Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1995-199622969 nr. 34a

22 969
Wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen

23 429
Inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen)

nr. 34a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 13 december 1995

Het eerder verschenen stuk inzake dit wetsvoorstel is gedrukt onder EKnr. 35,1995–1996.

Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de fractie van de VVD hadden de voorstellen met – over het geheel genomen – instemming ontvangen. Op een enkel punt vroegen zij zich af of de optimale oplossing verkozen is. Zij stelden de volgende vragen.

Is de veronderstelling dat de werkdruk van de rechterlijke macht door de voorgestelde regeling niet zal toenemen wel realistisch? Valt niet te verwachten dat de schuldsaneringsregeling ook zal worden aangevraagd door personen die in het verleden niet in een faillissement zouden zijn geraakt? Is niet reeds de schatting uit het rapport Boorsma dat rond de 200 000 personen in een problematische situatie verkeren een aanwijzing dat dit te verwachten is?

Dient artikel 305, tweede lid, a contrario te worden uitgelegd in die zin dat de verhuurder geen beëindiging van de huur en ontruiming kan vorderen voor huurschulden die bestonden op de datum van uitspraak van de schuldsanering? Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, zou het niet voor de hand gelegen hebben een eventueel reeds verkregen uitzettingsvonnis op gelijke wijze te behandelen als een verkregen titel met betrekking tot een geldschuld, met andere woorden: na uitspraak van het moratorium de werking van zo'n vonnis te schorsen? Zo neen, waarom niet?

Is «in staat geacht wordt te kunnen voortgaan» (artikel 288, eerste lid onderdeel a) goed Nederlands? Zou hier niet behoren te staan «in staat geacht wordt voort te gaan», dan wel «geacht wordt te kunnen voortgaan»?

Is de komma na «gerechtshof» in artikel 292, tweede lid, correct? Deze komma geeft aan de daarop volgende bijzin de betekenis van de constatering dat het gerechtshof geen rechtsweigering mag plegen, hetgeen overbodig voorkomt. Voor de hand ligt dat is bedoeld het bevoegde gerechtshof aan te duiden, doch om dat correct tot uiting te brengen dient de komma verwijderd te worden. (Zie: Algemene Nederlandse Spraakkunst, § 13.4.8.3)

De leden van de CDA-fractie hadden met grote belangstelling kennis genomen van de voorliggende wetsvoorstellen. Na de uitvoerige behandeling in de Tweede Kamer wilden deze leden nog de volgende vragen stellen.

Wat zijn de voordelen van de regeling van de onderhavige problematiek in de voorliggende wetsvoorstellen boven de regeling van deze problematiek in een duale relatie tussen schuldenaar en bijv. de Volkskredietbank, zoals thans in de praktijk geschiedt?

Waarom is er niet voor gekozen de essentie van de onderhavige regeling onder te brengen in de zevende afdeling van de Faillissementswet over het akkoord? Zou aldus niet op veel eenvoudiger wijze hetzelfde zijn bereikt als met de voorliggende, uitgebreide wetsvoorstellen? De leden van de fracties van SGP, GPV en RPF sloten zich bij de bovenstaande vragen aan.

De leden van de CDA-fractie vervolgden met de vraag of niet gevreesd moet worden dat de voorgestelde regeling in de praktijk fraudegevoelig zal blijken te zijn.

Kunnen de argumenten uiteen worden gezet om in plaats van de oorspronkelijk in de wetsvoorstellen voorgestelde duur van de schuldsaneringsregeling van 5 jaar thans een termijn van 3 jaar in de wetsvoorstellen te bepalen?

Wat is het standpunt van de minister ten aanzien van het voorstel van de Commissie-Boorsma in het rapport «Schulden:naar» om een gemeentelijke functionaris aan te stellen om mensen in financiële problemen actief te begeleiden o.m. door hen te helpen met de vele loketten en de vele regelingen? Is de minister bereid om te bevorderen dat de regering gemeenten stimuleert en ondersteunt bij het opzetten en handhaven van een dergelijke regeling?

Wordt met de term «beheer» in artikel 296, derde lid hetzelfde bedoeld als met de term «bevoegdheid .. feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten» in het eerste lid van dit artikel?

Heeft artikel 297 nog een andere strekking dan, wat vanzelfsprekend is, te bepalen dat de schuldenaar door de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet handelingsonbekwaam is geworden?

Wat is de ratio van de bepaling van artikel 305, eerste lid dat, wanneer de schuldsaneringsregeling definitief is, alleen de bewindvoerder de huur tussentijds kan doen eindigen? Wat is er tegen om deze bevoegdheid (ook) aan de huurder zelf toe te kennen?

De leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de wetsvoorstellen 22 969 en 23 429. Zij wilden nog de volgende vragen ter beantwoording voorleggen.

Is de door de minister bij de behandeling in de Tweede Kamer toegezegde evaluatie van de beslagvrije voet al gereed? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst?

Deelt de minister de mening van mr Huizink, geuit in een artikel in het WPNR van vrijdag 11 november 1995, dat de voorgestelde regeling slecht aansluit op de geldende Faillissementswet en daarom in de uitvoering tot praktische problemen zal leiden? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van D66 wilden eveneens nog een aantal vragen stellen.

Het gaat hier om relatief ingrijpende grote wetten die een doelgroep beslaan die relatief weinig te verteren heeft. Loont dit wel, zijn de bedragen die aldus gegenereerd worden niet zo weinig omvangrijk dat het buitenproportioneel wordt een groot apparaat als deze wetswijziging voorstaat, in stelling te brengen? Wegen met name de sanerings-/faillissementskosten, waaronder die van de rechtbank, curator/bewindvoerder, wel op tegen de opbrengsten en is dat reëel tegenover de schuldeisers?

Wanneer een van de betrokken schuldeisers niet akkoord gaat met de voorgestelde schuldsaneringsregeling, kan hij in beroep gaan tot aan de Hoge Raad. Die rechtsgang neemt vaak lange tijd in beslag. Wat gebeurt intussen met de schuldenregeling, begint deze reeds, wordt deze opgeschort of wordt de regeling verlengd met de periode van de rechtsgang indien deze nog voortduurt of is hiervoor nog een andere regeling?

De voorzitter van de commissie,

Heijne Makkreel

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Heijne Makkreel (VVD), (voorzitter), Talsma (VVD), Glasz (CDA), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Holdijk (SGP), Vrisekoop (D66), Pitstra (GroenLinks), Le Poole (PvdA), Cohen (PvdA), De Wit (SP), Hirsch Ballin (CDA), De Haze Winkelman (VVD).