nr. 2e
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIEN1
Vastgesteld 12 december 1995
De nadere memorie van antwoord gaf de leden van de CDA-fractie
aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van onderstaande
vragen.
De leden van bovengenoemde fractie waren van mening dat ook na de nadere
memorie van antwoord nog enige onduidelijkheid is blijven bestaan. Zij zouden
de staatssecretaris gaarne uitnodigen – in het belang van de praktijk –
duidelijkheid te verschaffen in de volgende situaties.
Vrijstelling ouder/kind relatie
In de nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken Tweede Kamer
23 219, nr. 11, blz. 5) wordt opgemerkt dat de in artikel 25b, tweede
lid, onderdeel c, opgenomen vrijstelling ziet op en is bedoeld voor gevallen
waarin ouders de eigendom van zaken in eigen gebruik, zoals eigen woning,
(na verloop van tijd) overdragen aan hun kinderen onder voorbehoud van een
tijdelijk genotsrecht en de ouders de zaak blijven gebruiken. Dergelijke transacties
vervullen, aldus de nota, een maatschappelijke functie. Door genoemde vrijstelling
wordt in dergelijke situaties bij de kinderen de waarde-aangroei van de blote
eigendom niet in aanmerking genomen, terwijl bij de ouders het huurwaardeforfait
van toepassing blijft.
Deze leden zeiden de maatschappelijke wenselijkheid van deze vrijstelling
in de ouder/kind-situatie ten volle te onderschrijven. Zij meenden echter
dat er op een aantal punten nu reeds duidelijkheid kan en moet worden gegeven
ten behoeve van de praktijk, temeer nu het wetsvoorstel zelfs voor bona fide
gevallen geen algemene overgangsregeling of eerbiedigende werking bevat.
Kan worden bevestigd dat de maatschappelijke wenselijkheid van de vrijstelling
met zich meebrengt, dat de vrijstelling ook van toepassing is:
1. indien door de ouder een woning is aangekocht en direct de blote eigendom
aan de kinderen is overgedragen;
2. indien de woning door de kinderen en de ouders gesplitst zijn gekocht
van een derde (deze leden waren overigens van mening dat de tekst
van artikel 25b, tweede lid, onderdeel c, geenszins vordert dat de ouders
eerst vol eigenaar zouden moeten zijn geweest.
Mocht de staatssecretaris niettemin menen dat een onderscheid moet bestaan
tussen gevallen, waarin na verloop van tijd en gevallen waarin direct na aankoop
de blote eigendom aan de kinderen is overgedragen, welk tijdsverloop (maand,
jaar?) is dan nodig om voor de vrijstelling in aanmerking te komen?
Kan de staatssecretaris bevestigen dat – wanneer de ouders, in het
verleden de blote eigendom van hun woning hebben overgedragen aan de kinderen
onder voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning – bij de verkrijging
van een nieuwe woning dezelfde rechtsverhouding kan worden doorgezet onder
handhaving van de eerder bestaande vrijstelling van heffing op grond van artikel
25b Wet op de inkomstenbelasting 1964?
Blijft de vrijstelling ook gelden voor het overschot dat is ontstaan doordat
de nieuwe woning minder heeft gekost dan de oude heeft opgebracht (bijv. omdat
de ouders kleiner zijn gaan wonen) en dit overschot wordt belegd in een vermogensrecht
als bedoeld in artikel 15a Wet op de Inkomstenbelasting?
Verkrijging krachtens erfrecht of testament
In artikel 6, tweede lid Wet vermogensbelasting is een uitzondering opgenomen
voor situaties bedoeld in artikel 25b, tweede lid onderdeel c Wet op de Inkomstenbelasting
(ouders–kinderen). Deze leden waren van mening dat bedoelde uitzondering
evenzeer van toepassing zou behoren te zijn indien het tijdelijk genotsrecht
krachtens erfrecht is ontstaan. Kan de staatssecretaris zich in deze benadering
vinden? Zo ja, is hij dan bereid het daarheen te leiden dat de regeling in
artikel 6, tweede lid Wet vermogensbelasting niet alleen van toepassing is
op artikel 25b, tweede lid, onderdeel c (overdracht) maar ook op genoemd artikel
onderdeel b (erfrecht)?
In de inkomstenbelastingheffing over de aangroei van de blote eigendom
naar volle eigendom wordt onderscheid gemaakt tussen vermogensrechten en zaken
(resp. artikel 25a en artikel 25b Wet op de inkomstenbelasting 1964). Ingeval
het genotsrecht is verkregen krachtens testament (artikel 25a) geldt een minder
ruime vrijstelling dan ingeval van verkrijging krachtens erfrecht. Kan worden
toegelicht waarom ingevolge het wetsvoorstel inkomstenbelasting volgt indien
de gezamenlijke erfgenamen in de boedelverdeling (er is geen testament) een
genotsrecht overeenkomen terzake van bijv. een vordering (wegens onderbedeling)
die de kinderen op de langstlevende ouder hebben?
Artikel 25d
Artikel 25d ziet op de situatie dat partijen tezamen een niet-tijdelijk
recht van vruchtgebruik ombouwen tot een tijdelijk recht van vruchtgebruik.
Voor die situatie kan de stelling worden ingenomen dat fiscaal gehandeld wordt
alsof steeds en slechts een tijdelijk recht van vruchtgebruik zou hebben bestaan
met als effect alsnog heffing. Maar daartegenover behoort dan ook evenveel
aftrek te bestaan voor degene die betaald heeft.
Kan de staatssecretaris dit bevestigen mede aan de hand van het volgende
voorbeeld: A. vestigt een niet-tijdelijk vruchtgebruik ten gunste van B en
ontvangt van B f 100 000,–; later komen A en B overeen dat
vruchtgebruik om te bouwen tot een vruchtgebruik voor 10 jaren naar aanleiding
waarvan A aan B f 70 000,– terugbetaalt. Is het juist, dat
als A nu achteraf belast wordt voor f 30 000,–,
B nu ook achteraf f 30 000,– mag aftrekken?
Deze leden waren tenslotte de mening toegedaan dat artikel 25d niet van
toepassing behoort te zijn op het niet-tijdelijk recht van vruchtgebruik,
dat wordt gekocht door de blote eigenaar. Het niet-tijdelijk recht is niet
omgebouwd tot tijdelijk, het is niet beëindigd, het is alleen verkocht
aan de blote eigenaar terwijl het evenzeer aan ieder ander verkocht had kunnen
worden. Het is – door vermenging van blote eigendom en vruchtgebruik –
tot volle eigendom geworden. Hier is het vruchtgebruik niet geëindigd
in de zin van en als bedoeld in artikel 25d. Enigerlei afrekening is dan ook
hier niet juist, naar het oordeel van deze leden. Wat is de mening van de
staatssecretaris hierover?
Vertrouwende dat bovenstaande vragen tijdig zullen worden beantwoord,
acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie,
Boorsma
De griffier van de commissie,
Hordijk