend
dan aan besluiten van het Uitvoerend Comité van Schengen. Met betrekking
tot laatstbedoelde besluiten heeft de regering van meet af aan een heldere
positie ingenomen, recentelijk nog in een plenair debat met de Eerste Kamer
der Staten-Generaal. Voor de goede orde herhalen wij hier de passage uit de
nadere memorie van antwoord bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van de Uitvoeringsovereenkomst
van Schengen: «Het feit dat in het Uitvoerend Comité een bepaalde
opvatting over de uitleg van de Overeenkomst heerst, vermag geenszins af te
doen aan de verplichtingen van de rechter in elk der Overeenkomstsluitende
Staten de Overeenkomst toe te passen en daartoe te interpreteren. Indien mocht
blijken dat een rechterlijke uitspraak in een der Overeenkomstsluitende Staten
niet verenigbaar zou zijn met een opvatting van het Uitvoerend Comité,
dan doet dat niet af aan de gelding en uitvoerbaarheid van de rechterlijke
uitspraak.» (Kamerstukken I 1992/93, 22 140, nr. 52c).
De leden van de fractie van de PvdA vroegen of het ontwerp-reglement van
het Uitvoerend Comité ter instemming aan het parlement zal worden voorgelegd.
Wij begrijpen dat deze leden doelen op het reglement van orde van het Comité
van artikel 18 van de Dublin-overeenkomst. Zoals wij op vragen van leden van
de Tweede Kamer der Staten-Generaal reeds hebben geantwoord, wordt er nog
over gesproken of de Raad van de EU (in de samenstelling van Ministers van
Binnenlandse Zaken en van Justitie) de bevoegdheden van het Comité
van artikel 18 zal uitoefenen. Indien zulks het geval is, zal het reeds bestaande
reglement van orde van de Raad van toepassing zijn. Indien wordt besloten
dat het Comité een zelfstandig verdragsorgaan is, dan zal het zijn
eigen reglement van orde dienen op te stellen. In dat geval zal in navolging
van hetgeen met betrekking tot het reglement van orde van het Uitvoerend Comité
van Schengen is geschied, het reglement van orde van het Comité ter
instemming aan het parlement worden overgelegd.
Inzake de samenwerking tussen nationale parlementen met het oog op de
versterking van de democratische controle, waar deze leden ten slotte naar
vroegen, merken wij het volgende op.
De parlementaire controle dient naar het oordeel van de regering te worden
uitgeoefend door het Europees Parlement en de nationale parlementen. Interparlementaire
samenwerking zou de rol van de nationale parlementen kunnen versterken.
Institutionalisering van die interparlementaire samenwerking ligt, gegeven
het bestaan van het Europees Parlement, minder voor de hand. Zoals bekend
streeft de regering naar versterking van de rol van het Europees
Parlement, conform haar uitgangspunten als verwoord in haar IGC-notitie inzake
institutionele hervormingen binnen de Europese Unie van 12 juli 1995 (Kamerstukken
II 1994/95, 24 251, nr. 2).
Wij zijn van oordeel hiermee alle vragen te hebben beantwoord.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
De Staatsecretaris van Justitie,
E. M. A. Schmitz
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
M. Patijn