Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1995-199622969 nr. 34c

22 969
Wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen

23 429
Inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen)

nr. 34c
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 16 april 1996

De memorie van antwoord gaf de commissie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de commissie wilden allereerst een nieuw punt aan de orde stellen en nog de aandacht van de regering vragen voor de kritiek, die de leden van de commissie onlangs van wetenschappelijke zijde heeft bereikt aangaande de bij vierde nota van wijzigingen ingevoerde regeling van verhaal op levensverzekeringen. Deze kritiek, zoals in samengevatte vorm geformuleerd door mr. W. J. M. van Veen, verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, houdt in2:

– de regeling berust op een onjuiste vooronderstelling;

– ten onrechte wordt, naast de verzekeringnemer, tevens aan een herroepelijk aangewezen begunstigde de bevoegdheid verleend om zich tegen uitwinning te verzetten;

– de regeling leidt tot onrechtvaardige behandeling van crediteuren; uitsluitend de crediteuren van de verzekeringnemer worden in hun verhaal gefrustreerd ten gunste van die van de begunstigde;

– de regeling heeft tot gevolg dat – anders dan onder het huidige recht – over elke uitwinbare polis zal moeten worden geprocedeerd. Dit leidt weer tot een stijging van de werkdruk van de rechterlijke macht en tot een stijging van de kosten, hetgeen overigens ook weer voor rekening komt van de crediteuren;

– een onbegrijpelijk gevolg van de regeling is dat de crediteuren die verhaal willen nemen op een uitkering krachtens levensverzekering, beter af zijn indien de uitkering reeds opeisbaar was vóór beslaglegging of faillissement, dan wanneer de uitkering opeisbaar wordt nadat beslag is gelegd of het faillissement is uitgesproken. Dit is niet alleen onbegrijpelijk maar ook onaanvaardbaar: beslaglegging en faillissement behoren niet te leiden tot een verslechtering van de verhaalspositie. De aard van het faillissements- en beslagrecht verzet zich hiertegen ten enenmale;

– door de techniek van de voorgestelde regeling, de gekozen criteria aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of en in hoeverre uitwinning is toegestaan en doordat ook verzekeringen die zijn gericht op de opbouw van een kapitaal onder de werking van de regeling zijn gebracht, is het niet gewaagd te concluderen dat de regeling betalingsonwil, chicaneus gedrag en misbruik van de levensverzekering in de hand zal werken. Is dit reeds thans het geval, onder het regime van de nieuwe regels wordt de verhaalspositie van zowel de curator als die van de individuele crediteur, nòg problematischer. Rechtvaardiging hiervoor ontbreekt. Ik roep hierbij in herinnering dat de minister in de toelichting bij afdeling 7.17.3 Ontwerp NBW nog verklaarde dat de mogelijkheden van de individuele beslaglegger tè beperkt waren (Tweede Kamer 19 529, nr. 3, p. 53).

De commissie vroeg de minister haar reactie te geven op deze kritiek.

De leden van de commissie vroegen voorts of de minister kan uitleggen, waarom, in het geval van faillissement/schuldsanering/beslag op spaargelden, die zich bevinden onder een levensverzekeraar anders moeten worden behandeld dan spaargelden die zich bevinden onder de schuldenaar zelf of bij een spaarbank (zie bijlage 2 bij schrijven van mr. Van Veen).

De leden van de VVD-fractie waren erkentelijk voor de op hun in het voorlopig verslag gestelde vragen gegeven antwoorden, waarmee zij merendeels konden instemmen. Zij bleven echter vooralsnog bevreesd voor een toename van de werkdruk op de gerechten, in het bijzonder op de administratieve ondersteuning.

De leden van de CDA-fractie wilden nog de volgende vragen ter beantwoording aan de minister voorleggen.

Heeft de minister actuele informatie over het aantal gevallen waarin een verzoek wordt gedaan aan een gemeentelijke kredietinstelling om hulp te verlenen bij het treffen van een minnelijke schuldregeling en over de wijze waarop gereageerd wordt op zo'n verzoek?

Zijn thans al, misschien voorlopige, cijfers te geven omtrent de experimenten op het terrein van lokale meldpunten, die door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gesubsidieerd (memorie van antwoord, Kamerstukken Eerste Kamer 1995–1996, nr. 34b, blz. 8)?

Is de minister voornemens in te gaan op het verzoek van de NVvR, gedaan bij brief van 27 februari 19961, om de wet eerst in werking te laten treden nadat de noodzakelijke aanpassingen aan het geautomatiseerde systeem CIVIEL zijn uitgevoerd? Op welke termijn kan in dat geval de inwerkingtreding worden voorzien?

Wil de minister reageren op de onderscheiden onderwerpen die worden aangeroerd in de brief van Recofa d.d. 13 februari 19962? Is het juist dat bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel de daarbij betrokken personen, zoals rechters-commissaris en de Vereniging Insolventie-rechtsadvocaten, niet zijn geconsulteerd?

Kan de minister inlichtingen verschaffen omtrent het onderzoek dat door de Economische Controle Dienst wordt uitgevoerd naar malafide stichtingen, die zich bezig houden met de schuldsanering van natuurlijke personen, doch daarbij vooral hun eigen belang op het oog hebben? Welke mogelijkheden zijn er om, zo nodig, op te treden tegen deze stichtingen? Is de minister voornemens om, wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, vervolging te doen instellen?

Zijn er geen europeesrechtelijke belemmeringen voor de voorgestelde regeling, bijv. in het op 25 september 1995 door de leden van de Europese Unie getekende Faillissementsverdrag?

De leden van de PvdA-fractie vroegen of inmiddels een oplossing is gevonden voor de problemen in de practische uitvoering van de wetgeving, die zijn gesignaleerd door de Werkgroep Faillissementen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en door die Vereniging onder de aandacht van de minister zijn gebracht.

De leden van de fractie van D66 hadden uit een recent radioprogramma vernomen dat volkskredietbanken, die zich tot heden actief met schuldsanering bezighouden in toenemende mate geconfronteerd worden met de onmogelijkheid een sanering aan te gaan omdat een steeds groter aantal uitkeringen daartoe geen ruimte meer bieden. Is dat ook niet het lot van de grootste groep waarvoor dit wetsvoorstel is bedoeld?

De voorzitter van de commissie,

Heijne Makkreel

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Heijne Makkreel (VVD), (voorzitter), Talsma (VVD), Glasz (CDA), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Holdijk (SGP), Vrisekoop (D66), Pitstra (GroenLinks), Le Poole (PvdA), Cohen (PvdA), De Wit (SP), Hirsch Ballin (CDA), De Haze Winkelman (VVD).

XNoot
2

De brief van de heer Van Veen is ter kennis gebracht van de minister en op het centraal informatiepunt ter inzage gelegd onder nr. 117 222.

XNoot
1

Deze brief is ter kennis gebracht van de minister en op het centraal informatiepunt ter inzage gelegd onder nr. 117 222.1.

XNoot
2

Deze brief is een bijlage bij brief 117 222.1.