nr. 34a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1
Vastgesteld 13 december 1995
Het eerder verschenen stuk inzake dit wetsvoorstel is gedrukt onder
EKnr. 35,1995–1996.
Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het formuleren
van de volgende opmerkingen en vragen.
De leden van de fractie van de VVD hadden de voorstellen met –
over het geheel genomen – instemming ontvangen. Op een enkel punt vroegen
zij zich af of de optimale oplossing verkozen is. Zij stelden de volgende
vragen.
Is de veronderstelling dat de werkdruk van de rechterlijke macht door
de voorgestelde regeling niet zal toenemen wel realistisch? Valt niet te verwachten
dat de schuldsaneringsregeling ook zal worden aangevraagd door personen die
in het verleden niet in een faillissement zouden zijn geraakt? Is niet reeds
de schatting uit het rapport Boorsma dat rond de 200 000 personen in
een problematische situatie verkeren een aanwijzing dat dit te verwachten
is?
Dient artikel 305, tweede lid, a contrario te worden uitgelegd in die
zin dat de verhuurder geen beëindiging van de huur en ontruiming kan
vorderen voor huurschulden die bestonden op de datum van uitspraak van de
schuldsanering? Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, zou het
niet voor de hand gelegen hebben een eventueel reeds verkregen uitzettingsvonnis
op gelijke wijze te behandelen als een verkregen titel met betrekking tot
een geldschuld, met andere woorden: na uitspraak van het moratorium de werking
van zo'n vonnis te schorsen? Zo neen, waarom niet?
Is «in staat geacht wordt te kunnen voortgaan» (artikel 288,
eerste lid onderdeel a) goed Nederlands? Zou hier niet behoren te staan «in
staat geacht wordt voort te gaan», dan wel «geacht wordt te kunnen
voortgaan»?
Is de komma na «gerechtshof» in artikel 292, tweede lid, correct?
Deze komma geeft aan de daarop volgende bijzin de betekenis van de constatering
dat het gerechtshof geen rechtsweigering mag plegen, hetgeen overbodig voorkomt.
Voor de hand ligt dat is bedoeld het bevoegde gerechtshof aan te duiden, doch
om dat correct tot uiting te brengen dient de komma verwijderd te worden.
(Zie: Algemene Nederlandse Spraakkunst, § 13.4.8.3)
De leden van de CDA-fractie hadden met grote belangstelling
kennis genomen van de voorliggende wetsvoorstellen. Na de uitvoerige behandeling
in de Tweede Kamer wilden deze leden nog de volgende vragen stellen.
Wat zijn de voordelen van de regeling van de onderhavige problematiek
in de voorliggende wetsvoorstellen boven de regeling van deze problematiek
in een duale relatie tussen schuldenaar en bijv. de Volkskredietbank, zoals
thans in de praktijk geschiedt?
Waarom is er niet voor gekozen de essentie van de onderhavige regeling
onder te brengen in de zevende afdeling van de Faillissementswet over het
akkoord? Zou aldus niet op veel eenvoudiger wijze hetzelfde zijn bereikt als
met de voorliggende, uitgebreide wetsvoorstellen? De leden van de fracties
van SGP, GPV en RPF sloten zich bij de bovenstaande
vragen aan.
De leden van de CDA-fractie vervolgden met de vraag of niet
gevreesd moet worden dat de voorgestelde regeling in de praktijk fraudegevoelig
zal blijken te zijn.
Kunnen de argumenten uiteen worden gezet om in plaats van de oorspronkelijk
in de wetsvoorstellen voorgestelde duur van de schuldsaneringsregeling van
5 jaar thans een termijn van 3 jaar in de wetsvoorstellen te bepalen?
Wat is het standpunt van de minister ten aanzien van het voorstel van
de Commissie-Boorsma in het rapport «Schulden:naar» om een gemeentelijke
functionaris aan te stellen om mensen in financiële problemen actief
te begeleiden o.m. door hen te helpen met de vele loketten en de vele regelingen?
Is de minister bereid om te bevorderen dat de regering gemeenten stimuleert
en ondersteunt bij het opzetten en handhaven van een dergelijke regeling?
Wordt met de term «beheer» in artikel 296, derde lid hetzelfde
bedoeld als met de term «bevoegdheid .. feitelijke handelingen te verrichten
en toe te laten» in het eerste lid van dit artikel?
Heeft artikel 297 nog een andere strekking dan, wat vanzelfsprekend is,
te bepalen dat de schuldenaar door de toepassing van de schuldsaneringsregeling
niet handelingsonbekwaam is geworden?
Wat is de ratio van de bepaling van artikel 305, eerste lid dat, wanneer
de schuldsaneringsregeling definitief is, alleen de bewindvoerder de huur
tussentijds kan doen eindigen? Wat is er tegen om deze bevoegdheid (ook) aan
de huurder zelf toe te kennen?
De leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennis
genomen van de wetsvoorstellen 22 969 en 23 429. Zij wilden nog
de volgende vragen ter beantwoording voorleggen.
Is de door de minister bij de behandeling in de Tweede Kamer toegezegde
evaluatie van de beslagvrije voet al gereed? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst?
Deelt de minister de mening van mr Huizink, geuit in een artikel in het
WPNR van vrijdag 11 november 1995, dat de voorgestelde regeling slecht aansluit
op de geldende Faillissementswet en daarom in de uitvoering tot praktische
problemen zal leiden? Zo nee, waarom niet?
De leden van de fractie van D66 wilden eveneens nog een aantal
vragen stellen.
Het gaat hier om relatief ingrijpende grote wetten die een doelgroep beslaan
die relatief weinig te verteren heeft. Loont dit wel, zijn de bedragen die
aldus gegenereerd worden niet zo weinig omvangrijk dat het buitenproportioneel
wordt een groot apparaat als deze wetswijziging voorstaat, in stelling te
brengen? Wegen met name de sanerings-/faillissementskosten, waaronder die
van de rechtbank, curator/bewindvoerder, wel op tegen de opbrengsten en is
dat reëel tegenover de schuldeisers?
Wanneer een van de betrokken schuldeisers niet akkoord gaat met de voorgestelde
schuldsaneringsregeling, kan hij in beroep gaan tot aan de Hoge Raad. Die
rechtsgang neemt vaak lange tijd in beslag. Wat gebeurt intussen met de schuldenregeling,
begint deze reeds, wordt deze opgeschort of wordt de regeling verlengd met
de periode van de rechtsgang indien deze nog voortduurt of is hiervoor nog
een andere regeling?
De voorzitter van de commissie,
Heijne Makkreel
De griffier van de commissie,
Hordijk